Disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 25 février 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-cour-appel-gand-2003-02-25-391e

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
25 février 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

66 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 25.02.2003

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent, 5e Kamer - Terechtzitting van 25-02-2003

In de zaak van :

D. M. D., chauffeur, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Gent onder het nummer …,

appellant,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr K. A. loco Mr. V. L., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Wetteren, wiens kantoor gevestigd is te 9230 WETTEREN, Gentsesteenweg 93,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. D. K. D. loco Mr. V. A. E., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 24.8.1999 tekende de appellant verzet aan tegen het dwangbevel (RCIV. nr. …) op 15.7.1999 uitgevaardigd door de Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor van Wetteren, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 20.7.1999, lastens de appellant voor een bedrag van … BEF (thans … EUR) BTW, … BEF (thans … EUR) geldboete, … BEF (thans … EUR) intrest tot 20.7.1999, hetzij in totaal … BEF (thans … EUR) meer verdere intresten en vervolgingskosten. Bij zelfde exploot werd dagvaarding gegeven aan de geïntimeerde om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent ten einde :

"Het verzet ontvankelijk en gegrond te horen verklaren;

In hoofdorde : het dwangbevel te vernietigen en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en intresten niet verschuldigd zijn;

In ondergeschikte orde : de opgelegde BTW-boete kwijt te schelden, minstens te verminderen;

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding;”

Voor de eerste rechter vorderde de geïntimeerde het verzet ontvankelijk doch ongegrond te verklaren behoudens voor een bedrag van … BEF (thans … EUR) (herleiding van … BEF (thans … EUR) naar … BEF (thans … EUR)) aan BTW en een bedrag van … BEF (thans … EUR) boete (herleiding van … BEF (thans … EUR) naar … BEF (thans … EUR)).

Bij vonnis d.d. 19.10.2000 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, derde burgerlijke kamer, werd als volgt beslist :

“Verklaart het verzet ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond,

Vernietigt het dwangbevel uitgevaardigd door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Wetteren van 15 juli 1999, op 20 juli 1999 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen enkel betreffende de op grond van artikel 70, § 1 BTW-wetboek opgelegde geldboete ten belope van … frank en vermindert deze boete tot de helft van de verschuldigde belasting of … frank,

Verklaart het verzet voor het overige ongegrond en zegt dat het dwangbevel uitgevaardigd door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Wetteren van 15 juli 1999, op 20 juli 1999 geviseerd en ten uitvoerbaar verklaard door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen van verder uitwerking heeft met dien verstande dat de opgelegde BTW wordt herleid tot … frank en dat de op grond van artikel 70, § 1 BTW-Wetboek opgelegde boete wordt verminderd tot de helft van de verschuldigde belasting of … frank;

Veroordeelt de beide partijen tot de helft van de gedingkosten en compenseert de rechtsplegingsvergoedingen."

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 4.1.2001 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen vermeld vonnis, hierbij zijn oorspronkelijke vordering hernemend.

Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend of dat de appellant er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

In haar conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 30.10.2001 heeft de geïntimeerde incidenteel beroep ingesteld tegen de door de eerste rechter doorgevoerde boetevermindering, en vordert zij dat voor recht zou worden gezegd dat de boete verschuldigd is a rato van het dubbel van de verschuldigde belasting.

2. Het hoger vermeld dwangbevel werd uitgevaardigd met het oog op inning van BTW en accessoria die de appellant volgens de geïntimeerde zou hebben ontdoken door het afnemen van niet-officiële leveringen van dranken door de BVBA H. N..

Uit de door de geïntimeerde voorgelegde stukken blijkt dat de BVBA H. N. een systeem van niet-officiële leveringen had opgezet. Meer bepaald laat onder meer het proces-verbaal 20.8.1997 van de BBI (stuk 15 van de geïntimeerde) hierover geen twijfel bestaan.

In dit proces-verbaal is de verklaring opgenomen van de heer R. H., gedelegeerd-bestuurder van de NV D. H., waarin hij het systeem uiteenzet. In deze uiteenzetting maakt hij onderscheid tussen aan de ene kant de verkoop van bakken (aan twee klanten-groothandelaars), en aan de andere kant de verkoop van vaten (voornamelijk aan caféhouders).

Omtrent deze laatste soort verkopen stelt hij : "Wat de verkopen van vaten betreft, is het systeem enigszins anders. Deze afnemers zijn voornamelijk caféhouders. De levering werd eveneens opgesplitst in een deel officieel en een ander deel niet-officieel. Er ·werden telkens twee verzendingsnota's en twee facturen opgesteld. Het niet-officiële gedeelte werd gefactureerd op naam van een particulier met klantnummer …. De nummers van de verzendingsnota's volgden mekaar op.

De betalingen gebeurden in beide gevallen steeds contant."

De geïntimeerde legt voor elk van de in betwisting zijnde jaren twee reeksen facturen voor een reeks officiële facturen op naam van de appellant en met vermelding van een BTW-nummer en het klantnummer … (1995 : stuk 16b van de geïntimeerde, 1996 stuk 17b van de geïntimeerde) en een reeks niet­officiële facturen met vermelding “Particulier Verkoop", het klantnummer … en zonder BTW-nummer (1995 stuk 16a van de geïntimeerde, 1996 stuk 17a van de geïntimeerde) Uit de vergelijking van deze facturen per jaar blijkt dat het nummer van de verzendingsnota voorkomend op de niet-officiële facturen telkens volgt op het nummer van de verzendingsnota voorkomend op de officiële facturen. De verzendingsnota's zelf (waarop de juiste naam en adres van de afnemer wordt vermeld : zie het proces-verbaal d.d. 20.8.1997, stuk 1 van de geïntimeerde, zesde blad, punt 1.7.3., tweede alinea) konden echter niet teruggevonden worden en worden dan ook niet voorgelegd.

Het totaal van de factuurbedragen voorkomend op de voorgelegde niet-officiële facturen komt overeen met het totaal opgenomen in het proces-verbaal van de Controle BTW d.d. 5.5.1998, nl. voor 1995 : … BEF (thans … EUR) plus BTW : … BEF (thans … EUR) en voor 1996 : … BEF (thans … EUR) plus BTW : … BEF (thans … EUR) (zie stuk 3 van de geïntimeerde, blz. 2, punt 1.2.4.).

Hoewel omtrent de identiteit van de afnemers met wie het systeem van de valse facturen werd toegepast door de Heer R. H. mededelingen werden gedaan (zie het proces-verbaal van de BBI d.d. 20.8.1997, vijfde blad, nr. 2.6.2. - stuk 15 van de geïntimeerde) blijkt uit niets dat de appellant nominatim als dergelijke afnemer door hem werd aangewezen

Uit het proces-verbaal van 20.8.1997 (stuk 15 van de geïntimeerde) blijkt dat er voor de valse facturen qua adressering twee systemen bestonden.

Aan de ene kant werd gefactureerd op naam en adres van een particulier die in de BTW-bestanden niet gekend was als handelaar (tweede blad van het proces-verbaal, punt 2.3.1.). Op de vraag wie de valse namen en adressen verzon, antwoordde de Heer R. H. dat het de klanten zelf waren die de valse gegevens doorspeelden en de cafébaas soms zelfs een lijst opgaf met valse namen (vierde blad van het proces-verbaal, tweede paragraaf).

Aan de andere kant werd gefactureerd met de vermelding ''Diversen" of "Particulier Verkoop", met als adres de administratieve zetel van de leverancier, met het nummer … als klantnummer vanaf 1.1.1994 en het nummer … tot 31.12.1993 (tweede blad van het proces-verbaal, punt 2.3.2). Omtrent dit soort valse facturen werd verduidelijkt door de Heer R. H. dat het globale facturen zijn die meerdere leveringen dekken aan verscheidene afnemers (vijfde blad van het proces-verbaal, punt 2.6.2.).

De valse facturen voorgelegd door de geïntimeerde (stukken 16 a en 17 a van de geïntimeerde) dragen allen de vermelding "Particulier Verkoop" zodat volgens de zojuist vermelde verklaring de erin opgenomen geleverde hoeveelheden betrekking hebben op leveringen aan verscheidene afnemers, en niet op één afnemer zoals de geïntimeerde aanneemt wanneer zij deze hoeveelheden als aan de appellant geleverd acht voor de berekening van de ontdoken BTW (zie het proces-verbaal van de BTW-Controle d.d. 5.5.1998, blzn. 4 t/m 6, stuk 3 van de geïntimeerde).

Uit dit alles dient te worden afgeleid dat, zo niet in ernst kan betwist worden dat de BVBA H. N. een systeem van niet-officiële leveringen op touw had gezet zoals de geïntimeerde terecht verdedigt en aantoont (zie onder meer alle elementen door de geïntimeerde aangehaald o.m. p. 11 tot 17 van de conclusie van de geïntimeerde, neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 30.10 2001), nochtans niet vaststaat dat specifiek de appellant tijdens de jaren 1995 en 1996 een afnemer was voor deze niet-officiële leveringen en dan nog in de mate verondersteld door de geïntimeerde.

Zo de appellant een regelmatige klant was van de BVBA H. N. (zie o.m. de officiële facturen), en er andere klanten zijn die - voor wat hen betreft - een regeling of een akkoord met de geïntimeerde hebben afgesloten, dan is dit onvoldoende om hieruit af te leiden dat alle regelmatige klanten, incluis de appellant, niet-officiële leveringen kregen. De bewering van de geïntimeerde dat het soort dranken in de voorgelegde facturen met betrekking tot niet-officiële leveringen typische leveringen zijn voor dancingcliënteel zoals dat van de appellant is niet toereikend om ertoe te besluiten dat het wel de appellant is die de afnemer was van dergelijke levering. Zo de appellant verder voor de jaren 1993 en 1994 met de BTW-administratie een regeling trof in verband met een meeromzet in die jaren, dan mag hieruit nog niet afgeleid worden dat voor de jaren 1995 en 1996 - thans ter betwisting - hij zich schuldig heeft gemaakt aan de hem door geïntimeerde ten laste gelegde BTW-ontduiking, des te meer nu een verband tussen de minnelijke inregelstelling voor 1993 en 1994 en de valse facturaties door de BVBA H. N. niet vaststaat (zie ook de door de geïntimeerde doorgevoerde splitsing in de controle van 10.2.1998 in haar conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 30.10.2001, p. 3, medio)

Weliswaar zijn de nummers van de verzendnota's op door de geïntimeerde voorgelegde facturen van officiële en niet-officiële leveringen overeen te brengen met de verklaring van de Heer R. H. omtrent de opeenvolgende nummering van de verzendnota's in het kader van het systeem van zwarte leveringen, doch dit is ontoereikend om tot betrokkenheid van de appellant zoals voorgehouden door de geïntimeerde te besluiten. De mogelijkheid van gegroepeerde verzendingen, voor verschillende afnemers, laat dit reeds niet toe, terwijl ook moet aangenomen worden dat op een zelfde dag meer dan één levering kan worden gedaan door de BVBA H. zodat ook de overeenstemming van data van officiële en niet-officiële levering niet als een bevestiging van de betrokkenheid van de appellant kan worden beschouwd.

Zo de opstellers van de processen-verbaal van de BBI en van de BTW-controle uit de door hen vastgestelde feiten hebben gemeend te moeten afleiden, door vermoedens gezien de appellant nergens nominatim werd vernoemd, dat de appellant niet-officiële leveringen ontving en dit in hun processen-verbaal hebben opgenomen, dan zijn dit geen materiële vaststellingen die de opstellers zelf hebben gedaan maar zijn dit gevolgtrekkingen die niet met de bijzondere bewijskracht eigen aan de vaststellingen in de processen-verbaal bekleed zijn, en die er de geïntimeerde niet van vrij stellen te bewijzen dat de appellant BTW heeft ontdoken.

Het hoger beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard.

Gelet hierop dient het incidenteel beroep van de geïntimeerde ongegrond te worden verklaard.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen.

Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gegrond.

Ontvangt het incidenteel beroep doch verklaart het ongegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet behoudens waar het de vordering ontvankelijk verklaart, en opnieuw recht doende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van de appellant gegrond.

Vernietigt het hoger omschreven dwangbevel (RCIV nr. …) op 15.7.1999 uitgevaardigd door de Eerstaanwezend Inspecteur van het BTW­Ontvangkantoor van Wetteren, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 20.7.1999, lastens de appellant.

Veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen.

Begroot deze kosten als volgt :

• aan de zij de van de appellant : op … EUR dagvaarding + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, op VIJFENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZEND EN DRIE.

Aanwezig :

Mevrouw N. v. I., Voorzitter,

De heren A. D. M. en G. T., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. G. T. A. D. M. N. v. I.

Textes cités

1
CTVA art. 702 occurrences

Décisions similaires

8