Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 30 janvier 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-tribunal-anvers-2006-01-30-5c47

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
30 janvier 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

54 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 30/01/2006

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op dertig januari tweeduizend en zes in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, alwaar zetelden :

L. B., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR nr. 04/5071/A

L. E. C. BVBA, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer …, met BTW-nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester N. M. loco meester W. H., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het 3e BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 30 augustus 2004,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 2 januari 2006.


Een BTW-ambtenaar heeft in mei en juni 2003 aangekondigde controle doorgevoerd ter zetel van huidig eiseres over periode 1 januari 2 000 tot en met 31 december 2001.

Eiseres verkoopt tweedehands rollend materieel en ze heeft voor vermelde periode een aantal facturen met vrijstelling van BTW wegens intracommunautaire leveringen opgesteld voor de levering van wagens naar Frankrijk en naar Spanje.

De ambtenaar beoordeelde het bewijs tot vrijstelling als niet geleverd, stuurde daarover eerst correctieopgaven, en stelde naderhand - bij gebrek aan terugsturing voor akkoord - op 9 april 2004 proces-verbaal op.

De ontvanger der BTW Antwerpen stelde - rekening houdend met enkele eerdere inhoudingen - op 15 juli 2004 dwangbevel op onder aanhechting van het proces-verbaal.

Het dwangbevel werd uitvoerbaar verklaard op 23 juli 2004 en met aangetekende brief van 27 juli 2004 ter kennis gegeven aan eiseres.

De fiscale vordering behelst navordering van rechten, een tot 20 % herleide boete conform KB 41, en verder intrest op de rechten en op de herleide boete, dit alles meer vervolgingskosten.

De raadsman van eiseres legde op 30 augustus 2004 ter griffie verzoekschrift op tegenspraak met aangehecht afschrift van vermeld dwangbevel neer, in betwisting der fiscale vordering.

Toelaatbaarheid van de rechtsvordering staat niet in betwisting, ook niet zo nodig ambtshalve aan te voeren.

Ten gronde draait de discussie rond de vraag of eiseres, op wie onbetwist de bewijslast rust, afdoende bewijs heeft geleverd van het te dezen voldaan zijn der vrijstellingsvoorwaarden van intracommunautaire levering in toepassing van artikel 39bis Wetboek BTW en uitvoeringsKB 52.

De in vermeld Koninklijk Besluit 52 bepaalde bewijsvoering vormt een open systeem, vereist boe dan ook een bewijs dat de controlerechten van de overheid afdoende tegemoet treedt.

Eiseres heeft de Franse en Spaanse afnemers telkens, op de dag van uitschrijving der factuur en ter plaatse van haar zetel, een door haar voorgetypte verklaring doen ondertekenen waarin dezen het op zich namen het afgenomen vervoermiddel buiten België te brengen.

Van een zeker aantal der voertuigen is gebleken dat zij effectief in Frankrijk ingeschreven zijn voor het verkeer, en in Spanje is dat zelfs van alle vier de wagens het geval (waarvan een door de afnemer zelf : stuk 18 eiseres).

Verweerder doet gelden dat de belastingdienst door inlichtingen uit de betrokken landen op de hoogte werd gebracht dat door de afnemers - die weliswaar de vereiste hoedanigheid bezitten - geen intracommunautaire verwerving is geschied voor de betrokken wagens.

Dat gegeven van verschafte inlichtingen staat niet in betwisting.

Uiteraard dient eiseres niet in te staan voor fiscale overtredingen van haar Spaanse en Franse afnemers.

Zulks neemt evenwel niet weg dat op eiseres een positieve en controleerbare bewijslast rust ter zake de door haar nagestreefde vrijstelling van BTW onder artikel 39bis Wetboek BTW voor intracommunautaire leveringen.

De niet betwiste goede trouw van eiseres volstaat niet om haar bewijslast in te vullen, noch het gegeven dat haar boekhouding niet werd verworpen.

Noch het gegeven van de door de afnemers telkens tegenover eiseres opgenomen last tot het buiten België (naar een andere Lidstaat) brengen van de betrokken voertuigen, noch het feit van betaling door dezen der koopprijzen, tonen te dezen ten genoegen van recht aan dat de voertuigen over de binnencommunautaire grens zijn gebracht in uitvoering van bepaaldelijk de door eiseres gedane levering.

Eiseres stelt weliswaar terecht dat latere inschrijving van voertuigen in het door de afnemer opgegeven bestemmingsland een belangrijke indicatie vormt, maar zij laat na deze indicatie verder uit te werken, en ze stelt enkel dat inschrijving in Spanje "onomstotelijk" bewijst dat de voertuigen werden vervoerd binnen de Gemeenschap.

Over het vereiste bewijs dat de voertuigen naar Spanje zijn vervoerd in het kader van een aan haar eigen intracommunautaire levering, en niet uit andere oorzaak, rept eiseres evenwel niet.

Hetzelfde geldt met betrekking tot de voertuigen die zij heeft geleverd aan de Franse afnemer.

Zij moet de gevolgen dragen van haar verregaande laksheid in de opbouw van het bewijs dat de door haar geleverde voertuigen effectief over intracommunautaire grenzen zijn vervoerd in welbepaald het kader van haar leveringen.

Het bewijs levert zij te dezen niet via de omweg dat een deel van de geleverde wagens in de vermelde landen naderhand blijken te zijn ingeschreven, zonder meer.

Nu het bewijs te dezen niet op aanvaardbare wijze is geleverd, is de vordering in betwisting van de in het dwangbevel verwoorde fiscale vordering ongegrond, behalve wat betreft de in Spanje ingeschreven wagen ten name van de Spaanse afnemer zelf.

Dispositif

0M DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar, maar slechts zeer ten dele gegrond,

Verklaart het dwangbevel van de ontvanger van het derde ontvangkantoor Antwerpen van 15 juli 2004 (referte RCIV …, Reg.127/170) onwettig in zoverre het navordering stelt van BTW en toebehoren met betrekking tot levering van het ten name van de Spaanse afnemer zelf ingeschreven voertuig, en verbiedt er in die mate de uitvoering van.

Veroordeelt eiseres tot negen tienden van de kosten en verweerder tot één tiende der kosten, deze aan elke zijde begroot in de respectieve conclusies, en door de rechtbank in hun geheel vereffend op 178,48 EUR rechtsplegingvergoeding in hoofde van eiseres en op 178,48 EUR rechtsplegingvergoeding in hoofde van verweerder,

Wijst eiseres af van het meer en van het anders gevorderde.

N. D. L. B.

Textes cités

1
CTVA art. 39bis2 occurrences

Décisions similaires

8