Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du tribunal de première instance d'Anvers du 08.10.2025
WF 707-15-24/000726 Finaliti 54330453
[ Jugement favorable ]
Taxe sur la valeur ajoutée – Demande de renseignements – Fishing expedition – Violation des droits de la défense et de l'égalité des armes – Nullité pour arbitraire et nullité pour renversement illicite de la charge de la preuve – Droit à déduction – Location immobilière – Taux réduit
Dispositions légales
Articles 37, 38, 45,§1, 45,§ 1, quinquies, 60, 61 en 62 CTVA
AR n° 20
Résumé
1. Faits et antécédents
La requérante a été identifiée comme assujettie à la TVA pour des « activités de conseil en informatique ». Avant le contrôle, une demande de renseignements a été envoyée. Le contrôle a révélé qu'elle fournissait des services à une autre société et louait des biens immobiliers. À la suite de ce contrôle fiscal, un procès-verbal de taxation a été établi. Le droit à déduction de divers achats à des fins privées et l'application du taux réduit pour les travaux de rénovation ont été rejetés et la déduction pour le véhicule automobile a été limitée à 35 %.
2. Décision
La requérante estimait que la demande d'informations de l'administration constituait une « fishing expedition ». Le tribunal estime qu'il ne s'agit en aucun cas d'une « fishing expedition ». Il s'agit clairement de demandes d'explications complémentaires concernant des faits auxquels la requérante avait participé et dont l'administration fiscale avait déjà connaissance.
En outre, la requérante estime que ses droits de la défense ont été violés parce que le dossier administratif complet n'a pas été présenté. Le tribunal constate que le dossier administratif a bien été déposé dans son intégralité à ce jour. La requérante ne parvient même pas à démontrer de manière plausible que certaines pièces sont manquantes en ce qui concerne le redressement fiscal relatif à la TVA.
Ensuite, la requérante estime que l'administration fiscale a renversé la charge de la preuve dans cette affaire.
Le tribunal estime que la charge de la preuve de l'existence d'un droit à déduction incombe à l'assujettie, mais que celle-ci ne s'acquitte pas de cette charge de la preuve tant en ce qui concerne les achats privés que la voiture particulière. Par ailleurs, la requérante ne démontre pas non plus que le taux réduit de 6 % s'appliquait aux travaux de rénovation. La déduction a été rejetée à juste titre, le taux de 6 % a été remplacé à juste titre par le taux normal et l'amende reste maintenue.
Texte intégral
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale.
Corps de la décision
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 08.10.2025
(24/1136/A)
Inzake:
X.,
met maatschappelijke zetel te …, KBO: …,
eiseres
vertegenwoordigd ter zitting door Mr. CAKMAK EMRE te 1831 DIEGEM, De Kleetlaan 4, ter zitting van 7 mei 2025 en 21 mei 2025,
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT,
Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het Centrum KMO Antwerpen, met correspondentieadres te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6 bus 561, KBO: 0308.357.159,
verweerder
vertegenwoordigd ter zitting door S.N., in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën, ter zitting van 7 mei 2025 en 21 mei 2025,
vertegenwoordigd ter zitting door de D.C., in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën, ter zitting van 7 mei 2025.
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:
het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 12 maart 2024, ingeschreven ter griffie op 13
maart 2024;
- de beschikking gewezen overeenkomstig artikel 747, §2, Ger. W. op 22 mei 2024, waarbij de
conclusietermijnen en de rechtsdag werden bepaald;
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Ter zitting van 7 mei 2025 werd de zaak in voortzetting gesteld naar de zitting van 21 mei 2025.
Ter zitting van 21 mei 2025 werd de zaak in voortzetting gesteld naar de zitting van 10 september 2025.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden, op 7 mei 2025, 21 mei 2025.
Ter zitting van 10 september 2025 werd de zaak schriftelijk in beraad genomen.
1. Felten en procedurele voorgaanden
Huidige betwisting betreft de btw-schuld in hoofde van eiseres zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 19 december 2023, uitvoerbaar verklaard op 20 december 2023, onder het artikelnummer 500.2810.49186 voor een totaalbedrag van 26.050,16 euro meer nalatigheidsinteresten.
Eiseres is geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het ondernemingsnummer … voor de activiteit van 'computerconsultancy-activiteiten' met maatschappelijke zetel te ...
Er vond een controle inzake btw plaats bij eiseres met betrekking tot de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021. Op 28 maart 2023 verstuurde de belastingadministratie een vraag om inlichtingen aan eiseres (stuk 4 AD). Eiseres vroeg meerdere malen om uitstel en een inhoudelijk antwoord bleef initieel uit. Op 20 juni 2023 vond een fiscale controle plaats op de maatschappelijke zetel van eiseres. Hierna bezorgde eiseres stukken aan de belastingadministratie en vond briefwisseling plaats tussen partijen over nog ontbrekende stukken. Op 26 september 2023 vond een bespreking plaats tussen partijen.
Op 19 oktober 2023 verstuurde de belastingadministratie een regularisatieopgave naar eiseres (stuk 10 AD). Er werd vastgesteld dat eiseres btw ten onrechte volledig dan wel gedeeltelijk in aftrek zou gebracht hebben op bepaalde goederen en/of diensten en er op bepaalde werken ten onrechte het btw-tarief van 6% zou zijn toegepast.
Op 9 november 2023 heeft de belastingadministratie vervolgens de vastgestelde overtredingen opgenomen in een proces-verbaal (stuk 2 AD). Volgens de belastingadministratie waren de volgende bedragen verschuldigd:
btw: 23.840,16 euro;
boete: 2.210,00 euro;
nalatigheidsinteresten vanaf 21 januari 2022.
De btw-schuld met artikelnummer 500.2810.49186 werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 19 december 2023 en uitvoerbaar verklaard op 20 december 2023 (stuk 3 AD). Op 21 december 2023 verstuurde de belastingadministratie een betaalbericht naar eiseres.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 12 maart 2024 stelde eiseres een vordering in rechte in.
2. Vorderingen van partijen
Eiseres verzoekt de rechtbank:
haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;
in hoofdorde bijgevolg het innings- en Invorderingsbericht met schuldnummer 500281049186 opgemaakt op 19 december 2023 en uitvoerbaar verklaard op 20 december 2023 gegrond op het proces-verbaal betekend op 9 november 2023 nietig of minstens ongegrond te verklaren; te zeggen voor recht dat de erin opgenomen bedragen aan btw, boetes en intrest niet verschuldigd zijn;
derhalve de uitvoering van het vernoemde innings- en betalingsbericht waartegen verzet gedaan wordt te horen verbieden;
derhalve verweerder te horen veroordelen aan eiseres terug te betalen alle ingehouden, betaalde of in beslag genomen te vermeerderen met de moratoire en/of gerechtelijke interesten;
verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
Verweerder verzoekt de rechtbank :
het verzoekschrift van eiseres ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;
en aldus de inhoud van het proces-verbaal van 9 november 2023 te bevestigen, de inschrijving van het schuldnummer 500/2810/49186 in het innings- en invorderingsregister gegrond te verklaren en te bevestigen en aldus niet over te gaan tot vernietiging van de inschrijving van het schuldnummer 500/2810/49186 in het innings- en invorderingsregister;
eiseres te veroordelen tot alle kosten van het geding.
3. Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.
De vordering van eiseres is dan ook ontvankelijk.
4. Beoordeling
4.1. Procedurele middelen
4.1.1. De vraag om inlichtingen
Eiseres is van oordeel dat de vraag om inlichtingen van 28 maart 2023 een 'fishing expedition' betrof en er stukken werden opgevraagd louter met het oog op het ontdekken van onregelmatigheden. Dit heeft volgens eiseres de nietigheid van de bestreden aanslag (sic) tot gevolg.
De vraag om inlichtingen van 28 maart 2023 bevat volgende vragen (stuk 4 AD):
"Geneve voor de uitgaande handelingen de volgende vragen te beantwoorden:
1. Wat is het verhoudingsgetal in 2019, 2020 en 2021 (op basis van art. 46 Btw-Wetboek)?
2.Op basis van welk wetsartikel en welke criteria werd de verhuur van onroerende goederen aan T.S.P. International belast met btw? Waarom is de vrijstelling van artikel 44, §3, 2° 8tw-Wetboek niet van toepassing? Het verhuurcontract d.d. 09.04.2019 bevindt zich reeds in het fiscaal dossier en hoeft u niet te bezorgen.
Gelieve voor elke inkomende handeling met betrekking tot bedrijfsmiddelen uit de
bijgevoegde selectie (zie pagina 6 en 7) de volgende vragen te beantwoorden:
3.Voor het verrichten van welke economische activiteiten werd het bedrijfsmiddel gebruikt in 2019, in 2020 en in 2021? Gelieve bij elk geheel, gemengd of gedeeltelijk gebruik van de aan VJS geleverde goederen en verleende diensten duidelijk met bewijskrachtige middelen toe te lichten over welk gebruik dit gaat (belaste handeling, vrijgestelde handeling volgens artikel 44 8tw-Wetboek, privé,...).
4.Wat is het beroepsgebruik van het bedrijfsmiddel in 2019, 2020 en 2021 (toepassing artikel 45, §1 quinquies)?
Gelieve voor elke inkomende handeling dat geen bedrijfsmiddel is uit de bijgevoegde selectie (zie pagina 6 en 7) de volgende vragen te beantwoorden:
5.Voor het verrichten van welke economische activiteiten werden de aan VJS geleverde goederen en verleende diensten en de door X. verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, gebruikt? Gelieve bij elk geheel, gemengd of gedeeltelijk gebruik van de aan VJS geleverde goederen en verleende diensten duidelijk met bewijskrachtige middelen toe te lichten over welk gebruik dit gaat (belaste handeling, vrijgestelde handeling volgens artikel 44 8tw-Wetboek, privé,...).
6.Wat is het gedeelte dat voor privedoeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit van X. wordt gebruikt?
Gelieve voor elke handelingen uit de bijgevoegde selectie (zie pagina 6 en 7) waarbij de verschuldigde btw naar de medecontractant (X.) werd verlegd de volgende vragen te beantwoorden:
7.Waarom werd op (een gedeelte van) de maatstaf van heffing het verlaagde tarief van 6% toegepast? Op basis van welk wetsartikel en welke criteria werd dit verlaagd tarief toegepast? Kan u de bewijsmiddelen toevoegen die aantonen dat X. aan de criteria voldoet om te genieten van dit verlaagd tarief?
8.Gelieve voor elke handeling met betrekking tot werken in onroerende staat een uitgebreid detail toe te voegen welke werken en in welke ruimte van het onroerend goed de werken werden uitgevoerd."
De rechtbank kan alleen maar samen met de belastingadministratie vaststellen dat er hier geenszins sprake is van een fishing expedition. Het betreffen duidelijk vragen tot nadere toelichting omtrent feiten waaraan eiseres had deelgenomen en waarvan de belastingadministratie reeds voorkennis had. Meer in het bijzonder wist de belastingadministratie dat eiseres haar recht op aftrek had uitgeoefend, onroerende verhuur had belast en het verlaagd tarief van 6% had toegepast. Uiteraard mag de belastingadministratie dan nagaan of eiseres dit correct heeft gedaan, te meer nu de bewijslast bij de betreffende toepassingen bij eiseres zelf ligt.
De vordering van eiseres is op dit punt ongegrond.
4.1.2. Schending van de rechten van verdediging van eiseres?
Eiseres is van oordeel dat verweerder, ook nadat de rechtbank de zaak in voortzetting had geplaats om verweerder de kans te geven het volledig administratief dossier neer te leggen, nog steeds heeft nagelaten het volledig administratief dossier effectief neer te leggen. Volgens eiseres gebeurde dit bewust en zijn hierdoor haar rechten van verdediging geschonden en is hierdoor de 'btw-vordering onherstelbaar verloren'.
De rechtbank stelt vast dat het administratief dossier op heden wel degelijk volledig werd neergelegd. Eiseres slaagt er niet in om zelfs nog maar aannemelijk te maken dat er, wat betreft de navordering inzake btw, bepaalde stukken ontbreken. De stukken waarnaar eiseres vereist betreffen grotendeels stukken met betrekking tot een controle inzake vennootschapsbelasting die dateren van de periode waarop de btw-controle nog geen aanvang had genomen. Deze maken in beginsel uiteraard geen deel uit van het huidig administratief dossier.
Daarnaast laat eiseres in concreto na aan te duiden waarom het ontbreken van welk specifiek stuk tot gevolg heeft dat haar rechten van verdediging werden geschonden. De belastingadministratie, en eiseres spreekt dit niet tegen, haalt in dat kader terecht aan dat eiseres zelf over alle stukken beschikt aangezien deze alien betrekking hebben op haar fiscale toestand en aan haar reeds werden overgemaakt of door haar werden verzonden.
Eiseres toont dus evenmin aan dat haar rechten van verdediging werden geschonden.
De vordering van eiseres is op dit punt ongegrond.
4.2. Ten gronde
4.2.1. Willekeur / omkering bewijslast?
Volgens eiseres laat de belastingadministratie na om de relevante stukken bij te brengen ter staving van haar loutere vaststellingen om het recht van btw-aftrek en toepassing van de verlaagde btw tarief op werken in onroerende staat van eiseres te verwerpen, hetgeen de taxatie willekeurig zou maken. Daarnaast is eiseres van oordeel dat de belastingadministratie de bewijslast in deze zaak heeft omgedraaid.
De rechtbank stelt vast dat de vraag bij wie de bewijslast ligt en of aan deze bewijslast is voldaan, onderdeel uitmaakt van het debat ten gronde en hierna dan ook verder door de rechtbank wordt besproken aan de hand van de in het proces-verbaal weerhouden inbreuken.
4.2.2. Eerste inbreuk
Overeenkomstig artikel 45, §1 WBTW mag een belastingplichtige de btw geheven over de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen o.m. wanneer en in de mate dat hij de aan hem geleverde goederen en verleende diensten heeft gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen.
De bewijslast van het bestaan van een recht op aftrek ligt bij de belastingplichtige.
De belastingadministratie heeft het recht op aftrek van een aantal ontvangen diensten en/of goederen verworpen of beperkt (stuk 11 AD):
factuur van 5 februari 2021 van D. met als beschrijving 'advies, prestaties, ontwerp logo company, business cards': eiseres stelt louter dat deze goederen of diensten worden gebruikt voor de economische activiteit van eiseres zonder ook maar een begin van verklaring te geven welke concrete diensten of goederen ontvangen werden;
drie facturen van Vanden Borre met betrekking tot een keukenweegschaal, een stroomstrijkijzer en anti-kalk capsules: eiseres stelt dat de goederen worden gebruikt voor de huur aan het schoonheidssalon S., maar de belastingadministratie merkt terecht op dat de goederen zelf niet verhuurd worden, maar wel gewoon gebruikt worden waardoor ze niet beroepsmatig gebruikt worden in hoofde van eiseres;
acht facturen met betrekking tot de huur van personenwagens: ook hier blijft het bij een bewering van eiseres dat deze huur kaderde in een 'marktonderzoek voor de plastic sector' zonder dat enig objectief, verifieerbaar stuk wordt bijgebracht. De belastingadministratie weerhield dan ook terecht het algemeen forfait van 35%.
Op basis van het bovenstaande ging de belastingadministratie dan ook terecht over tot verwerping/beperking van het recht op aftrek.
4.2.3. Tweede inbreuk
De belastingadministratie heeft de kosten met betrekking tot het zwembad gedeeltelijk verworpen en voor 14% als privé beschouwd. Eiseres stelt dat deze aftrekbeperking niet kan worden toegepast aangezien er hier sprake is van het ter beschikking stellen van het zwembad aan een vennootschap tegen betaling van het huur, hetgeen hier het geval zou zijn.
De rechtbank stelt evenwel vast dat de betreffende huurovereenkomst (stuk 9 AD) op geen enkele manier bepaalt dat het zwembad exclusief ter beschikking wordt gesteld aan de betreffende vennootschap, maar integendeel slechts voor 30 uren per week. De belastingadministratie wijst terecht op het feit dat het zwembad gelegen is op het adres waar het gezin van de bestuurders van eiseres woonachtig is en eiseres niet tegenspreekt dat het zwembad ook door het gezin wordt gebruikt. Daarnaast dateert de huurovereenkomst slechts van 15 februari 2022. Wat betreft de periode ervoor levert eiseres geen enkel bewijs dat het zwembad werd gebruikt voor de economische activiteit van eiseres.
4.2.4. Derde inbreuk
Eiseres sloot een huurovereenkomst of met een derde vennootschap voor de onroerende verhuur te ... Eiseres besloot de verhuur te belasten met btw (stuk 7 AD).
De belastingadministratie concludeerde evenwel terecht dat verhuur met btw niet mogelijk was. Opdat de onroerende verhuur met btw belast mag worden in de hypothese van artikel 44, § 3, 2°, a), tweede streepje en artikel 44, §3, 2', d) WBTW dient enerzijds te zijn aangetoond dat het een terbeschikkingstelling van ruimtes betreft die voor meer dan 50% gebruikt worden voor het opslaan van goederen. Dit blijkt volgens de huurovereenkomst niet het geval en wordt door eiseres alleszins niet aangetoond. Anderzijds mag enkel btw opeisbaar zijn geworden Op 1 oktober 2018 over de materiele werken in onroerende staat die specifiek bijdragen tot de oprichting of de ingrijpende of belangrijke renovatie ervan waarbij eiseres niet heeft aangetoond dat het een nieuwbouw of vernieuwbouw betreft, hebbende ten vroegste 1 oktober 2018 als eerste tijdstip van opeisbaarheid.
De belastingadministratie kwam dan ook terecht tot de conclusie dat de btw met betrekking tot 4 facturen die betrekking hadden op werken aan het betreffende goed ten onrechte in aftrek was genomen gelet op het niet respecteren van het bestemmingsbeginsel.
4.2.5. Vierde inbreuk
De belastingadministratie heeft, met betrekking tot facturen inzake onroerende werken te ..., de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6% verworpen en vervangen door het tarief van 21%.
Allereerst merkt de rechtbank op dat het proces-verbaal wel degelijk correct gemotiveerd werd en zeer duidelijk vermeldt waarom de belastingadministratie het verlaagde btw-tarief van 6% verwierp en op basis van welke rechtsgrond. De verwijzing van eiseres naar een regel die opgeheven zou zijn heeft geen betrekking op de gecontroleerde periode en is, voor zover juridisch al ter zake, dus irrelevant.
Vervolgens rust de bewijslast bij eiseres om aan te tonen dat zij correct het tarief van 6% btw toepaste. Volgens de rechtbank toont zij dit niet aan. De belastingadministratie werpt vooreerst terecht op dat bepaalde facturen betrekking hebben op het zwembad, hetgeen het tarief van 6% btw uitsluit. Daarnaast blijkt uit het dossier niet dat is aangetoond dat de handelingen betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privéwoning wordt gebruikt en dit op basis van onderliggende facturen, offertes en stukken. Tot slot wijst de belastingadministratie er terecht op dat het argument van eiseres rond de verlegging van de heffing naar de medecontractant geen uitziens heeft met de betwiste taxatie en dus zonder voorwerp is. Hetzelfde geldt voor het argument rond de hoofdelijke gehoudenheid en het algemeen verhoudingsgetal.
4.3. De opgelegde boete
De administratie heeft overeenkomstig artikel 70, §1 en ibis WBTW een proportionele geldboete opgelegd van 10%.
Eiseres verzoekt de rechtbank of te zien van een geldboete aangezien deze onevenredig zou zijn.
De rechtbank acht de toepassing van een proportionele geldboete van 10% rekening houdende met de concrete omstandigheden in huidige zaak evenwel gerechtvaardigd en evenredig met de begane inbreuken.
De rechtbank ziet dan ook geen reden om de geldboete kwijt te schelden.
5. Kosten van het geding
Eiseres dient als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.
Aangezien verweerder niet wordt vertegenwoordigd of wordt bijgestaan door een raadsman, dient er geen rechtsplegingsvergoeding te worden bepaald.
De bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand blijft ten laste van eiseres.
Er zijn tot slot geen rolrechten verschuldigd in fiscale zaken.
Dispositif
OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.
Verklaart de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, die werd gestort door eiseres, definitief verworven voor het fonds.
Dit vonnis werd uitgesproken op acht oktober tweeduizend vijfentwintig in openbare zitting van de Kamer AFil, die samengesteld was uit:
A. D., rechter
C. L., griffier
Note du SPF Finances
Referentie WF
WF 707-15-24/000726 Finaliti 54330453
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.