Disposition pénale, amende administrative, poursuite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 22 juin 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrative, poursuiteTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-cour-appel-gand-2010-06-22-04d6

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
22 juin 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

97 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 22.06.2010

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent – terechtzitting van 22-06-2010

Nr. 2009/AR/1575

inde zaak van :

R. NV, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …;

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. M. L. loco mr. D. A., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de e.a. inspecteur van het 2de Btw-ontvangkantoor te Gent, wiens kantore, gevestigd zijn te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6/108;

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. V. S. loco D. C., advocaat te …, …;

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Procedure

Bij verzoekschrift van 9 juni 2009 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, op 16 maart 2009 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de vordering van de appellante ontvankelijk verklaard maar als ongegrond afgewezen met veroordeling van de appellante tot de kosten van het geding.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen, in hoofdorde, dat het de vordering tot het betalen van de verschuldigd verklaarde BTW, interest en boeten opgenomen in het bestreden dwangbevel met betrekking tot de periode van 1996 tot en met 2003 zou afwijzen als ongegrond wegens verjaring van de BTW-vordering en subsidiair dat het de boete zou kwijtschelden, minstens sterk zou verminderen. De appellante vraagt ook dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen en stelt de rechtsplegingsvergoeding vast op … euro.

De geïntimeerde vordert de afwijzing van het hoger beroep als ongegrond. Hij vraagt tevens dat het Hof de appellante zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen en stelt de rechtsplegingsvergoeding vast op ... euro.

De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.

2. Feitelijke gegevens

De appellante exploiteert een bedrijvencentrum, economische activiteit waarvoor zij als BTW-belastingplichtige geregistreerd is.

Naar aanleiding van een AOIF-controle is gebleken dat de appellante in haar jaarrekening (balansdatum telkens op 31 maart) sedert boekjaar 1996/1997 een post 451900 BTW te herzien opnam. Volgens haar eigen verklaring ging het om BTW met betrekking tot kosten aan gebouwen die moest worden herzien. In het bijzonder vertegenwoordigen de saldi van de te herziene BTW volgens die boekingen de volgende bedragen :

• boekjaar 1996/1997 : … euro

• boekjaar 1997/1998 : … euro

• boekjaar 1998/1999 : … euro

• boekjaar 1999/2000 : … euro

• boekjaar 2000/2001 : … euro

• boekjaar 2001/2002 : … euro

• boekjaar 2002/2003 : … euro

• boekjaar 2003/2004 : … euro

Totaal saldo in jaarrekening van 31 maart 2004 : … euro

Vermits de geïntimeerde erkende dat daarvan … euro betrekking had op een boete van … euro, oordeelde de controledienst dat er sprake was van … euro te herziene BTW.

De herziening van die BTW was door de appellante evenwel nooit aangegeven in haar BTW-aangiften.

Op basis van de stelling dat de opname van die bedragen in de jaarrekeningen beschouwd moest worden als een uitdrukkelijke schulderkenning, oordeelde de controledienst dat er nooit verjaring van die BTW was ingetreden en besloot dat de appellante in de periode van 1 april 1996 tot 31 maart 2004 ten onrechte voor een bedrag van … euro BTW in aftrek had gebracht en dat bedrag nog aan de Schatkist verschuldigd was, vermeerderd met een verminderde proportionele boete van … euro en de wettelijke interest op de BTW. In die zin werd op 13 februari 2006 ten nadele van de appellante een proces-verbaal opgemaakt.

Bij gebrek aan betaling werd door de geïntimeerde op 17 februari 2006 onder RCIV-nummer … een dwangbevel uitgevaardigd voor dezelfde bedragen (waarbij de interest berekend werd op … euro). meer de bijkomende interest op de BTW vanaf 21 februari 2006, de moratoire interest op de boete en de vervolgingskosten.

Dat dwangbevel werd op 20 februari 2006 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en met een aangetekende brief van 22 februari 2006 ter kennis van de appellante gebracht.

Met een dagvaarding van 29 november 2006 tekende de appellante verzet aan tegen dat dwangbevel en stelde haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent.

De zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent heeft in zijn vonnis van 16 maart 2009 de vordering van de appellante afgewezen, zoals hoger vermeld.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. Grieven en argumenten van de partijen

3.1. Standpunt van de appellante

De appellante stelt in hoofd orde dat de vordering van de geïntimeerde grotendeels verjaard is en ze wijst op de vroegere en de actuele verjaringsregels uit het BTW-wetboek. De vorderingen tot voldoening van de BTW waarvan de aangiftes tot 31 december 1998 moesten zijn ingediend, zouden verjaard zijn in de loop van het jaar 2003. Slechts de vorderingen met betrekking tot de BTW waarvan de oorzaak van de opeisbaarheid zich in de loop van het jaar 2003 heeft voorgedaan zouden niet verjaard zijn omdat de verjaring ervan gestuit werd door het dwangbevel betekend op 22 februari 2006.

Volgens de appellante beroept de geïntimeerde zich ten onrechte op stuiting van de verjaring ingevolge de opname van de betreffende bedragen in de jaarrekening. Er zou geen sprake zijn van een erkenning van de schuld zoals bedoeld in artikel 2244 BW omdat daarvoor vereist zou zijn dat de erkenning vrijwillig gebeurde. De opname in de boekhouding van de te herziene BTW zou verplicht zijn ingevolge de boekhoudwetgeving.

De appellante stelt ook dat de geïntimeerde zich ten onrechte beroept op het feit dat de appellante door de bedragen in haar jaarrekening op te nemen afstand zou gedaan hebben van de verlopen tijd van de verjaring. Een dergelijke afstand zou een specifieke methode zijn waarin het wetboek voorziet, maar die steeds zou veronderstellen dat het om een uitdrukkelijke daad gaat die er specifiek op gericht is om zich niet langer op de verjaring - voor de reeds verstreken periode - te beroepen, wat hier niet het geval zou zijn. Ook een dergelijke afstand zou slechts gevolgen kunnen hebben wanneer hij vrijwillig gebeurde, voorwaarde die hier om dezelfde reden als voor de erkenning van de schuld niet vervuld zou zijn. De geïntimeerde zou bovendien op die manier een andere motivering gebruiken dan in het proces-verbaal vermeld.

Waar de geïntimeerde stelt dat een erkenning van schuld wel zou kunnen afgeleid worden uit de betaling van een verjaarde schuld, na dwangbevel, voert de appellante aan dat deze situatie niet kan gelijkgesteld worden met de boeking van een schuld op de passiefzijde van een balans omdat dit laatste gebeurt op grond van boekhoudkundige verplichtingen; bovendien zou er wel recht op terugbetaling bestaan voor schulden die na de verjaring vrijwillig werden betaald onder dwang.

De eerste rechter zou ten onrechte een 'erkenning van de schuld' gezien hebben in het feit dat de appellante de betreffende bedragen ook nog in de jaarrekening opnam nadat de verjaring was ingetreden. Volgens de appellante kan een erkenning van schuld na het intreden van de verjaring niet meer tot gevolg hebben dat de verjaring gestuit wordt omdat een verjaring die is ingetreden altijd verworven blijft.

Subsidiair vordert de appellante de kwijtschelding van de boete. Zij verwijst daarvoor naar internationaalrechtelijke principes en diverse rechtspraak en leidt er uit af dat er wel degelijk sprake is van een sanctie met strafrechtelijk karakter en dat de hoven en rechtbanken met volle rechtsmacht moeten kunnen beoordelen of er redenen zijn om een dergelijke sanctie In de gegeven omstandigheden op te leggen. Volgens de appellante gaat het om een principekwestie.

3.2. Standpunt van de geïntimeerde

De geïntimeerde stelt dat de verjaring - die voor de oudste betrokken schuld pas vanaf 20 mei 2001 zou hebben kunnen intreden - telkens gestuit werd door het boeken van de te herziene BTW op de balans van de appellante. Dat zou een erkenning van schuld zijn in de zin van artikel 2244 BW.

Waar de appellante zich beroept op het arrest van het Hof van Cassatie van 27 maart 2000, zouden hier andere principes gelden omdat het daar om een burgerlijke zaak ging, terwijl het hier om een BTW-geschil gaat en het BTW-wetboek eigen bepalingen heeft met betrekking tot de verjaring en de stuiting van de verjaring. De geïntimeerde wijst op het feit dat in artikel 83, § 2 W.BTW al wordt afgeweken van het gemeenrecht door een afstand van de verlopen tijd van de verjaring, wat de gevolgen betreft, gelijk te stellen met een stuiting van de verjaring bedoeld in artikel 2244 BW. Ook stelt de geïntimeerde dat inzake BTW een gedeeltelijke betaling, zelfs na betekening van een dwangbevel, algemeen zou worden aangezien als verjaring stuitend, terwijl noch artikel 2244 BW, noch artikel 83 W.BTW daarvan melding maken. Vermits in dat geval bezwaarlijk sprake kan zijn een 'vrijwillige' betaling, zou dat aantonen dat er met betrekking BTW andere regels gelden dan in het gemeenrecht. De geïntimeerde stelt dat de boeking van te herziene BTW op de balans wat het verjaring stuitend effect perfect vergelijkbaar is met een gedeeltelijke betaling van een BTW-schuld. zelfs na dwangbevel. Volgens de geïntimeerde heeft de appellante door het spontaan en herhaald opnemen van de bedragen van te herziene BTW in haar boekhouding op een zekere wijze haar wil te kennen gegeven om op een vaststaande wijze afstand te doen van de voordelen van de verjaring.

Het zou niet vereist zijn dat de geïntimeerde in de akte van erkenning tussenkwam.

Behoudens het feit dat de appellante inderdaad boekhoudkundig verplicht was de bedragen te boeken, zou die boeking tegelijk een vrijwillige erkenning van die schuld inhouden. Dat vrijwillig karakter zou blijken (1) uit het feit dat de appellante de betreffende BTW-schuld niet telkens heeft afgeboekt zodra de verjaring was ingetreden, (2) uit het feit dat de toenmalige boekhouder zich nooit beroepen heeft op de boekhoudverplichtingen van de appellante en (3) ook de nieuwe boekhouder zich ook op andere argumenten steunde.

Op die manier zou een geheel van overeenstemmende en gewichtige vermoedens bestaan die doen besluiten tot de schulderkenning door de appellante.

De geïntimeerde verduidelijkt nog dat zij zich nooit beroepen heeft op het feit dat de appellante afstand zou gedaan hebben van de reeds gelopen tijd van de verjaring. Er zou dus ook geen sprake zijn van een wijziging van motivering.

De appellante zou ten onrechte ook verwijzen naar de artikelen 2220 e.v. BW vermits artikel 83, § 1 W.BTW slechts naar de artikelen 2244 e.v. BW verwijst.

Wat de vraag tot kwijtschelding van de boete aangaat, verwijst de geïntimeerde evenzeer naar de internationaalrechtelijke principes en de diverse rechtspraak in dat verband, maar besluit dat er geen reden is om de·boete kwijt te schelden. Hij laat gelden dat de appellante verschillende jaren nagelaten heeft BTW te herzien en dus te betalen, terwijl daarover ten gronde geen betwisting bestond.

4. Beoordeling

4.1. Over de stuiting van de verjaring

Overeenkomstig artikel 83, § 1, 1ste lid W.BTW wordt de verjaring van de (verbintenis tot) voldoening van de BTW, de interesten en de administratieve geldboeten gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 e.v. BW.

Concreet is de vraag aan de orde of er stuiting is gebeurd op grond van een erkenning van schuld zoals voorzien in artikel 2248 BW dat als volgt luidt :

De erkenning van het recht van hem tegen wie de, verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, stuit de verjaring.

Er moet worden aangenomen dat een dergelijke erkenning, om de verjaring te kunnen stuiten, een vrijwillige handeling van de schuldenaar moet zijn (vgl. Cass., 27 maart 2000, Arr. Cass., 2000, 204).

Het Hof is evenwel van bordeel dat het enkele feit dat de appellante als onderneming met rechtspersoonlijkheid krachtens de boekhoudwetgeving (in het bijzonder de artn. 2 en 3 jo. 16 Wet van 17 juli 1975 m.b.t. de boekhouding van de ondernemingen) de plicht had om haar schulden op te nemen in haar boekhouding, niet belet dat de handeling waarbij zij de schuld bestaande uit de BTW die zij krachtens de BTW wetgeving en -reglementering moest herzien, beantwoordde aan een eigen, vrijwillige keuze waardoor een erkenning in de zin van artikel 2248 BW plaats vond.

De betreffende boekhoudverplichting laat de onderneming immers een zekere ruimte voor het beoordelen van wat zij, als haar werkelijke schulden meent te hebben.

Dat de appellante de te herziene BTW niet zonder meer op grond van de verplichtingen voortvloeiend uit de boekhoudwetgeving in haar boekhouding als schuld uitdrukte, blijkt trouwens uit het feit dat ze de bedragen voor de jaren waarvoor de verjaring al was ingetreden toch behield; dat benadrukt het vrijwillig karakter van de erkenning van de schuld door de appellante.

Het is verder niet vereist dat de geïntimeerde als schuldeiser tussenkwam in de akte waarin de erkenning gebeurt (de boekhouding en dus de jaarrekening) (vgl. Cass. 17 maart 1854, Pas., 1854, I, 218).

De opname van de betreffende BTW-schuld in de boekhouding heeft dan ook van meet af aan voor elke van de betreffende jaren de verjaring gestuit, zodat de verjaring nooit is ingetreden alvorens het dwangbevel op 22 februari 2006 aan de appellante werd betekend.

De grief die, betrekking heeft op de (stuiting van de) verjaring is bijgevolg ongegrond.

4.2. Met betrekking tot de administratieve boete

4.2.1. Anders dan de eerste rechter is het Hof van oordeel dat de boete van 10 %, voor een bedrag van … euro, een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR. Om uit te maken of een administratieve sanctie inzake belastingen een strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM en 14 IVBPR moet nagegaan worden of ze zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft, een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt, niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen, stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk terzelfder tijd preventief en repressief is en of ze zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan. Indien na afweging van al deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven moet de administratieve sanctie inzake belastingen beschouwd worden als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen (vgl. Cass. 25 mei 1999, Arr. Cass., 1999,307). Aan al deze voorwaarden is hier voldaan. Een boete van … euro blijft een zware sanctie, ook al bedraagt ze 'slechts' 10 % van de verschuldigde BTW.

4.2.2. De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 van het BTW-Wetboek, te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet aan de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen - zoals wel mogelijk is voor de administratie op basis van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 (Cass, 21 januari 2005).

De administratie moet geacht worden zelf over·de mogelijkheid te beschikken om een lagere boete op te leggen dan wettelijk en krachtens KB nr. 44 vooropgesteld. Dat werd trouwens bevestigd door de Minister van Financiën op 8 december 2003 in zijn antwoord op de parlementaire vraag van de heer L. Van Campenhout van 3 september 2003 (vraag nr. 26). waar de Minister het volgende laat noteren (Ten slotte hebben de gewestelijke directeurs van de BTW ingevolge dezelfde beslissing en krachtens dezelfde wettelijke basis de bevoegdheid gekregen om, rekening houdend met de omstandigheden eigen aan elk individueel geval, de voormelde boeten op een beduidende manier verder te verminderen .in de gevallen waar zij de overtuiging hebben dat er ongelijkheden blijven in verhouding tot het doel van de sanctie en de beoogde herstelling - Schriftelijke vragen en antwoorden, Kamer, 2003-2004 (QRVA 51/011), p. 101).

In zijn arrest van 15 mei 2008 besliste het Grondwettelijk Hof dat wanneer bij de rechter een beroep wordt ingesteld tegen een beslissing die de minister van Financiën of diens gedelegeerde op grond van artikel 9 van voornoemd Regentsbesluit heeft genomen, die rechter, zoals de minister van Financiën of diens gedelegeerde, de geldboete moet kunnen kwijtschelden of verminderen (arr. nr. 79/2008, randnrs. B.6.3 en B.8). In dat arrest wordt trouwens in het algemeen (los van de vraag of een beslissing krachtens het Regentsbesluit genomen is) eraan herinnerd dat artikel 70 W.BTW niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat·het de rechter niet toestaat met volle rechtsmacht toezicht uit te oefenen op de administratieve beslissing tot weigering van de kwijtschelding of de vermindering van een fiscale geldboete en dat dit toezicht het de rechter moet mogelijk maken na te gaan of die beslissing in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle wetsbepalingen en algemene beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel (randnr. B.6.2.).

Uit het bovenstaande blijkt dan ook dat het Hof, zoals de administratie. de boeten, zelfs zoals verminderd met toepassing van KB nr. 44, op een beduidende manier verder kan verminderen in de gevallen waar het de overtuiging "is toegedaan dat er ongelijkheden blijven in verhouding tot het doel van de sanctie en de beoogde herstelling.

4.2.3. In de concrete omstandigheden is het Hof evenwel van oordeel dat de boete van … euro aangepast is aan de zwaarte en ernst van de inbreuk en de gevolgen die ze heeft veroorzaakt en in overeenstemming is met de bedoeling om enerzijds te sanctioneren en anderzijds herhaling in de toekomst te vermijden. In het bijzonder laat de geïntimeerde met reden gelden dat de appellante al die jaren wetens en willens de betreffende BTW-schuld weliswaar in haar boekhouding opnam, maar niet in haar BTW-aangiften verwerkte.

Ook de subsidiaire grief is dus ook ongegrond.

5. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis.

veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt :

- aan de kant van de appellante : nihil

- aan de kant van de geïntimeerde :

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op TWEEËNTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN TIEN.

Aanwezig de Heren :

A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. T. en D. V., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. D. V. G T. A. D. M.

Textes cités

1
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8