Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Gand du 18.04.2002
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Rechtbank van Eerste aanleg te Gent, Zesde kamer – Openbare terechtzitting van 18.04.2002
Algemene rol nummer : 01/679/A
In de zaak van :
NV B. D., ingeschreven in het handelsregister te Gent onder nummer …,met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …,
eiseres,
voor wie optreedt mr. M. M., advocaat te …, …,
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Gent 2,waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9000 Gent, Martelaarslaan 23.
verweerder,
voor wie optreedt mr. M. P., advocaat te …, …,
Vonnis de rechtbank als volgt
l. RECHTSPLEGING
Gelet op de inleidende dagvaarding aan verweerder betekend op 19 februari 2001.
De rechtbank neemt kennis van het dossier van de rechtspleging en de door partijen overgelegde stukken.
De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
2. DE VORDERING
De vordering van eiseres strekt ertoe in een vonnis uitvoerbaar bij voorraad te zeggen, dat de administratieve geldboeten die verweerder in de periode 1998-2000 aan eiseres heeft opgelegd wegens de laattijdige vereffening van de verschuldigde BTW rechtens nietig zijn.
Verweerder te veroordelen om aan eiseres te betalen de som van 1.113.000 frank (€ 27.590,55) meer de intresten, de kosten en de rechtsplegingsvergoeding.
3. FEITEN
Eiseres is sedert 1992 actief in de transportsector en kampte in 1998 met liquiditeitsproblemen waardoor zij haar BTW-verplichtingen niet meer kon nakomen.
Eiseres voldeed niet de BTW verschuldigd voor het eerste kwartaal van 1998 waardoor verweerder op grond van art. 70 W.BTW aan eiseres een administratieve boete oplegde van 10 % van de verschuldigde BTW.
Gedurende meerdere kwartalen gebruikte eiseres telkens de ontvangen BTW gelden om de achterstal van het vorige kwartaal aan te zuiveren.
Door deze werkwijze liep eiseres telkens een administratieve boete op van 10 % van de verschuldigde BTW.
Aan eiseres werden door verweerder volgende boeten opgelegd :
bijzondere rekening tijdvak 30.11.1997-28.2.1998 B 207.000
€ 5.131,40
bijzondere rekening tijdvak 31.3.1998-30.6.1988 B 84.000
€ 2.082,31
bijzondere rekening tijdvak 15.10.1998-30.9.1998 B 123.000
€ 3.049,09
bijzondere rekening tijdvak 30.9.1998-31.12.1998 B 113.000
€ 2.801,20
bijzondere rekening tijdvak 31.12.1998-31.3.1999 B 79.000
€ 1.958,36
bijzondere rekening tijdvak 30.4.1999-31.7.1999 B 299.000
€ 7.412,02
bijzondere rekening tijdvak 28.8.2000-31.5.2000 B 147.000
€ 3.644,03
bijzondere rekening tijdvak 31.5.2000-31.8.2000 B 211.000
€ 5.230,55
bijzondere rekening tijdvak 30.11.2000-28.2.2001 B 129.000
€ 3.197,83
bijzondere rekening tijdvak 28.2.2001-31.5.2001 B 126.000
€ 3.123,46
Voor de bijzondere rekening in het tijdvak 30.4.1999-31.7.1999 werd door verweerder een vermindering van de boete toegestaan van 299.000 naar 149.000 frank.
Eiseres betaalde aldus voor de periode 1998-2000 een bedrag van 1.113.000 frank aan fiscale boeten.
Op 22 februari 2000 verzocht eiseres tot kwijtschelding en terugbetaling van de geldboeten. Dit werd door verweerder bij beslissing van 13 juni 2000 geweigerd, reden waarom eiseres een vordering in rechte instelt.
Eiseres steunt zich op de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en de schending van art. 6 en 7 E.V.R.M. en 14 G.W.
4. BESPREKING
4.1. De beginselen van behoorlijk bestuur
Eiseres argumenteert dat verweerder gehouden is door de beginselen van behoorlijk bestuur in casu de zorgvuldigheidsnorm; dat verweerder nodeloos schade heeft toegebracht aan de rechten van eiseres door de boeten te laten oplopen en eiseres niet onmiddellijk te informeren over de wijze waarop zij de boeten kon vermijden (m.n. door de verschuldigde BTW voor het lopende kwartaal te betalen en een afbetalingsregeling voor de achterstallen te bedingen).
Eiseres gaat evenwel voorbij aan het feit dat zij sedert 1998 haar fiscale verplichtingen niet nakwam m.n. het niet tijdig indienen van de BTW aangiften en het voldoen van de verschuldigde BTW; dat zij financiële moeilijkheden kende, geen kredieten meer kreeg van de financiële instellingen en verweerster gebruikte als kredietverschaffer; dat door verweerster administratieve boeten werden opgelegd op grond van art. 70, §§ 1 en 4 W.BTW; dat niets eiseres belette een afbetalingsplan voor te leggen; dat verweerster overigens onmiddellijk gunstig reageerde zodra het plan d.d. 30.10.1999 (st. 6e) werd voorgelegd; dat eiseres op 15.11.2000 (st. 8c) opnieuw een afbetalingsplan indiende waarop verweerder eveneens gunstig reageerde; dat eiseres daarna opnieuw haar verplichtingen niet nakwam.
Eiseres is dan ook slecht gekomen om te stellen dat verweerder de zorgvuldigheidsnorm niet naleefde nu in casu eiseres stelselmatig haar BTW-verplichtingen niet naleefde. Zij haar belofte aan verweerder, die haar tot 2x toe een afbetalingsplan toestond, niet nakwam om de BTW-schulden niet te laten aangroeien, wat wijst op de onwil van de belastingplichtige.
4.2. Schending van artikel 6 en 7 E.V.R.M. en artikel 14 G.W.
1. Zeker sedert de invoering van de nieuwe fiscale procedure bij de wetten van 15 en 23 maart 1999, waarbij o.m. tevens art. 84, tweede lid van het BTW-wetboek werd gewijzigd staat het vast dat de Hoven en Rechtbanken van de Rechterlijke macht volle rechtsmacht hebben teneinde uitspraak te doen over de fiscale boeten zowel wat betreft de wettigheid, de opportuniteit als de hoogte ervan (Parl.Doc., Senaat, zitting 1998-99, nr. 966/11, pp. 146 en 213).
Ten deze wordt niet betwist dat eiseres haar BTW-aangiften van het eerste en tweede kwartaal 1999 met respectievelijk 5 en 2 maanden vertraging indiende en dat de BTW systematisch laattijdig werd betaald. Er staat dan ook vast dat eiseres een overtreding heeft begaan op de art. 53, eerste lid 3° en 4° W.BTW.
De administratie kon derhalve een niet proportionele geldboete opleggen wegens laattijdige indiening BTW-aangiften (art.70, § 4 W.BTW en KB nr.44 van 21.10.1993, bijlage, eerste afdeling, III, 2B) en een proportionele boete wegens laattijdige betaling (art.70, § 1). Deze proportionele boete werd overeenkomstig KB nr. 41 van 30.1.1987 verminderd tot 10 % van de verschuldigde belasting.
In casu heeft eiseres in de periode 1998-2000 een totaal bedrag van 1.113.000 frank aan fiscale boeten betaald.
De rechtbank stelt vast dat de opgelegde boete in casu ook een strafrechtelijk karakter heeft gelet op de aard van de overtreden norm en de aard en zwaarte van de sanctie.
2. Ten onrechte argumenteert eiseres dat de bepaling van art. 6 E.V.R.M. m.n. het onschuldvermoeden, niet werd gerespecteerd nu het volstaat dat de vereisten van art. 6 E.V.R.M. vervuld worden in de beroepsprocedure volgend op de oplegging van de fiscale boete (zie E.H.R.M. arresten Oztürk van 21.2.1984 en Lutz van 25.8.1987).
3. Ten onrechte argumenteert eiseres dat de beginselen vervat in art. 7 E.V.R.M., 14 G.W. en 2 SWB m.n. het legaliteitsbeginsel en de non-retroactiviteit van de strafwet werden geschonden voor de overtredingen begaan in de periode 1.1.1998 - 2.7.1999 aangezien de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen door de wet van 4.5.1999 pas op 2.7.1999 een feit werd.
Het kwalificeren van een administratieve of fiscale geldboete als strafrechtelijk in de zin van art. 6 E.V.R.M. heeft evenwel niet tot gevolg dat die boete in de Belgische wetgeving aan het strafrechtstelsel zou onderworpen zijn.
De fiscale geldboeten zijn toepasselijk op rechtspersonen aangezien deze boeten tot doel hebben de inbreuken begaan door alle belastingplichtigen, zonder enig onderscheid te voorkomen en te bestraffen.
4 .De rechtbank stelt vast dat eiseres herhaaldelijk de BTW niet doorstort en systematisch verweerder gebruikt als kredietverstrekker.
Eiseres is zeer goed op de hoogte van de gevolgen van het niet-tijdig doorstorten van de BTW en de erbij horende administratieve boeten zodat haar kwade trouw vaststaat.
De boete moet in evenredigheid staan met hetgeen beoogt wordt nl. een waarschuwing en terechtwijzing voor de overtreding, wat in casu het geval is.
5. Er zijn dan ook geen reden voor handen om de opgelegde boeten te vernietigen of te herleiden.
Dispositif
OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd;
Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend;
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond;
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot dusver begroot a.ls volgt :
aan de zijde van eiseres: ciagvaarèingstosten: E: 210,36
rechtsplegingsvergoeding: C 327,22
- aan de zijde van verweerder :
dagvaardigskosten : € 210,63
rechtsplegingsvergoeding : € 327,22.
- aan de zijde van verweerder :
rechtsplegingsvergoeding : € 327,22.
Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op achttien april tweeduizend en twee, waar aanwezig waren :
J. D. B., alleenzetelend rechter,
J. D. T., griffier
J. D. T. J. D. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.