Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Corps de la décision
ARRET G 00/5
Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 23.02.2000
Déduction - Facture
L'assujetti avait enregistré des factures dans sa comptabilité et la TVA ayant grevé ces factures avaient été prises en déduction. Ces factures ne portaient toutefois pas de numéro de suite dans le chef du vendeur. Aucune remarque n'avait été faite à ce sujet lors d'un contrôle TVA. Après la faillite du prestataire de services, la déduction fut rejetée parce que les factures ne portaient pas toutes les mentions obligatoires (en l'espèce l'absence de numéro d'ordre), l'absence de prestation en contrepartie des factures (ce qui est contesté par l'entreprise en question) et le fait que la TVA n'a pas été versée au Trésor. La cour estime que la mention d'un numéro d'ordre sur la facture établie par le vendeur ou le prestataire de services n'est pas nécessaire pour apprécier la validité de la déduction. L'action de l'Administration de la TVA est cependant maintenue par la cour en ce que la réalité des prestations sur lesquelles portent les factures en question ne peut être démontrée.
13° Kamer
Alleenrechtsprekend Kamervoorzitter: Dhr. L. Gallet
Griffier: Dhr. C. Sonneville
Partij: Firma Achille Wattenberghe N.V. t. De Belgische Staat
Rolnr. : 1994/AR/2483
Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 19 oktober 1994 heeft de N.V. Firma Achille Wattenberghe hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 3 mei 1993 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, dertiende kamer.
Hoewel dit vonnis, blijkens de vermeldingen in de conclusies, op 21 september aan de appellante werd betekend, wordt geen bewijs van deze betekening voorgelegd.
Het hoger beroep is, hoe dan ook, tijdig en regelmatig.
De feiten en de retroacta
Op 27 september 1985 werd een proces-verbaal opgemaakt waarin werd gesteld dat de N.V. Wattenberghe, voor het jaar 1978, de BTW had afgetrokken van drie facturen welke werden uitgeschreven door een zekere W••••••• R••••, terwijl deze facturen niet regelmatig waren. De onregelmatigheid bestond erin dat op de facturen geen volgnummer was vermeld waaronder ze zouden ingeschreven zijn in het boek voor uitgaande facturen van de opsteller ervan ( W••••••• ). Er werd ook beweerd dat uit een bijgevoegd proces-verbaal van verhoor van voornoemde W•••••••, was gebleken dat W••••••• geen prestaties had verricht voor de N.V. Wattenberghe en dat hij de verschuldigde BTW ook niet had doorgestort.
Op 30 december 1987 werd een dwangbevel uitgevaardigd; dit dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 6 januari 1988 en aan de N.V. Wattenberghe betekend op 12 januari 1988.
In dit dwangbevel werd de verschuldigde BTW bepaald op 577.550 fr., werd een boete gevorderd van 577.550 fr. en werd de verschuldigde interest bepaald op 1% per maand vanaf 21 januari 1979 tot 20 september 1986 en van 0,8% vanaf 21 september 1986.
Uit de conclusie van de geïntimeerde blijkt dat de N.V. Wattenberghe op 22 februari 1983 had verzaakt aan de reeds verlopen termijn van verjaring.
De administratie heeft bij wijze van bewarende maatregel een bedrag van 838.460 fr. (577.550 fr. BTW, 57.000 fr. boete en 203.910 fr. interest) ingehouden op het creditsaldo dd. 31 oktober 1983 en 86.830 fr. op het creditsaldo dd. 30 april 1985.
Op 15 maart 1989 heeft de Wattenberghe verzet aangetekend tegen het dwangbevel.
De N.V. Wattenberghe hield in hoofdorde voor dat de facturen beantwoordden aan de levering van diensten, dat ze regelmatig werden betaald en geboekt en dat de BTW in aftrek werd gebracht zonder dat dit alles aanleiding gaf tot opmerkingen bij de controle. Zij stelde dat bij W••••••• een onderzoek werd ingesteld naar aanleiding van diens frauduleus faillissement en dat daaruit was gebleken dat de facturen door hem niet als uitgaande facturen werden ingeschreven in zijn verkoopdagboek (en derhalve ook niet genummerd) en dat hij de BTW niet had doorgestort. Op 2 maart 1983 zou de N.V. Wattenberghe dan verwittigd zijn dat zij ten onrechte de BTW in aftrek zou hebben genomen omdat de facturen geen volgnummer hadden.
De N.V. Wattenberghe heeft ingeroepen dat zij de facturen regelmatig had ingeschreven, dat haar boekhouding bewijskrachtig was en dat de bewering van W••••••• , als zou hij nooit belastbare handelingen hebben gesteld voor de N.V., onjuist was. Zij leidde daaruit af dat het dwangbevel onterecht werd uitgevaardigd, dat het diende vernietigd te worden en dat de administratie diende veroordeeld te worden tot de teruggave van de ingehouden bedragen, vermeerderd met de interesten.
De administratie bleef erbij dat de facturen onregelmatig waren en dat ze niet in aanmerking konden genomen worden voor het bepalen van de aftrek. Ook stelde zij dat er geen bewijs was van de levering van de gefactureerde goederen en diensten terwijl deze levering door W••••••• werd ontkend. Zij wees er bovendien op dat de BTW afzonderlijk zou betaald zijn, wat verdacht voorkwam.
De N.V. Wattenberghe antwoordde daar op dat zij niet meer in het bezit was van de nodige stukken uit haar boekhouding of de werfverslagen omdat al deze stukken door de administratie werden meegenomen naar aanleiding van de controle en dat ze niet werden teruggegeven. Zij vroeg de rechter te bevelen dat de administratie deze stukken diende terug te geven om haar in staat te stellen te bewijzen dat de facturen betrekking hadden op werkelijk geleverde prestaties.
De administratie stelde dat zulk onderzoek niet relevant was omdat de facturen, hoe dan ook, niet regelmatig waren en derhalve niet in aanmerking kwamen voor aftrek.
De eerste rechter heeft geoordeeld dat de facturen onregelmatig waren omdat ze geen volgnummer droegen van degene die ze had uitgeschreven en dat er derhalve geen recht op aftrek bestond. Het verzet van de N.V. Wattenberghe werd dan ook afgewezen als ongegrond.
Het hoger beroep
1
Standpunt van de appellante
1.1.
In de beroepsakte herhaalt de N.V. Wattenberghe de argumenten welke zij had aangevoerd voor de eerste rechter en stelt zij dat ten onrechte werd geoordeeld dat het ontbreken van een volgnummer van de leverancier - wat niet wordt betwist - voldoende zou zijn om de aftrek van de BTW te weigeren en dat, minstens, haar de mogelijkheid diende geboden te worden te bewijzen dat de facturen betrekking hadden op werkelijk geleverde prestaties.
De appellante beweert dat de verklaringen welke W••••••• heeft afgelegd, en welke werden opgenomen in een proces-verbaal, niet bewijskrachtig zijn en dat ze strijdig zijn met de voorgelegde stukken waaruit duidelijk zou blijken dat W••••••• de cheques heeft geïnd.
Zij meent ook dat het vermelden van het volgnummer door de leverancier geen absolute vereiste is om een nuttige controle mogelijk te maken zodat de weigering van de aftrek om deze reden niet strookt met het proportionaliteitsbeginsel en getuigt van een overdreven formalisme.
1.2.
De appellante stelt ook dat het K.B. dd. 10 december 1969, dat de voorwaarden bepaalt waaraan de factuur moet voldoen, is aangetast door bevoegdheidsoverschrijding omdat deze voorwaarde niet is voorzien in de wet en het K.B. derhalve iets toevoegt aan de wet en de wetgever nooit de bedoeling zou gehad hebben om de belastingplichtige, die te goeder trouw is, te bestraffen voor fouten welke zouden begaan zijn door de leverancier.
Zij meent dat de Koning zijn bevoegdheid te buiten is gegaan door het inschrijven van een streng formalisme en leidt daaruit af dat het vormgebrek van de facturen op zichzelf niet voldoende is om de aftrek te weigeren.
1.3.
De appellante houdt ook voor dat de regeling van het K.B. dd. 10 december 1969 indruist tegen de Zesde BTW-richtlijn: zij beweert dat de staten slechts bijkomende vermeldingen mogen opleggen voor zover deze nodig zijn om de heffing van de BTW en de controle erop te verzekeren en dat ze de aftrek niet praktisch onmogelijk of buitengewoon moeilijk mogen maken; zij stelt dat de op de factuur voorkomende vermeldingen voldoende zijn om controle mogelijk te maken.
1.4.
De appellante verwijst in conclusie verder nog naar de beginselen van behoorlijk bestuur en beweert dat de facturen door de BTW-administratie werden aanvaard naar aanleiding van een controle op 25 november 1980.
1.5.
Subsidiair stelt de appellante dat de facturen werden opgemaakt, en dat de cheques werden geïnd, door W••••••• , en dit in strijd met de verklaringen welke deze had afgelegd ten overstaan van de ambtenaren die het proces-verbaal hebben opgesteld. De appellante meent dat de administratie dient te bewijzen dat de facturen fictief zouden zijn.
2
Standpunten van de administratie
2.1.
De administratie houdt voor dat niet wordt betwist dat het volgnummer ontbreekt op de facturen, dat de opgestelde processen-verbaal bewijskrachtig zijn en dat de appellante niet het tegenbewijs levert, dat de facturen niet werden opgenomen in de boekhouding van W••••••• , dat deze ook de BTW niet heeft betaald, dat hij verklaarde dat de in de facturen opgenomen prestaties nooit werden geleverd (en zelfs dat hij de facturen niet had opgesteld) en dat de appellante deze beweringen niet heeft aangevochten door het neerleggen van een klacht.
2.2.
De administratie stelt dat het art. 3 § 1 van het K.B. nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde niet is aangetast van een bevoegdheidsoverschrijding en dat het ook niet indruist tegen de bepalingen van de Zesde richtlijn.
2.3.
De administratie beweert ook dat het voor de appellante niet volstaat het bewijs te leveren van de betaling, daar zulks het recht op aftrek niet bewijst en dat uit de verklaringen van W••••••• blijkt dat geen diensten werden gepresteerd ten voordele van de appellante.
2.4.
Verder stelt de administratie dat de door de appellante voorgelegde stukken evenmin een bewijs inhouden van de levering van diensten.
2.5.
Tenslotte beweert de administratie dat de controle, waarnaar de appellante verwijst als steun voor haar standpunt inzake de beginselen van behoorlijk bestuur, slechts een beperkte controle was, waaruit niet kan afgeleid worden dat het ontbreken van een volgnummer van de leverancier, als niet relevant werd aangezien.
Beoordeling
1. Het kan niet betwist worden dat het recht op aftrek van de BTW besloten ligt in het communautair recht, meer bepaald in de tweede en de zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschap en dat dit recht bindend is voor de nationale rechter. Ook de door het Europese Hof gegeven uitleg is bindend voor de nationale rechter.
2. Art. 22, lid 3 van de zesde richtlijn geeft geen opsomming van alle vermeldingen welke een factuur dient te bevatten, maar laat aan de Lidstaten over de criteria vast te stellen volgens welke een document kan geacht worden dienst te doen als factuur op grond waarvan een recht op aftrek kan ontstaan.
Bij arrest van 14 juli 1988 (R.W. 88 - 89, 309) verklaarde het Hof voor recht: "Voor de uitoefening van het recht op aftrek mag evenwel slechts worden vereist dat de factuur nog andere vermeldingen bevat dan die welke in art. 22, lid 3 sub b, van de richtlijn zijn genoemd, voor zover die bijkomende vermeldingen noodzakelijk zijn om de inning van de belasting over de toegevoegde waarde en de controle daarvan door de belastingadministratie te verzekeren. Bovendien mogen die vermeldingen niet zo talrijk of technisch zijn, dat zij de uitoefening van het recht op aftrek nagenoeg onmogelijk of overdreven moeilijk maken".
Gelet op de aard van de huidige betwisting dient het Hof te dezen te onderzoeken of de vermelding van het volgnummer van W••••••• (leverancier) noodzakelijk was om de inning van de BTW en de controle daarvan door de belastingadministratie te verzekeren. Dit blijkt niet het geval te zijn daar W••••••• voldoende werd geïdentificeerd door vermelding van zijn naam, adres, handelsregisternummer en BTW-nummer en daar de inschrijving in zijn boekhouding op een eenvoudige wijze kon nagegaan worden aan de hand van de datum van de factuur, de identiteit van de bestemmeling ervan (d.i. de appellante) en het bedrag. Het vermelden van het volgnummer was misschien van aard deze opzoeking nog te vereenvoudigen (te weten wanneer W••••••• een groot aantal facturen zou hebben opgesteld op dezelfde datum) maar het ontbreken ervan kon niet van aard zijn de opzoeking op een betekenisvolle wijze te storen en de controle te bemoeilijken.
Het ontbreken van dit volgnummer is te dezen dan ook niet relevant bij de beoordeling van het geschil.
De argumenten met betrekking tot de bevoegdheidsoverschrijding en de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, dienen niet onderzocht te worden daar zij niet dienend zijn nu het Hof van oordeel is dat het opleggen van deze verplichting niets wezenlijks bijdraagt voor de inning en de controle, zodat deze verplichting indruist tegen de geest van het communautair recht.
3. De factuur kan enkel dienen als een bewijsmiddel voor de aftrek van de voorbelasting doch het louter bestaan ervan kan, op zichzelf, het recht op aftrek niet doen ontstaan.
Te dezen voert de administratie ernstige vermoedens aan welke doen twijfelen aan de juistheid van de factuur, te weten het feit dat W••••••• de facturen niet heeft ingeschreven en de BTW dan ook niet heeft betaald, het feit dat W••••••• (die onvermogend is en van wie derhalve toch geen betaling kan gevorderd worden) zelfs heeft ontkend dat diensten werden geleverd en dat een factuur werd opgesteld en dat hij de betalingen zou hebben ontvangen, en het feit dat de hoofdsom en de BTW afzonderlijk betaald werden, wat verdacht voorkomt.
De appellante beweerde voor de eerste rechter en ook in de beroepsakte, dat zij de juistheid van de facturen kon bewijzen. Zij stelde echter dat de daartoe vereiste stukken in beslag werden genomen door de administratie en vroeg dat het Hof zou bevelen dat de administratie deze stukken zou teruggeven. Uit de door de administratie voorgelegde stukken blijkt dat aan de appellante alle stukken werden teruggegeven op 24 maart 1995 - dit wordt ook niet betwist.
Welnu:
- voor de eerste rechter beweerde de appellante in conclusie dat de werken door W••••••• werden uitgevoerd "in onderaanneming" terwijl uit de facturen blijkt dat het enkel zou gaan om ter beschikking stelling van personeel; er werden enkel werkuren, en voor één factuur ook (maar niet voor alle daarop vermelde werken) verplaatsingskosten, aangerekend;
- de door de appellante ingeroepen en voorgelegde stukken 8, zijnde vorderingsstaten welke zij heeft opgemaakt en gericht aan de Regie der Gebouwen, bewijzen geenszins dat personeel van W••••••• zou gewerkt hebben voor rekening van de appellante en bevatten geen enkel nuttig element - er werden daarop zelfs geen werkuren vermeld.
Daar de appellante de juistheid van de facturen - welke door de administratie op ernstige gronden wordt betwist - niet kan aantonen, en derhalve haar recht van aftrek niet kan bewijzen, werd het verzet tegen het dwangbevel terecht ongegrond verklaard.
Dispositif
Op deze gronden,
het Hof,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond en bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis, weze het op andere gronden.
Veroordeelt de appellante tot de kosten van de aanleg in haren hoofde niet te begroten gezien ze eigen blijven en in hoofde van de geïntimeerde begroot op 16.400 fr. rechtsplegingsvergoeding, volgens opgave.
Les noms de personnes physiques que la version diffusée par le SPF Finances laissait en clair ne sont pas republiés ici : ils sont réduits à leur initiale. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.