Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 17.06.2024 (22/2665/A)
FIN 5517937301
[ Jugement favorable ]
Taxe sur la valeur ajoutée – Demande de renseignements – Amendes non proportionnelles – Non bis in idem
Dispositions légales
Articles 62, §1 et 70, §4 CTVA
Article 3 de l'AR n° 44 et section 4, rubrique IV de l'annexe à l'AR n° 44
Résumé du jugement
1. Faits et jugement en première instance
La demanderesse était enregistrée en tant qu'assujettie à la TVA pour son activité de menuiserie.
À la suite d'un contrôle de cessation d'activité en matière de TVA, l'administration a adressé, le 4 octobre 2013, une demande de renseignements par courrier à la demanderesse. Elle y demandait la communication d'un certain nombre de documents relatifs aux années 2010 et 2011.
La demanderesse n'ayant pas répondu, cette même demande de renseignements a ensuite été envoyée à trois reprises, à chaque fois par courrier recommandé et par courrier ordinaire.
En raison de l'absence de réponse, l'administration a infligé trois amendes non proportionnelles, à savoir 1 000 EUR pour une première infraction, 2 000 EUR pour la deuxième infraction et 5 000 EUR pour la troisième infraction.
La demanderesse n'étant pas d'accord avec cette décision, elle a introduit un recours fiscal devant le tribunal.
Le premier juge a déclaré la demande recevable, mais non fondée. Le tribunal a constaté que la demanderesse n’avait pas répondu à trois demandes de renseignements distinctes. Étant donné qu’il s’agissait de trois infractions distinctes, une amende a été infligée à juste titre pour chacune d’entre elles. Selon le tribunal, le fait que les demandes de renseignements aient eu le même objet n’est pas pertinent.
La demanderesse a interjeté appel contre ce jugement.
Texte intégral:
Corps de la décision
Ce jugement n'est disponible que dans la langue originale.
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 17.06.2024 (22/2665/A)
De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer B.10, heeft het volgend vonnis verleend:
In de zaak : 22/2665/A
J.V. (RRN: ...), wonende te ... ..., ...,
eisende partij,
voor wie optreedt meester JAECQUES DIDIER, advocaat te 8200 SINT-ANDRIES, Lieven
Bauwensstraat 16 (ref.: 18190.01- didier@jaecquesadvocaten.be).
tegen :
de BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN (KBO: ...), Algemene Administratie van de Fiscaliteit, in de persoon van de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ten verzoeke van de Adviseur-Generaal van het centrum KMO Brugge, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 8200 Brugge, Koning Albert 1-laan 1/5, voor de Algemene Administratie van de Inning en Invordering, vertegenwoordigd door de Adviseur Invordering-Ontvanger van het Team Invordering Natuurlijke personen Oostende (als rechtsopvolger van het BTW-Ontvangkantoor Oostende), met kantoren gevestigd in 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1.
verwerende partij,
voor wie optreedt mevrouw V.K., adviseur, (ref.: ...).
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 22 september 2022.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.
Partijen werden gehoord op de zitting van 3 juni 2024.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eiser was tot 30 september 2011 ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer ..., voor de activiteit van schrijnwerk. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 4 oktober 2013 wordt door de administratie een vraag om inlichtingen gesteld. Door eiser wordt niet gereageerd. Op 20 januari wordt de vraag om inlichtingen opnieuw gesteld. Door eiser wordt niet gereageerd. Een boete van 1.000 EUR wordt opgelegd. De vraag om inlichtingen wordt opnieuw gesteld op 8 april 2014. Door eiser wordt niet gereageerd. Een boete van 2.000 EUR wordt opgelegd (PV 7 mei 2014, betaalbericht 13 mei 2014). De vraag om inlichtingen wordt opnieuw gesteld op 7 mei 2014. Door eiser wordt niet gereageerd. Een boete van 5.000 EUR wordt opgelegd.
Op 8 september 2020 wordt een dwangbevel betekend betreffende de boete t.b.v. 5.000 EUR.
Door eiser wordt fiscaal verhaal aangetekend met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 22 september 2022 betreffende de boete t.b.v. 2.000 EUR.
2.Eiser vraagt dat:
de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- het betaalbericht d.d. 13 mei 2014 wordt vernietigd of ongegrond wordt verklaard; ondergeschikt de geldboete wordt kwijtgescholden, minstens wordt gematigd;
verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
3.Verweerder vraagt dat:
de eis ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard;
eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.
III. BEOORDELING
A.Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B.Betreffende de grond
1. Bewijs grondslag
Verweerder heeft het proces-verbaal d.d. 7 mei 2014 bij zijn stukken gevoegd. Dit proces-verbaal vormt de grondslag van het betaalbericht d.d. 13 mei 2014.
Het proces-verbaal werd aangetekend ter kennis gebracht van eiser.
Niet betwist wordt dat op alle stukken (vragen om inlichtingen, processen-verbaal en betalingsberichten) het correcte adres van eiser vermeld is.
De loutere bewering van eiser dat de stukken niet verzonden zijn of dat hij er geen kennis van gekregen heeft, heeft niet tot gevolg dat de administratie die bewijst dat de stukken op het juiste adres van eiser en in de gepaste vorm zijn verzonden (per gewone brief en per aangetekende zending), ook het bewijs moet leveren dat die zendingen ook effectief werden ter kennis gebracht van eiser.
Het is totaal ongeloofwaardig dat eiser alle vragen om inlichtingen, processen-verbaal en betalingsberichten, niet zou ontvangen hebben. In de betalingsberichten wordt telkens verwezen naar het betreffende proces-verbaal. Eiser heeft nooit gereageerd. Pas wanneer eiser een dwangbevel ontvangt, reageert hij.
Op zich betwist eiser eigenlijk ook niet het proces-verbaal d.d. 7 mei 2014 en het betaalbericht d.d. 13 mei 2014 te hebben ontvangen. Hij stelt in besluiten in 2020 niet meer te beschikken over het procesverbaal.
De rechtbank is van oordeel dat de voorgelegde stukken afdoende de grondslag van de boete bewijzen. Dat verweerder een aantal van de stukken in eerste instantie niet onmiddellijk kon voorleggen, is geloofwaardig gezien deze stukken reeds dateren van 2014.
2. Non bis in idem
Eiser heeft niet gereageerd op 3 afzonderlijke vragen om inlichtingen. Dit betreft 3 afzonderlijke overtredingen. Voor elke overtreding wordt een boete opgelegd.
Er is dus geen sprake van het hetzelfde feit verschillende keren te bestraffen. Dat de vragen om inlichtingen inhoudelijk hetzelfde waren, is niet relevant.
3. Geldboete
Uit de dossier blijkt dat eiser voor de tweede maal niet geantwoord heeft op een vraag om inlichtingen. Deze vraag mocht in 2013-2014 nog gesteld worden gezien er inzake BTW geen onderzoekstermijnen gelden. Het stopzetten van de activiteit is geen reden om niet te antwoorden op een vraag om inlichtingen. De rechtbank stelt op basis van de vaststellingen en de inbreuk vast dat de door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het relatief hoge bedrag. Het opleggen van de boete is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuk.
De rechtbank ziet geen enkele reden om de boete kwijt te schelden, te verminderen of om een uitstel te verlenen. Er is geen enkel reden die een kwijtschelding, vermindering of uitstel zou kunnen verantwoorden.
De geldboete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar hebben ook een bestraffend en afradend karakter.
C. Betreffende de kosten
Gezien eiser in het ongelijk wordt gesteld, moet hij de gerechtskosten dragen.
Aangezien verweerder niet bijgestaan wordt door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en in hoofde van verweerder begroot op 00,00 EUR.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op MAANDAG ZEVENTIEN JUNI TWEEDUIZEND VIERENTWINTIG waar zitting hadden:
Lucienne De Peuter, rechter;
Jorina Teerlinck, griffier.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.