Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 10 avril 2012

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-cour-appel-anvers-2012-04-10-c2e8

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
10 avril 2012

Parcours procédural

2 étapes · 2 ans 8 mois
  1. Décision affichéeCour d'appel d'Anvers10.04.2012
  2. Décision sur pourvoiCour de cassation de Belgique12.12.2014

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

77 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 10.04.2012

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep Antwerpen, 6e kamer burgerlijke zaken

Arrest

Nr. 2011/AR/899

1. DE BELGISCHE STAAT,MINISTER VAN FINANCIËN, te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

2. DE BELGISCHE STAAT, MINISTER VAN FINANCIEN, BTW ONTVANGKANTOOR HASSELT 1, te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 46,

eisers in hoger beroep,

vertegenwoordigd door Mr. V. L. D. J. A., advocaat te …, …,

tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 17 november 2010,

tegen :

C. NV, met maatschappelijke zetel te …, …,

verweerster in hoger beroep,

vertegenwoordigd door Mr. L. S., advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm voorgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 17 november 2010, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 22 maart 2011, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. De feiten

1.1. NV C. is sedert 1 september 1989 geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder nummer … voor de activiteit van vervaardiging van geneesmiddelen, groothandel in farmaceutische producten en apotheken.

Op 8 februari 2007 wordt door twee ambtenaren verbonden aan het Controlecentrum Tongeren-Genk, een controle uitgevoerd over de periode van 1 januari 2004 tot 31 december 2005 met betrekking tot de naleving van de wetgeving inzake directe belastingen en vennootschapsbelasting en van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Wat de BTW betreft, worden een aantal inbreuken vastgesteld, waarvan de belangrijkste betrekking heeft op het volgens de administratie wederrechtelijk terugvragen door de NV C. van een bedrag van € … BTW vermeld op een door haar op 31 december 2004 ten name van de vennootschap NV B. onterecht opgestelde creditnota nr. …, die ook niet de in artikel 4, § 1, 3° KB nr. 4 voorgeschreven wettelijke vermeldingen bevat. De andere weerhouden overtredingen voor een totaal bedrag van … BTW hebben betrekking op ten onrechte afgetrokken BTW of het ten onrechte niet hebben belast van een onttrekking voor privé-gebruik ingevolge de privé-aanwending van vennootschapsgoederen en op het niet·met BTW belasten van voordelen van alle aard.

Deze inbreuken worden opgenomen in een proces-verbaal van 11 december 2008.

1.2. Op grond van dit proces-verbaal wordt op 19 december 2008 door E. J., waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 19 december 2008 wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer J. S., waarnemend directeur, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Hasselt, en dat bij gerechtsdeurwaarderexploot van 29 december 2008 wordt betekend aan de NV C..

Volgens dit dwangbevel is de NV C. volgende bedragen verschuldigd :

- € … als BTW

- € … als geldboete overeenkomstig artikel 70, § 1 en 70, § 1bis W.BTW

- € … verwijlintresten aan 0,8 % per maand gerekend over de verschuldigde belasting vanaf 21 januari 2006

- € … uitvoeringskosten en legale rechten

- € … kosten van het exploot,

- te vermeerderen met de intresten.

2. De voorafgaande procedure

2.1. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op 5 maart 2009, vordert de NV C. het verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren dienvolgens de eis van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de BTW-administratie, tot betaling van een bedrag aan BTW in hoofdsom van € …, vermeerderd met intresten en vermeerderd met een boete van € … ongegrond te verklaren en het dwangbevel van 19 december 2008 te vernietigen; de Belgische Staat, te veroordelen tot teruggave van de ten onrechte geïnde bedragen, met inbegrip van de moratoriumintresten; de Belgische Staat te veroordelen tot de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding begroot op € ….

2.2. Het bestreden vonnis verklaart de vordering ontvankelijk en als volgt gegrond;. verklaart het dwangbevel van 19 december 2008, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 19 december 2008, onwettig en verbiedt er de uitvoering van; beveelt de terugbetaling van de op grond van dit dwangbevel eventueel betaalde bedragen, meer de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW; veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten, in hoofde van de NV C. vereffend op € ….

De rechtbank oordeelt dat de administratie de rechten van verdediging dient te eerbiedigen. Het feit dat er bijna twee jaar wordt gewacht met het opstellen van het proces-verbaal maakt het voor NV C., gelet op de concrete gegevens van het dossier en de vaststellingen zoals opgenomen in het proces-verbaal, erg moeilijk om nog het tegenbewijs te leveren van de vastgestelde overtredingen. De rechten van verdediging omvatten ten aanzien van dergelijke vaststellingen dat betrokkene voldoende tijdig ervan in kennis wordt gesteld op een manier die hem toelaat de mogelijke tegenbewijzen bij te brengen. De gegevens die tot het tegenbewijs konden dienen (en dus tot het ontkrachten of minstens ernstig betwijfelen van de voorgelegde vaststellingen) konden niet alleen door louter boekhoudkundige elementen worden aangetoond. Dit geldt des te meer nu C. NV betwist dat bepaalde verklaringen werden afgelegd in de zin zoals vermeld in het proces-verbaal. Onder voormelde omstandigheden tast het tijdsverloop tussen het tijdstip van de controle en het opstellen van het proces-verbaal de rechten van verdediging aan. De complexiteit van de zaak is, te dezen, geen verantwoording voor het tijdsverloop; het betreft immers een gemiddeld complexe zaak. Uit het feit dat in het proces-verbaal wordt vermeld dat nog een tweede controle van de boekhouding werd verricht op 24 oktober 2007, terwijl dergelijke controle niet is gebeurd, toont aan dat de inhoud van het proces-verbaal onnauwkeurig werd opgesteld. Dergelijke vermeldingen die nadien niet volledig in overeenstemming blijken te zijn met de feiten, tasten de betrouwbaarheid van het bewijs aan. Door de schending van de rechten van verdediging en de aantasting van de betrouwbaarheid van het proces-verbaal vervalt de wettigheid van de fiscale vordering en moet de invordering ervan middels het bestreden dwangbevel onwettig worden verklaard.

2.3. Tegen dit vonnis heeft de Belgische Staat hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 22 maart 2011.

Het hoger beroep werd behandeld ter terechtzitting van 5 maart 2012.

3. De vorderingen en standpunten in hoger beroep

3.1. De Belgische Staat vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; het bestreden vonnis te vernietigen en de door verweerster in hoger beroep ingestelde vordering ongegrond te verklaren, behalve in de mate dat de Belgische Staat ermee akkoord gaat af te zien van de onder rubriek I.A.5 van het proces-verbaal van 11 december 2008 gevorderde BTW met betrekking tot voordelen van alle aard inzake personenwagens ten bedrage van € …, meer de gevorderde verminderde proportionele boete van € … (20 pct.), meer de wettelijke intresten over de BTW vanaf 21 januari 2006; verweerster in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding, begroot op € ….

De Belgische Staat stelt dat er, het tijdsverloop in acht nemende, niet kan gesproken worden van een lang en onverantwoord tijdsverloop tussen het tijdstip van de gedane vaststellingen en de opstelling van het proces-verbaal, tevens rekening houdende met de complexiteit van het dossier en de hiermee verband houdende verlengde minnelijke onderhandelingstermijn, waarmee tegenpartij zelf akkoord is gegaan gelet op de vrijwillig door haar op 3 december 2007 ondertekende afstand van de verlopen tijd der verjaring voor de verschuldigde sommen met betrekking tot het jaar 2004, blijkend uit een correctieopgave van eveneens 3 december 2007. Wat de uitoefening van haar rechten van verdediging betreft, kan gesteld worden dat verweerster in hoger beroep in de minnelijke onderhandelingsfase vanaf 3 december 2007 (opstelling van de correctieopgave ten aanzien van de overtredingen met betrekking tot het jaar 2004 en ondertekening van de afstand van de verlopen tijd der verjaring) tot bij de opstelling van het proces-verbaal op 11 december 2008 hier ruimschoots de tijd en gelegenheid toe heeft gehad. De eerste rechter geeft nergens in concreto aan op welke wijze de rechten van verdediging nu juist werden geschonden en van welke concrete elementen het tegenbewijs werd bemoeilijkt door het tijdsverloop en de eerste rechter kon bijgevolg niet rechtsgeldig tot de onwettig verklaring van de BTW-vordering beslissen. Er is geen reden tot nietigheid van het proces-verbaal voorhanden. Het proces-verbaal is ook niet onbetrouwbaar.

Door de Belgische Staat wordt vervolgens uitvoerig ingegaan op de door verweerster in hoger beroep aangevoerde grieven met betrekking tot de gegrondheid van de vordering.

3.2. NV C. concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep, de bevestiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding in beide aanleggen met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding, begroot op € … eerste aanleg en (… hoger beroep; in ondergeschikte orde, de eis van de Belgische Staat slechts gegrond te verklaren voor een bedrag aan BTW van € … in hoofdsom.

Verweerster in hoger beroep roept de nietigheid in van het proces­verbaal van 11 december 2008 wegens schending van de rechten van verdediging (tijdsverloop en onbetrouwbaarheid van het proces-verbaal). In ondergeschikte orde roept zij de schending in van artikel 84ter W.BTW en de nietigheid van het dwangbevel. Ondergeschikt stelt zij dat het proces-verbaal geen vaststellingen bevat die de oorspronkelijke vordering van de Belgische Staat rechtvaardigen/bewijzen. Vervolgens betwist verweerster in hoger beroep de gegrondheid van de BTW-navordering.

4. Beoordeling

4.1. Het proces-verbaal

4.1.1. Om het bewijs te leveren van overtredingen en feiten die de verschuldigdheid van de BTW of van een boete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, beschikt de administratie over de bewijsmiddelen van het gemeen recht en over processen-verbaal. Het proces-verbaal is een geschrift, opgesteld door een daartoe bevoegde ambtenaar, waarin hij zijn opzoekingen, de verkregen inlichtingen, de materiële vaststelling van feiten en de aan hem afgelegde verklaringen vermeldt.

Het W.BTW bepaalt geen termijn waarbinnen een proces-verbaal moet zijn opgesteld. Het tijdsverloop tussen de controle en het opstellen van een proces-verbaal kan onder bepaalde omstandigheden de rechten van verdediging van de belastingplichtige aantasten, maar heeft daarom nog niet de nietigheid van het proces-verbaal tot gevolg. Om tot de nietigheid te kunnen besluiten, moet aangegeven worden op welke wijze de laattijdige kennisgeving het recht van verdediging van de belastingplichtige heeft miskend.

Artikel 59, § 1, 2de lid W.BTW bepaalt dat de processen-verbaal inzake BTW bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen.

Het proces-verbaal levert bewijs op van de juistheid en waarachtigheid van de vastgestelde en erin weergegeven inlichtingen en feiten zolang de belastingplichtige niet heeft aangetoond dat deze onjuist of onwaar zijn. Deze bijzondere bewijskracht tot bewijs van het tegendeel is beperkt tot de materiële vaststellingen die de verbaliserende ambtenaar zelf doet en strekt zich niet uit tot de feitelijke en juridische conclusies die hij trekt.

4.1.2. Volgens verweerster in hoger beroep vond een enige controle plaats in februari 2007 en werd het proces-verbaal pas opgesteld op 11 december 2008, hetzij bijna twee jaar later. Gelet op het verstrijken van een dergelijk lange termijn tussen de controle en het opstellen van het proces-verbaal dient dit proces-verbaal met de grootste omzichtigheid benaderd te worden. De eerste rechter heeft omstandig de concrete elementen aangehaald waaruit blijkt dat door het verstrijken van de termijn de rechten van verdediging werden geschonden en dat de betrouwbaarheid van het proces-verbaal werd aangetast. Een bewijs dat de rechten van verdediging van verweerster in hoger beroep zijn aangetast door de laattijdige redactie van het proces-verbaal wordt geleverd door de redactie door de ·administratie van een bijkomend proces-verbaal in maart 2011. Het feit dat op 3 december 2007 een afstand van de verlopen tijd van de verjaring werd ondertekend door de gevolmachtigde houdt geen enkele erkenning in. Evenmin onderbouwt de zogenaamde correctieopgave de fiscale vordering van eiser in hoger beroep; deze correctieopgave is trouwens nooit ter kennis gebracht van verweerster in hoger beroep.

4.1.3. Eiser in hoger beroep stelt dat niet kan gesproken worden van een lang en onverantwoord tijdsverloop tussen het tijdstip van de gedane vaststellingen en de opstelling van het proces-verbaal, tevens rekening houdende met de complexiteit van het dossier en de hiermee verband houdende verlengde minnelijke onderhandelingstermijn, waarmee verweerster in hoger beroep zelf akkoord is gegaan gelet op de vrijwillig door haar op 3 december 2007 ondertekende afstand van de verlopen tijd der verjaring voor de verschuldigde sommen met betrekking tot het jaar 2004, blijkend uit een correctieopgave eveneens van 3 december 2007.

4.1.4. Volgens het proces-verbaal van 11 december 2008 werd op 8 februari 2007, na voorafgaande verwittiging, een bezoek ter plaatse gebracht en werd alsdan de boekhouding van de jaren 2004 en 2005 onderzocht, wat door verweerster in hoger beroep niet wordt betwist. Tijdens deze controle werden een aantal overtredingen vastgesteld.

Volgens het proces-verbaal zou op 24 oktober 2007 een tweede controle van de boekhouding verricht zijn op het kantoor van de NV A. R. – D. P. te …, zijnde de gevolmachtigde van verweerster in hoger beroep. Verweerster in hoger beroep betwist dat er alsdan een tweede controle van de boekhouding is gebeurd. In conclusies voor de eerste rechter heeft eiser in hoger beroep gesteld dat er inderdaad geen tweede controle van de boekhouding is gebeurd op 24 oktober 2007 doch dat deze zin dient begrepen te worden als een tweede controle dag ter verdere analysering en bespreking van de reeds eerder in de boekhouding vastgestelde overtredingen. In beroepsconclusie stelt eiser in hoger beroep dat het hoogstens een misschien wat ongelukkig gekozen omschrijving betreft, maar zeker geen volledig verkeerde weergave van de feiten.

Het hof oordeelt dat, gelet op de bijzondere bewijskracht ervan, het proces-verbaal nauwkeurig dient te zijn en een juiste weergave van de feiten moet bevatten.

Uit de stukken blijkt dat op 3 december 2007 door de gevolmachtigde van verweerster in hoger beroep een afstand van de verlopen tijd van verjaring werd ondertekend. Het hof stelt, samen met de eerste rechter, vast dat deze afstand van de verlopen tijd van verjaring geen onderbouwing van de fiscale vordering vermeldt.

In deze afstand wordt weliswaar verwezen naar de correctieopgave van 3 december 2007, waarvan verweerster in hoger beroep betwist dat deze haar ooit werd meegedeeld en waarvan de eerste rechter diende vast te stellen dat deze niet werd voorgelegd. Thans wordt een kopie van een correctieopgave voorgelegd, doch deze is niet gedateerd, zodat niet kan nagegaan worden wanneer deze werd opgesteld, en bovendien blijkt uit geen enkel ander stuk dat deze correctieopgave aan verweerster in hoger beroep en/of aan haar gevolmachtigde werd meegedeeld.

Volgens eiser in hoger beroep zouden ook nog controles zijn uitgevoerd op 18 februari 2008 en 22 april 2008, waarbij de boekhouding van het jaar 2005 zou zijn onderzocht en de reeds met betrekking tot het jaar 2004 vastgestelde overtredingen verder zouden zijn besproken.

Verweerster in hoger beroep betwist dat deze controles hebben plaatsgevonden.

Voor de eerste rechter heeft eiser in hoger beroep geen gewag gemaakt van deze controles, waarvan trouwens ook geen sprake is in het proces­verbaal van 11 december 2008. Thans brengt eiser in hoger beroep een proces-verbaal bij van 3 maart 2011, waarin de controlerende ambtenaar stelt dat deze controles hebben plaatsgevonden. Dit proces-verbaal werd opgesteld na de uitspraak van het bestreden vonnis en enkele dagen voor de neerlegging van het verzoekschrift tot hoger beroep. Het hof oordeelt dat·hieruit dient afgeleid te worden dat het proces-verbaal van 11 december 2008 geen nauwkeurige weergave van de feiten bevat.

Om de werkelijkheid van de controle in 2008 aan te tonen, verwijst eiser in hoger beroep naar stuk 14 dat een ontvangstbewijs zou zijn voor de overhandiging op 22 april 2008 door een bestuurder van verweerster in hoger beroep aan de controlerende ambtenaar van een aantal stukken met betrekking tot de boekhouding van het jaar 2005 (alle verkoopfacturen van 2005, het grootboek 2005 en de aan- en verkoopjournalen van 2005).

Het betreffende stuk is evenwel niet gedateerd, zodat niet blijkt wanneer het is opgesteld.

Ook hiervan is geen sprake in het proces-verbaal van 11 december 2008.

4.1.5. Het hof oordeelt dat uit het bovenstaande blijkt dat het proces-verbaal van 11 december 2008 geen volledige en juiste weergave van de feiten bevat en dat het derhalve niet de bijzondere bewijskracht tot bewijs van het tegendeel heeft.

Het dwangbevel dat op grond van dit proces-verbaal werd opgesteld, mist dan ook wettelijke grondslag.

4.2.

Gelet op het voorgaande dienen de andere grieven en argumenten van partijen niet verder onderzocht te worden.

Dispositif

5. Beslissing

Het hof oordeelt bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt het beroepen vonnis.

Het hof veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de NV C. begroot op € … rechtsplegingvergoeding.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van TIEN APRIL 2012 door :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter,

M. G., raadsheer,

N. V., raadsheer,

A. V. L., griffier.

A. V. L. N. V. M. G. D. W.

Textes cités

1
AR no 4 art. 41 occurrence