Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Gand du 28.04.2004
Resumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER, OPENBARE TERECHTZITTING VAN 28 APRIL 2004.
99/3620/A - In de zaak :
BVBA E. … EN …, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het HR te Aalst onder nr. …, met BTW-nr. BE …;
eiseres,
hebbende als raadsman Mter S. S., advocaat te …, …;
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Aalst, met kantoren te 9300 Aalst, Graanmarkt 1,
verweerder,
hebbende als raadsman Mter P. V., advocaat te …, …,
vonnist de rechtbank als volgt :
1. PROCEDURE
1.1. Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van deze rechtbank en kamer van 31 maart 2004; De debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen;
1.2. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het gedinginleidend dagvaardingsexploot, de onderscheiden conclusies van partijen evenals de onderscheiden dossiers van partijen;
2. DE VORDERING
De vordering strekt ertoe verzet te doen tegen het dwangbevel, uitgevaardigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Aalst op 22 september 1999, aan eiseres betekend bij deurwaardersexploot van 7 oktober 1999;
De vordering, zoals laatst gelibelleerd in besluiten, luidt meerbepaald· als volgt :
"…
De vordering van concluante ontvankelijk. en gegrond· te verklaren;
In hoofdorde :
het dwangbevel van 22 september 1999 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de erin vermelde boete en intresten, niet verschuldigd zijn;
In ondergeschikte orde :
Verweerder op grond van artikel 1382 e.v. BW te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan de hoegrootheid van zijn vordering (boete + intresten + gerechtskosten);
In meer ondergeschikte orde :
de opgelegde BTW-boeten kwijt te schelden, minstens gevoelig te verminderen;
Verweerder te veroordelen tot alle kosten van het geding (...);
Het vonnis uitvoerbaar te verklaren, niettegenstaande verzet of hoger beroep, zonder borgstelling en met uitsluiting van elke mogelijkheid tot kantonnement;
…"
3. FEITEN EN GESCHIL
3.1. Eiseres baat een groot- en kleinhandel in bieren en waters uit. ·voor de toepassing van de BTW is eiseres geregistreerd onder het nummer BE 406.425.941;
Op 23 november 1998 maakte eiseres het voorwerp uit van een belastingcontrole over de naleving van de BTW-wetgeving over de periode van 1 januari 1995 tot 31 december 1997; Deze controle wordt uitgevoerd door de heer H. R., verificateuraccountant bij de BTW-controle Aalst 1;
Naar aanleiding van deze controle ter plaatse heeft de administratie overeenkomstig artikel 70 par. 2 Wb. BTW een boete opgelegd voor een bedrag van 8.683.184 BEF (215.250,50 EUR);
In het proces-verbaal d.d. 29 april 1999 wordt deze boete als volgt verantwoord :
A. eiseres heeft een groot aantal vaten bier aan particulieren verkocht zonder hiervoor een factuur uit te reiken, en
B. eiseres heeft een groot aantal facturen voor diverse feitelijke verenigingen opgemaakt op het adres waar deze hun activiteiten organiseerden, doch zonder vermelding van het adres van de verantwoordelijke van de vereniging of van enig ander contactadres;
Aangezien eiseres niet akkoord gaat met het standpunt van de administratie, wordt haar op 7 oktober 1999 een dwangbevel betekend, waarbij de volgende bedragen worden gevorderd :
- BTW in hoofdsom : 0 BEF
- geldboete : 8.683.184 BEF
- intresten (vanaf 5 oktober 1999) : PM
Bij de gedinginleidende dagvaarding d.d. 13 maart 2000 verzet eiseres zich tegen de uitvoering van bovenvermeld dwangbevel;
4. BESPREKING
4.1. Het niet uitreiken van facturen bij verkoop van vaten bier aan particulieren
4.1.1. Bij een controle d.d. 23 november 1998 is gebleken dat eiseres 2391 vaten bier in 1995, 1460 vaten bier in 1996 en 2014 vaten bier in 1997 zonder verkoopfactuur heeft verkocht;
4.1.2. Overeenkomstig artikel 1, par. 1, 1° BTW KB nr. 1 is iedere belastingplichtige, zoals eiseres, gehouden aan zijn medecontractant een factuur uit te reiken;
Overeenkomstig artikel 1, par. 2 BTW-KB nr. 1 is de in par. 1 bedoelde belastingplichtige ervan ontheven een factuur uit te reiken wanneer hij goederen levert of diensten verstrekt aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privégebruik;
Overeenkomstig artikel 1, par. 2, tweede lid, 6° BTW-KB nr. 1 is deze ontheffing niet van toepassing op "de leveringen die betrekking hebben op goederen die, gelet op de aard ervan, de wijze waarop zij worden aangeboden, de verkochte hoeveelheden of de toegepaste prijzen, kennelijk bestemd zijn voor een economisch gebruik, alsook de leveringen van goederen van de soort waarin de verkrijger handel drijft of die hij normaal bestemt voor de uitoefening van zijn economische activiteit";
4.1.3. Als "kennelijk bestemd voor handels- en beroepsgebruik" moeten worden aangemerkt die goederen die alleen of in hoofdzaak voor gebruik of verhandeling in een handel of beroep in aanmerking komen of waarvan de wijze van aanbieding, zoals verpakking, gebruiksaanwijzing, hoeveelheden, expliciet of impliciet op zodanig gebruik of zodanige verhandeling is ingericht; Die goederen zijn door hun aard of wijze van aanbieding alleen dan niet meer kennelijk voor handels- of beroepsgebruik bestemd, wanneer ze in zulke mate ook door particulieren worden gekocht dat bij het publiek, wanneer het met die goederen of die wijze van aanbieding wordt geconfronteerd, geen spontane associatie met handels- of beroepsgebruik wordt gewekt (Cass., 8 september 1989, A.F.T., 1990, 95-97; Brussel, 27 januari 1992, inzake AR nr. 3961/88, niet gepubliceerd; Gent, 14 mei 1993, inzake AR nr. 45.629, niet gepubliceerd; Rb. Brugge, 20/1/1993, inzake AR nr. 55.600, niet gepubliceerd);
Verweerder betwist niet dat het litigieuze bier, waarvoor geen factuur werd afgeleverd, niet alleen of in hoofdzaak bestemd was voor het gebruik of de verhandeling in een handel of beroep;
Wél kan niet voorbij de vaststelling gegaan worden dat dit bier werd aangeboden in een verpakking van vaten met een inhoud van 30 à 50 liter per vat;
Er moet dan ook aangenomen worden dat een dergelijke verpakking impliciet, door zijn grote hoeveelheid en de wijze waarop deze verpakking kan ontsloten worden (een tapinstallatie), in hoofdzaak in aanmerking komt voor gebruik of verhandeling in een handel of beroep;
De omstandigheden, dat de zogenaamde "particulieren" of allerhande verenigingen wel eens een vat bier bestellen bij gelegenheid van een feest, kan niet gelijkgesteld worden met het in zulke mate kopen door particulieren "dat bij het publiek, wanneer het met die goederen of die wijze van aanbieding wordt geconfronteerd, geen spontane associatie met handels- of beroepsgebruik wordt gewekt." (zie ook, specifiek i.v.m. vaten bier : Brussel, 27 januari 1992, inzake AR nr. 3961/88, niet gepubliceerd; Gent, 14 mei 1993, inzake AR nr. 45.629, niet gepubliceerd; Rb. Brugge, 20/1/1993, inzake AR nr. 55.600, niet gepubliceerd);
4.1.4. Volgens eiseres is de toepassing die de voormelde rechtspraak maakt van voormeld artikel van het BTW-KB strijdig met de wet omdat de wetgever in artikel 53octies, par. 2, derde lid W.BTW aan de Koning de bevoegdheid heeft gegeven om belastingplichtigen in bepaalde gevallen vrij te stellen van de verplichting facturen uit te reiken, daar waar volgens eiseres de wetgever de Koning nooit de bevoegdheid heeft gegeven om een onweerlegbaar vermoeden van economisch gebruik van bepaalde producten in te stellen;
Dit kan niet worden gevolgd : principieel is er factureringsplicht, hierop zijn uitzonderingen toegelaten; Op de uitzonderingen worden op hun beurt nogmaals uitzonderingen voorzien die dus opnieuw aanknopen met de algemene regel, zodanig dat daar zeker niets verkeerd mee is;
Om diezelfde reden kan er ook geen schending zijn van artikel 70, par. 2 W.BTW;
Ook is er geen schending van de motiveringsplicht nu de wet de boete zonder meer voorschrijft zonder dat er enig bedrieglijk opzet en/of het oogmerk te schaden moet zijn bewezen;
Ook kan eiseres niet worden gevolgd wanneer zij het vertrouwensbeginsel inroept, nu geen stilzwijgend akkoord of vaste gedragslijn van de administratie wordt bewezen t.a.v. de controles in het verleden : het is nog altijd best mogelijk dat de situatie in casu nooit als dusdanig werd opgemerkt en/of nooit als dusdanig het voorwerp is geweest van controles, zodat eiseres hier ook geen argument kan uithalen;
Er kan dan ook niet ingegaan worden op de vordering tot schadeloosstelling van eiseres;
Blijft dan de vraag naar de principiële reduceerbaarheid van de wettelijke vastgestelde boete, die zonder meer objectief verschuldigd wordt wanneer zich bepaalde feiten voordoen;
De litigieuze boete, zoals zij is bepaald in artikel 70, par. 2 Wb. BTW, heeft alle kenmerken van een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM;
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettelijkheid van deze sanctie onderzoeken, en in het bijzonder nagaan of de feitelijke en wettelijke voorwaarden vervuld zijn voor die sanctie en of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen op grond waarvan in voorkomend geval de Rechtbank de opgelegde straf zal opheffen of verminderen;
Men mag hierbij er niet vanuit gaan dat de rechtsmacht van de Rechtbank die oordeelt over een dergelijke administratieve sanctie niet verder zou reiken dan het wettigheidstoezicht in die zin dat de Rechtbank enkel de bevoegdheid zou hebben om de feiten die aanleiding geven tot het toepassen van de administratieve sanctie te controleren en om te oordelen of de sanctie met de wettelijke voorschriften overeenstemt, met volstrekte uitsluiting van de bevoegdheid om de straf te verminderen beneden het wettelijk tarief (zie ook : Cass., 24 januari 2002, niet gepubliceerd, inzake AR F.00.0099.N, Belgische Staat/BVBA Thuysbaert);
Gelet op het voorgaande komt de in casu opgelegde boete van 200 % als disproportioneel voor t.a.v. de ernst van de weerhouden inbreuken wanneer die tot hun (daadwerkelijk bewezen) werkelijke proporties worden herleid;
Rekening houdende met het feit dat het een eerste inbreuk van eiseres betreft, maar ook rekening houdende met het feit dat eiseres de combinatie doet van zowel groothandel als kleinhandel, wat het risico op bevoorrading zonder factuur door handelaars in zich sluit, komt het gepast voor een boete op te leggen, weliswaar herleid tot 50 %;
4.2. Het niet uitreiken van facturen bij verkoop van vaten bier aan particulieren
4.2.1. Bij een controle d.d. 23 november 1998 is gebleken dat eiseres een groot aantal facturen heeft uitgereikt waarop de elementaire gegevens m.b.t. de identiteit van de klant ontbreken; Meer in het bijzonder werd vastgesteld dat eiseres een groot aantal facturen voor diverse feitelijke verenigingen heeft opgemaakt op het adres van de zaal waar de activiteit heeft plaatsgehad;
Aldus heeft eiseres volgens verweerder het de administratie onmogelijk gemaakt om degelijk controle uit te oefenen op de echtheid van de levering en de uiteindelijke bestemming van de vaten bier, waarbij het niet naleven van de wettelijke bepalingen terzake zelfs fiscale fraude zou hebben mogelijk gemaakt;
4.2.2. Ingevolge artikel 5 par. 1, 3° BTW-KB nr. 1 moet de factuur vermelden : "de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het in artikel 50 bedoeld BTW-identificatienummer van de medecontractant of, wanneer het in artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Wetboek bedoelde leveringen betreft, de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het BTW-identificatienummer dat in de Lidstaat van bestemming van de goederen aan de belastingplichtige is toegekend, evenals de nauwkeurige vermelding van het adres van de inrichting ter bestemming waarvan de goederen worden overgebracht”;
Voor groeperingen die geen rechtspersoonlijkheid bezitten (verenigingen tot vermaak, bedrijfsverenigingen) moet de bijzondere benaming worden gebruikt waaronder zij zich voorstellen aan derden; De factuur moet "in de regel" eveneens het adres van de medecontractant vermelden en "in elk geval" moeten de benaming en het adres "een geheel vormen dat het mogelijk maakt zonder verwarring de betrokken partij te identificeren" (zie Aanschrijving nr. 5 van 10 maart 1976, nr. 14, BTW-Aanschr., Afl. 1 (1 augustus 1987));
4.2.3. De door eiseres gehanteerde methode van factureren aan feitelijke verenigingen is uiterst summier (geen vermelding van identificatiegegevens van een contactpersoon), de adresgegevens zijn ondermaats ("Zaal T. te …", "Zaal W. te …", ...) , zodat .de meer inspanning die eiseres klaarblijkelijk van de administratie verlangt om tot een adequate controle over te gaan, buiten verhouding staat met de moeite die zij zelf zich maar moet getroosten van telkenmale voldoende gegevens te vermelden op de factuur;
Eiseres is dan ook duidelijk in overtreding;
Daarom kan er ook in casu geen schending zijn van artikel 70, par. 2 W.BTW;
Ook is er geen schending van de motiveringsplicht nu de wet de boete zonder meer voorschrijft zonder dat er enig bedrieglijk opzet en/of het oogmerk te schaden moet zijn bewezen;
Ook. kan eiseres niet worden gevolgd wanneer zij net vertrouwensbeginsel inroept, nu geen stilzwijgend akkoord of vaste gedragslijn van de administratie wordt bewezen t.a.v. de controles in het verleden het is nog altijd best mogelijk dat de situatie in casu nooit als dusdanig werd opgemerkt en/of nooit als dusdanig het voorwerp is geweest van controles, zodat eiseres hier ook geen argument kan uithalen;
Er kan dan ook niet ingegaan worden op de vordering tot schadeloosstelling van eiseres;
Zoals hoger reeds aangehaald, heeft de litigieuze boete, zoals zij is bepaald in artikel 70, par. 2 Wb. BTW, alle kenmerken van een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM;
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettelijkheid van deze sanctie onderzoeken, en in het bijzonder nagaan of de feitelijke en wettelijke voorwaarden vervuld zijn voor die sanctie en of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen op grond waarvan in voorkomend geval de Rechtbank de opgelegde straf zal opheffen of verminderen;
Men mag hierbij er niet vanuit gaan dat de rechtsmacht van de Rechtbank die oordeelt over een dergelijke administratieve sanctie niet verder zou reiken dan het wettigheidstoezicht in die zin dat de Rechtbank enkel de bevoegdheid zou hebben om de feiten die aanleiding geven tot het toepassen van de administratieve sanctie te controleren en om te oordelen of de sanctie met de wettelijke voorschriften overeenstemt, met volstrekte uitsluiting van de bevoegdheid om de straf te verminderen beneden het wettelijk tarief (zie ook : Cass., 24 januari 2002, niet gepubliceerd, inzake AR F.00. 0099.N, Belgische Staat/BVBA Thuysbaert);
Gelet op het voorgaande komt de in casu opgelegde boete van 200 % als, disproportioneel voor t.a.v. de ernst van de weerhouden inbreuken wanneer die tot hun (daadwerkelijk bewezen) werkelijke proporties worden herleid;
Rekening houdende met her feit dat het een eerste inbreuk van eiseres betreft, maar ook rekening houdende met het feit dat eiseres de combinatie doet van zowel groothandel als kleinhandel, wat het risico op bevoorrading zonder factuur door handelaars in zich sluit, komt het gepast voor een boete op te leggen, weliswaar herleid tot 50 %;
4.3. De gerechtskosten
Omdat uiteindelijk de inbreuken van eiseres aan de basis liggen van onderhavig geding, dient eiseres veroordeeld te worden tot de kosten hiervan;
Dispositif
OP DIE GRONDEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende OP TEGENSPRAAK,
Gelet op de artikelen 2, 24, 34, 37 en 41 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken;
Alle andersluidende conclusies van de hand wijzend;
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate;
Zegt voor recht dat de bij net bestreden dwangbevel opgelegde boeten dienen herleid te worden tot 50 %;
Bevestigt voor het overige het bestreden dwangbevel;
Wijst het anders en/of meer gevorderde af;
Veroordeelt eiseres tot de kosten;
Begroot de kosten :
- in hoofde van eiseres op 342,09 EURO (13.800 BEF) rechtsplegingsvergoeding + 119,73 EURO (4.830 BEF) dagvaardingskosten;
- in hoofde van verweerder op 342,09 EURO (13.800 BEF) rechtsplegingsvergoeding;
Aldus gewezen en uitgesproken door de zesde fiscale kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent in de openbare terechtzitting van 28 april 2004, waar aanwezig waren :
alleenzetelend rechter M. V. d. B.,
griffier R. D..
R. D. M. V. d. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.