Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 20.02.2002
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep te Gent – 13e Kamer - Terechtzitting van 20-02-2002
1996/AR/2639
In de zaak van :
D. D. C., bakker, wonende te …, …, ingeschreven in het H.R. te Gent onder het nr. …, die woonstkeuze doet bij zijn raadsman hierna vermeld,
appellant,
hebbende als raadsman Mr. V. D. G. D., advocaat te …, …
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Ministerie van FINANCIEN, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Gent 1, wiens kantoren gevestigd zijn te 9000 GENT, Martelaarslaan 23,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman Mr. V. P., advocaat te …, …
velt het Hof het volgend arrest :
Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 15 november 1996 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 25 april 1996 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, derde kamer.
Er wordt geen bewijs van betekening van dit vonnis voorgelegd.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
De feiten
De appellant, een bakker, was klant van de NV N. M. van Gent en Brugge. Naar aanleiding van een strafonderzoek werd op 18 november 1987 bij deze leverancier een klantenlisting aangetroffen waarop naast de naam van de appellant een code was aangebracht welke zou wijzen op de levering van bloem zonder factuur, samen met leveringen welke wel gefactureerd werden. Het circuit van zwarte leveringen werd door de verantwoordelijken van de NV N. M. en door het personeel erkend; de NV sloot blijkbaar een fiscaal akkoord en veel bakkers, klanten, deden dat ook.
Omdat de appellant de - volgens de administratie verschuldigde - belasting niet vrijwillig betaalde werd tegen hem een dwangbevel uitgevaardigd waarbij een hoofdsom werd gevorderd van … BEF (… EUR), … BEF (… EUR) geldboete wegens niet tijdige betaling van de BTW en … BEF (… EUR) boete wegens het niet bewaren van diverse documenten, hetzij samen … BEF (… EUR), te vermeerderen met de interest.
Tegen dit dwangbevel heeft de appellant verzet aangetekend.
De eerste rechter heeft het verzet ongegrond verklaard omdat een geheel van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens zou bestaan welke de zwarte leveringen bevestigen.
Om de gegrondheid van de aanslag te staven legt de administratie enkel een fotokopie voor, welke een uittreksel is van een klantenlisting van de NV N. M., en waarop, naast de naam van de appellant een code voorkomt welke (volgens de verklaringen vervat in het strafdossier) erop zou wijzen dat bij elke officiële bulklevering van bloem ook 2.500 kg bloem zou geleverd zijn zonder factuur.
Verder wijst de administratie op de bekentenissen van de leverancier, de NV N. M., het bestaan van regelmatige handelsbetrekkingen en. het akkoord van andere bakkers welke in de fraudezaak betrokken waren en op de wanverhouding welke zou bestaan tussen de officiële aankopen van meel enerzijds en de aankopen van andere grondstoffen zoals gist, suiker, en dergelijke, anderzijds. De administratie wijst ook op het feit dat de appellant beschikte over de nodige capaciteit om de zwarte leveringen op te slaan.
Het hoger beroep
De appellant houdt voor dat er geen redenen waren om een ambtelijke aanslag te vestigen omdat de administratie daarvoor enkel inroept dat niet-gefactureerde leveringen werden ontvangen - wat echter nog diende bewezen te worden.
Ook wordt gesteld dat de ambtelijke aanslag willekeurig is omdat hij niet berust op ernstige en betrouwbare vermoedens, noch op vaststaande gegevens. Er wordt gesteld dat de eerste rechter ten onrechte heeft gesteund op de bekentenissen van de leverancier in verband met de code inzake zwarte leveringen omdat zijn naam nergens wordt vermeld en dat geen gegevens werden gevonden welke deze bekentenissen ten overstaan van hem zouden bevestigen. De appellant beweert dat uit het strafdossier blijkt dat het systeem van zwarte leveringen, gebruikt door de NV N. M., meermaals werd aangepast, dat er zelfs perioden zijn geweest waarin geen zwarte leveringen zouden gedaan zijn en dat op de potloodvermeldingen gomsporen te zien zijn. Ook wordt ingeroepen dat de rechter zou gesteund hebben op onjuiste gegevens in verband met de opslagcapaciteit van de silo's en inzake de onderlinge verhouding tussen de nodige hoeveelheid meel en de benodigde grondstoffen. Subsidiair betwist de appellant ook de geldboeten; zo stelt hij dat de administratieve geldboete op grond van art. 70, § 4 BTW-wetboek (wegens het niet kunnen voorleggen van bepaalde documenten) moet worden gezien als één enkele inbreuk zodat daarvoor slechts een boete van … EUR (… BEF) kan opgelegd worden.
De geïntimeerde stelt dat er wel redenen waren om een ambtelijke aanslag te rechtvaardigen omdat zelfs officiële facturen en vervoerdocumenten niet konden voorgelegd worden en vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis onder verwijzing naar de redenen vermeld in dit vonnis.
De geïntimeerde gaat er wel mee akkoord dat de geldboete op grond van art. 70, § 4 BTW-wetboek wordt verminderd tot … EUR (… BEF).
Beoordeling
Daar niet wordt betwist dat bepaalde verplichte documenten niet konden voorgelegd worden, kon de administratie een ambtelijke aanslag vestigen.
Dat het bestaan van het fraudemechanisme werd erkend door de verantwoordelijken van de NV N. M. en door meerdere (maar niet alle) bakkers naast wiens naam een code werd aangetroffen op de klantenlisting en dat de appellant een regelmatige klant was van deze leverancier, kan ten overstaan van de appellant geen vermoeden scheppen omdat deze beweringen geen elementen bevatten welke toelaten aan te nemen dat ook hij niet gefactureerde leveringen zou ontvangen hebben.
In hoofdorde steunt de administratie derhalve op de gegevens welke werden afgeleid uit de (in potlood aangebrachte) zwartcode welke werd gevonden op de klantenlisting van de NV N. M. op basis van deze gegevens werd aangenomen dat bij elke officiële bulklevering in 1985, 1986 en 1987 (tot de datum van de vaststellingen bij de NV N. M.) aan de appellant 2.500 kg meel werd geleverd waarvoor geen factuur werd opgesteld. De aangetroffen zwartcode kan evenwel niet worden aangezien als een vaststaand gegeven om aan te nemen dat de appellant, van begin 1985 tot bij de vaststellingen, bij elke bulklevering van meel een niet gefactureerde hoeveelheid van 2.500 kg geleverd werd en dit om meerdere redenen :
- de klantenlisting (gevonden op 18 november 1987) vermeldt als datum "22/11/85"; het precieze ogenblik waarop de potloodvermelding op deze listing werd aangebracht is evenwel niet gekend; dit kan ten vroegste gebeurd zijn onmiddellijk na het uitprinten van deze listing maar het kan ook gebeurd zijn op elk ander ogenblik tussen 22 november 1985 en 18 november 1987;
- de vermelding in potlood aangebracht kan zeker niet bewijzen dat voor 22 november 1985 zwarte leveringen zouden hebben plaats gevonden zoals deze zouden 'kunnen blijken' uit de potloodvermelding; de listing kan immers, hoe dan ook, geen bewijs, of begin van bewijs, leveren voor de periode welke aan het opstellen ervan voorafgaat;
- uit het strafdossier blijkt dat het systeem meermaals werd gewijzigd zodat het mogelijk is dat in het begin een ander systeem (bijvoorbeeld met kleinere zwartleveringen) werd toegepast;
- in de syntheseconclusie van de geïntimeerde, neergelegd op 11 april 2001, op blz. 12, wordt erkend dat er tijdelijke onderbrekingen waren in de zwarte leveringen ("geïntimeerde wenst eerst en vooral te benadrukken dat bij het sluiten van het fiscaal akkoord met de NV NMGB, reeds rekening werd gehouden met haar argumenten, zoals tijdelijke onderbreking van de zwarte leveringen ...”), maar zelfs daarmee werd geen rekening gehouden bij het vestigen van de bestreden aanslag.
De omstandigheid dat verplichte documenten niet konden voorgelegd worden, bewijst niet dat de appellant leveringen heeft ontvangen waarvoor geen factuur werd opgemaakt.
Het feit dat de appellant over voldoende capaciteit beschikte om het meel te stockeren dat hem - volgens de administratie - in het zwart zou geleverd zijn, is evenmin een bewijs van dergelijke leveringen.
En de berekeningen welke de administratie heeft gemaakt op grond van het gebruik van de diverse grondstoffen bewijzen op zich geenszins dat de appellant de omvangrijke zwarte leveringen zou hebben ontvangen welke door de administratie in aanmerking worden genomen.
Uit dit alles volgt dat de aanslag willekeurig is waar hij berust op niet gefactureerde leveringen.
Inzake de geldboete op grond van art. 70, § 4 BTW-wetboek zijn de partijen het erover eens dat deze moet verminderd worden tot … EUR (… BEF).
Dispositif
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.
Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende.
Verklaart het verzet tegen het dwangbevel, uitgevaardigd op 13 juli 1990, ontvankelijk en grotendeels gegrond.
Doet de aanslag teniet behoudens wat betreft de geldboete op grond van art. 70, § 4 BTW-wetboek welke evenwel wordt verminderd tot … EUR.
Veroordeelt de geïntimeerde tot alle kosten, deze in zijnen hoofde niet te begroten gezien ze eigen blijven en deze in hoofde van de appellant voorlopig begroot op … EUR rechtsplegingvergoeding hoger beroep, de andere kosten niet begroot zijnde.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, dertiende kamer, recht doende in burgerlijke zaken van twintig februari tweeduizend en twee.
Aanwezig :
de heer L. G., Kamervoorzitter, alleenrechtsprekend
mevrouw M. V., griffier.
M. V. L. G.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.