Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
En-tête de la décision
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 04.11.2013
(12/1893/A)
Taxe sur la valeur ajoutée - Contrainte - Procès-verbal - Principe de confiance légitime - Amende
Synthèse
Une date erronée mentionnée sur l'acte de délivrance d'une contrainte est une erreur matérielle qui n'entraîne pas la nullité de la contrainte dans la mesure où elle ne viole pas les droits de la défense.
Le respect du principe de confiance légitime requiert non seulement que des attentes aient été créées par l'administration fiscale mais que celles-ci soient justifiées.
L'amende de 200% a été réduite à 20% car il n'est pas prouvé que la demanderesse a sciemment et volontairement ignoré les règles en matière de TVA. L'intention d'éluder n'est dès lors pas prouvée.
Note pour l'administration
Appel par l'assujetti.
La décision est publiée uniquement dans la langue originale
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 04/11/2013
12/1893/A
Texte intégral
Corps de la décision
In de zaak van:
BVBA S., vennootschap in vereffening voorheen met zetel te..., ondernemingsnummer ..., vertegenwoordigd door de heer . P. H. qq. wonende te..., in zijn hoedanigheid van vereffenaar,
EISERES, voor wie optreedt mr. S.S. , advocaat te ...
tegen:
BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Wetstraat 12 te 1000 Brussel, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de eerstaanwezend
inspecteur van het BTW-OntvangkantoorAalst, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9300Aalst, Dr.André Sierensstraat 16,
VERWEERDER, voor wie optreedt de heer F. V., inspecteur bij een fiscaal bestuur,
Vonnist de rechtbank als volgt:
1. DE RECHTSPLEGING
De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 7 oktober 2013 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder de gedinginleidende akte van verzet met dagvaarding van 18 mei 2012, de conclusies van partijen en hun stukkenbundels.
2. DE VORDERING
De vordering van eiseres strekt er achtereenvolgens toe:
- In hoofdorde: het betwiste dwangbevel te vernietigen en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn;
- In ondergeschikte orde: de opgelegde BTW-boete kwijt te schelden, minstens aanzienlijk te verminderen of de tenuitvoerlegging ervan uit te stellen;
- Verweerder te veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van bedragen ten titel van BTW, geldboeten en interesten, die reeds door eiseres werden betaald of door verweerder werden ingehouden ter delging van de beweerde BTW-schuld, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten;
- Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegings- en uitgavenvergoeding, begroot op 16.500,00 EUR.
Dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal of hoger beroep en met uitsluiting van het kantonnement.
3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL
De BVBA S. identificeert zichzelf als een medisch secretariaat dat diensten verleent aan klinische laboratoria.
Op 14 december 1995 vaardigde de BTW-administratie een dwangbevel uit lastens eiseres waarbij op grond van een proces-verbaal van 22 januari 1996 achterstallige BTW werd ingevorderd over een periode van 1 april 1990 tot 31 december 1993. De administratie zou in het bijzonder van oordeel zijn geweest dat eiseres dienstenprestaties verricht in de zin van artikel 18 W.BTW.
Bij brief van 7 februari 1996 drong eiseres bij monde van haar raadsman aan op de schorsing van de invordering van het dwangbevel in afwachting van verder onderzoek.
De voornoemde vereffenaar werd bij aangetekend schrijven van 3 december 2008 opnieuw in kennis gesteld van het dwangbevel van 14 december 1995.
Eiseres liet vervolgens op 18 mei 2012 een akte van verzet met dagvaarding betekenen, waardoor het geschil aan de beoordeling van deze rechtbank werd voorgelegd.
4. BEOORDELING.
4. 1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid
Verweerder voert zelf geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.
Nu de rechtbank evenmin enige ambtshalve op te werpen gronden van onontvankelijkheid kan aantreffen, moet de vordering van eiseres alvast ontvankelijk worden bevonden.
4.2. Met betrekking tot de grond van de zaak
- Betreffende de vermeende nietigheid van het dwangbevel
4.2.1. Na een overzicht van alle vereisten waaraan het dwangbevel dient te voldoen, besluit eiseres dat dit stuk als nietig moet worden beschouwd, bij gebrek aan een rechtsgeldig en in motieven ondersteunend proces-verbaal op het moment van het uitvaardigen ervan.
Het dwangbevel, uitgevaardigd op 14 december 1995, zou ter ondersteuning immers verwijzen naar een proces-verbaal van 22 januari 1996. Dit is volgens eiseres onmogelijk en zou zelfs neerkomen op een valsheid in geschrifte door een openbaar ambtenaar.
De administratie zou voor zichzelf geen uitvoerbare titel kunnen creëren voor een belastingschuld die ze zelf (nog) niet bewezen acht.
4.2.2. Verweerder wijst er anderzijds op dat gezien de andere vermelde data (proces-verbaal van 22 januari 1996, dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 30 januari 1996 en de kennisgeving op 31 januari 1996) er redenen zijn om aan te nemen dat de datum van uitvaardiging van het dwangbevel een materiële misslag betreft.
Deze vergissing zou niet beletten dat eiseres kennis heeft kunnen nemen van voorwerp en oorzaak van de navordering en hieromtrent haar rechten heeft kunnen laten gelden.
Materiële vergissingen zouden niet in een nietigheid resulteren voor zover zij de rechten van verdediging onaangetast laten.
4.2.3. De rechtbank treedt verweerder bij dat de samenlezing van de stukken aantoont dat de in stuk 2 van verweerder vermelde datum van uitvaardiging van het dwangbevel, te weten 14 december 1995, een eenvoudige materiële vergissing betreft, en dus geen valsheid, hetwelk een moreel element veronderstelt.
Het dwangbevel verwijst woordelijk en inhoudelijk naar het proces-verbaal van 22 januari 1996, dat dus geacht moet worden bij de uitvaardiging reeds voorhanden . te zijn geweest ter ondersteuning en motivering van het dwangbevel. Het dwangbevel werd aldus in de tijd voorafgegaan door het proces-verbaal, niet omgekeerd. Het dwangbevel zelf werd vervolgens geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 30 januari 1996 en daags nadien aan eiseres verzonden.
De begane vergissing heeft eiseres anderzijds niet gehinderd in het voeren van haar verdediging, noch heeft zij aan de zijde van eiseres enige dwaling of verwarring gecreëerd nopens de grondslag van de invordering en het standpunt van de administratie.
Betreffende de vrijstelling van BTW . 4.2.4. Eiseres argumenteert dat haar activiteiten genieten van de vrijstelling van BTW krachtens de gecombineerde toepassing van artikel44, §1, 20 en 44, §2, 10
W.BTW.
In tegenstelling tot wat de administratie beweert, zou eiseres nooit andere diensten zoals personeelsbeheer en boekhoudkundige prestaties hebben . verricht.
De afleidingen die de betrokken ambtenaar maakt uit de niet voorgelegde overeenkomsten, hebben volgens eiseres geen bijzondere bewijskracht.
De houding van de administratie zou bovendien strijdig zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur aangezien haar activiteiten in het verleden steeds zouden zijn beschouwd als vrijgestelde handelingen. Eiseres citeert ter onderbouwing van dit standpunt uitvoerig uit de rechtspraak.
4.2.5. Verweerder wijst er op zijn beurt op kennis te hebben genomen van bescheiden opgemaakt door of voor eiseres, welke het bestaan zouden aantonen van diverse overeenkomsten tussen eiseres en laboratoria voor klinische analyses.
De hierin bepaalde handelingen kunnen volgens verweerder enkel beschouwd worden als dienstenprestaties in de zin van artikel 18 W. BTW. Verweerder is immers van oordeel dat het gaat om de uitvoering van een contract dat een materieel of intellectueel werk tot voorwerp heeft.
Op basis van de ingediende resultatenrekening zou verweerder alsnog de omzet . hebben bepaald, dienstig als maatstaf voor het berekenen van de verschuldigde BTW.
Eiseres zou dus wel degelijk meer prestaties hebben verricht dan deze die de afname en het transport van bloedstalen en de administratieve verwerking van de resultaten ervan betreft.
Het bestaan en de echtheid van de overeenkomsten zou niet door eiseres kunnen worden ontkend. In het proces-verbaal zou de ambtenaar enkel de door hem hieromtrent vastgestelde gegevens
De door eiseres in het verleden genomen beslissing zou een andere vennootschap betreffen. Waar eiseres verder nog een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur wil afleiden uit een brief van haar raadsman van 12 september 1995, wijst verweerder op het eigen antwoordschrijven van 13 september 1995.
4.2.6. De bijzondere bewijswaarde welke kleeft aan de inhoud van het proces-verbaal van een fiscale ambtenaar strekt zich slechts uit tot de materiële vaststellingen van de betrokkene en niet tot de juridische of andere gevolgtrekkingen die de bedoelde ambtenaar aan deze vaststellingen koppelt.
Deze materiële vaststellingen betreffen in dit geval enerzijds de geciteerde inhoud van de aangetroffen overeenkomsten tussen eiseres enerzijds en laboratoria voor klinische analyses anderzijds en het schrijven van de eigen raadsman van eiseres van 11 augustus 1995 waarin over de inhoud van deze overeenkomsten werd uitgeweid (stuk 1 eiseres).
Het bestaan van deze overeenkomsten wordt niet met zoveel woorden betwist door eiseres.
Evenmin verwijt zij de betrokken ambtenaar enige fout of vergissing te hebben begaan bij de letterlijke weergave van de inhoud van de door hem nagekeken . stukken in het proces-verbaal.
De materiële vaststellingen, in deze bestaande uit de weergegeven citaten uit briefwisseling en overeenkomsten, zijn met de bedoelde bijzondere bewijswaarde bekleed. De inhoud hiervan dient derhalve als vaststaand te worden aanvaard, behoudens bewijs van het tegendeel.
Een dergelijk bewijs wordt in deze niet aangereikt door eiseres.
Van de belasting zijn enkel vrijgesteld de diensten door de nagenoemde personen verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid:
2° artsen, tandartsen, kinesitherapeuten, vroedvrouwen, verplegers en verpleegsters, verzorgers en verzorgsters, ziekenoppassers en ziekenoppassters, masseurs en masseuses, van wie de diensten van persoonsverzorging zijn opgenomen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;
§2 (...)
1° de diensten en de leveringen van goederen die daarmee nauw samenhangen in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid verricht door ziekenhuizen, psychiatrische inrichtingen, klinieken en dispensaria, het vervoer van zieken of gewonden met speciaal daartoe uitgeruste vervoermiddelen (artikel 44, §1, 2° en §2, 1° W. BTW).
Eiseres beweert weliswaar dat haar prestaties in de relevante periode beperkt waren tot de afname en het transport van bloedstalen enerzijds en de administratieve verwerking van de resultaten van de analyses door de klinische laboratoria, welke recht geven op de toepassing van de bovenvermelde vrijstelling, maar legt geen objectieve stukken voor die deze eenzijdige bewering
kracht bijzetten.
Tegen het proces-verbaal brengt eiseres enkel wat algemene, louter theoretische grieven in, met verwijzingen naar rechtspraak. Concrete, bewijskrachtige stukken nopens activiteiten, andere dan deze die door de controlerende ambtenaar werden vermeld, worden niet bijgebracht.
De activiteiten, zoals deze blijken uit de vaststellingen van de administratie, werden derhalve door de administratie terecht gekwalificeerd als belastbare handelingen in de zin van artikel 18 W.BTW, nu zij de uitvoering betreffen van een contract dat hoofdzakelijk intellectueel werk tot voorwerp heeft. De gelijktijdige uitvoering van prestaties die krachtens de hierboven aangehaalde wetsbepalingen van BTW zijn vrijgesteld, wordt niet met stukken aangetoond.
Eiseres faalt tot slot ook in het beroep op de beginselen van behoorlijk bestuur, en in het bijzonder het vertrouwensbeginsel.
De door eiseres tot staving voorgelegde stukken nrs. 1 en 2 betreffen vooreerst een andere vennootschap, zodat eiseres hieruit alvast niet het bestaan van enige tegenover haar opgewekte schijn van verwachtingen kan afleiden.
Ook het stuk 4 van eiseres kan geen plots gewijzigde houding van de administratie staven, gezien het door de administratie op dit schrijven gevoegde antwoord, vervat in haar stuk nr. 5.
De toepassing van het vertrouwensbeginsel vereist overigens niet alleen dat door de belastingdiensten bepaalde verwachtingen worden opgewekt, deze verwachtingen moeten bovendien gerechtvaardigd zijn.
Voor zover de administratie nopens de bedoelde overeenkomsten in het verleden al enig afwijkend standpunt zou hebben ingenomen, - wat niet uit de stukken blijkt -, blijkt uit de bovenstaande beoordeling dat dit alleszins zou indruisen tegen de duidelijke wetsbepalingen ter zake. In die zin kunnen hieruit in elk geval ook geen gerechtvaardigde verwachtingen aan de zijde van eiseres zijn ontstaan.
- Voor wat de administratieve boete betreft
4.2.7. Eiseres is van oordeel dat de haar opgelegde boete van 200% niet op afdoende werd gemotiveerd.
Bovendien zou deze boete ten onrechte niet zijn verminderd overeenkomstig de in het KB nr. 41 vastgestelde regels. Het frauduleuze oogmerk te haren laste zou immers niet uit het proces-verbaal blijken.
De opgelegde boete heeft volgens eiseres het karakter van een strafsanctie, hetgeen deze rechtbank de bevoegdheid zou verschaffen de boete volledig kwijt te schelden en deze te toetsen aan de vereiste van de redelijke termijn.
Eiseres vordert de rechtbank derhalve deze boete volledig kwijt te schelden, minstens uitstel te verlenen in de tenuitvoerlegging ervan.
4.2.8. Verweerder repliceert dat de vermindering overeenkomstig het KB nr. 41 niet kan worden toegepast bij overtredingen die worden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken.
In deze context wijst hij er op dat eiseres systematisch belastbare handelingen heeft gesteld, en dit gedurende meerdere jaren, zonder zich ooit als BTW-belastingplichtige te laten registreren.
De rechtbank zou de boete ten andere niet kunnen kwijtschelden of verminderen om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid.
4.2.9. De artikelen 70§1 en §1bis W.BTW luiden als volgt:
"§1
Voor iedere overtreding van de verplichting -de belasting te voldoen, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.
Die geldboete is verschuldigd individueel door ieder die krachtens de artikelen 51, §§ 1, 2 en 4, 51bis, 52, 53, 53ter, 53nonies, 54, 55 en 58 of krachtens de ter uitvoering ervan genomen besluiten, gehouden is tot voldoening van de belasting.
§ 1bis
Ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, verbeurt een geldboete gelijk aan het dubbel van die belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van § 1, eerste lid".
Artikel 84, derde lid W. BTW voorziet dat het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald worden volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
Het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt een schaal van vermindering, die rekening houdt met het karakter van de begane onregelmatigheid, zoals onder meer die ten gevolge van de onwetendheid, de vergissing of de onzorgvuldigheid.
De tabellen tot vermindering van deze boeten vastgelegd bij KB nr. 41 inuitvoering van artikel 84 W. BTW, zijn uitsluitend van toepassing wanneer de inbreuk niet begaan werd met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking erven mogelijk te maken.
De toepassing van het KB nr. 41 werd in dit geval geweigerd, gezien de vaststelling van het oogmerk van belastingontduiking aan de zijde van eiseres.
Met toepassing van artikel 70, §1 bis WBTW werd integendeel een boete opgelegd die het dubbele bedraagt van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.
4.2.10. Teneinde na te gaan of de opgelegde boete in wezen een strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM en 14 BUPO-verdrag, dient toepassing te worden gemaakt van de criteria, aangereikt door de rechtspraak van het Hof van Cassatie
(cf. Cass. (2e k.) AR. P.99.0517.N, 25 mei 1999 (L.), Arr. Cass. 1999, 719).
Bijgevolg dient de rechtbank te onderzoeken of de boete:
1. zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft;
2. een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt;
3. niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen;
4. stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk tezelfdertijd preventief en repressief is.
5. zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan.
Indien na afweging van al deze elementen blijkt dat de strafechtelijke aspecten de doorslag geven, moet de administratieve sanctie inzake belasting bijgevolg als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen worden beschouwd.
Na afweging van al deze elementen komt de rechtbank tot het besluit dat de administratieve sanctie in dit geval inderdaad strafechtelijk van aard is. Deze boete is tegelijk gericht op het bestraffen van eiseres voor de gepleegde inbreuken en het ertoe aanzetten van eiseres om in de toekomst de wettelijke bepalingen inzake BTW correct toe te passen. Bovendien is het bedrag van de boete ook vanuit pecuniair oogpunt als een zwaarwichtige sanctie te beschouwen.
Deze administratieve boete kan worden aangevochten bij een rechter die oordeelt met volle rechtsmacht. De rechter aan wie een administratieve sanctie met strafkarakter wordt voorgelegd, moet zich immers buigen over de vraag of deze boete in rechte en in feite verantwoord is en of zij strookt met alle relevante wettelijke bepalingen en algemene beginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Toetsing van dit laatste aspect vereist een onderzoek van de vraag of de straf zich evenwichtig verhoudt tot de inbreuk en of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een boete van dergelijke omvang. Deze evenredigheidstoets vereist van de rechtbank een onderzoek naar alle concrete omstandigheden van de zaak.
De rechter mag hierbij acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Ook de mate waarin het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, maakt deel uit van de beoordeling. Niets van wat onder de beoordeling van de fiscale administratie valt, mag bijgevolg aan de controle van de rechtbank ontsnappen (Grondwettelijk Hof 24 februari 1999, B.S. 30 april 1999; Cass. 24 januari 2002, F.J.F. nr. 2003/30).
Het behoort onder meer tot de bevoegdheid van de fiscale administratie om boeten kwijt te schelden of te verminderen (art. 9 Organiek besluit 18 maart 1831 . van het bestuur van 's lands middelen, Bull. Off. Nr. XXVI). Deze bevoegdheid is ook na de hervorming van de fiscale procedure in 1999 geheel intact gebleven.
In dit verband heeft het Grondwettelijk Hof terecht geoordeeld dat de rechter ook een toezicht met volle rechtsmacht kan uitoefenen op de beslissing van de minister van Financiën of diens gedelegeerde tot weigering van de kwijtschelding of vermindering van de ten aanzien van de belastingschuldige uitgesproken geldboete (Grondwettelijk Hof 15 mei 2008, nr 2008/79).
4.2.11. Aansluitend haalt de rechtbank tevens aan dat een dwangbevel inzake belasting op toegevoegde waarde een bestuurshandeling uitmaakt waarop de Wet Motivering Bestuurs-handelingen van toepassing is zodat de administratie de . juridische grondslagen en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de grondslag liggen van de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd (cf. Cass. (1e k) AR C.03.0354.N, 1 december 2005 (Belgische Staat / F.E.I., Q..B.) FJF 2007, afl. 3, 202 en http://www.monkey.be (1 september 2008)).
De belastingplichtige moet aldus in de mogelijkheid worden geplaatst te onderzoeken op welke gegevens het dwangbevel berust en op welke wijze de gevorderde bedragen werden berekend. Het geheel van deze gegevens moet de belastingplichtige aldus toelaten met kennis van zaken een gemotiveerd verzet aan te tekenen. Zodra blijkt dat de inhoud van het dwangbevel daartoe volstond, kan het bestuur geacht worden aan de motiveringsplicht te hebben voldaan.
De vordering van de administratie krijgt definitief gestalte bij het opmaken van het dwangbevel met aangehecht proces-verbaal (cf. Rb. Gent (6e k.) 24 oktober 2002, FJF 2003, afl. 4, 544 en http://www.monkey.be (1 september 2008) en http://tfrnet.larcier.be (12 mei 2003). Bij de redactie van het dwangbevel moet de administratie derhalve enkel die gegevens vermelden die haar vordering in rechte en in feite ondersteunen, zonder er op dat ogenblik reeds toe gehouden te
zijn de eventueel reeds door de belastingplichtige aangevoerde grieven te weerleggen.
4.2.12. De rechtbank stelt vast dat de administratie in het proces-verbaal weliswaar besloot tot het bestaan van een oogmerk om belastingen te ontduiken of de ontduiking mogelijk te maken, doch zonder dat de administratie daarbij de concrete gegevens aanhaalde waaruit zij deze conclusie afleidde.
Pas ter gelegenheid van de conclusies voor deze rechtbank verduidelijkt verweerder uitdrukkelijk welke omstandigheden hem precies tot het besluit van frauduleus opzet hebben gebracht.
De juridische grondslag van de vordering kan na het betekenen van het dwangbevel niet meer worden gewijzigd. Met een in besluiten (neergelegd voor de rechtbank) bijkomende motivering van het dwangbevel, kan dan ook geen rekening worden gehouden (cf. Rb. Gent 3 oktober 2008 FJF 2009 (samenvatting), afl. 4, 417 en http://www.monkey.be (19 mei 2009); TFR 2010,
afl. 373, 55 en http://tfrneUarcier.be (26 januari 2010)
De Wet Motivering Bestuurshandelingen noch enige andere wettelijke bepaling belet anderzijds niet dat na het opstellen van een proces-verbaal en een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, het bestuur nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert, op voorwaarde dat deze argumenten en gegevens dienen ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld (cf. Casso (1e k.) AR C.03.0354.N, 1 december 2005 (Belgische Staat I Fidelity Electronics Int., a.B.) Arr.Cass. 2005, afl. 12,2405, concI. THIJS, O.; FJF 2007, afl. 3, 202 en http://www.monkey.be (1 september 2008); http://www.cass.be(4januari2006).concI.THIJS. O.; Pas. 2005, afl. 12,2396; TBP 2007 (weergave MEERSSCHAUT, F.), afl. 7, 430; TFR 2006, afl. 307, 712 en http://tfrnetiarcier.be(250ktober2006),concI.THIJS, D., noot KIEKENS, A.
In dit geval blijkt in het proces-verbaal evenwel geen enkele feitelijke grondslag aan te reiken voor het oogmerk tot ontduiking, dat het opleggen van een boete aan 200% rechtvaardigt. Dergelijke boete is bijgevolg onwettig en kan aldus geen toepassing vinden.
De rechtbank weet zich ten andere ook aan de hand van de achteraf in conclusie ingeroepen motivering niet overtuigd van het bestaan van dergelijk oogmerk. Uit de stukken blijkt dat eiseres als medisch secretariaat handelde op grond van overeenkomsten met laboratoria voor klinische analyse en daaruit onterecht het besluit heeft afgeleid dat zij kon genieten van de vrijstelling van BTW. Dat hier enig doelbewust handelen, gericht op het omzeilen van de BTW, mee gepaard ging, wordt hiermee nog niet aangetoond. Ook de tijdspanne waarover deze handelingen werden verricht, is op zichzelf niet doorslaggevend, aangezien het op zich niet verwonderlijk is dat de belastingplichtige volhardt in de foutieve toepassing van de wet zolang hem vanuit de administratie
De rechtbank acht het dan ook niet bewezen dat eiseres wetens en willens de bepalingen inzake BTW heeft genegeerd .
Er bestaat bijgevolg aanleiding om deze boete te verminderen tot 20 % van de verschuldigde BTW bij toepassing van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW (boete inzake omzet).
- Voor wat betreft de kosten van het geding
4.2.13. Wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk werden gesteld, kan de rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (artikeI1017, lid 3 Ger. Wb.).
De vordering van eiseres is in geld waardeerbaar en dient voor de bepaling van het toepasselijk tarief van de rechtspleqinqsverqoedlnq te worden gesitueerd in de schijf boven 1.000.000,01 EUR, overeenstemmend met een basisbedrag van 16.500,00 EUR.
Er worden geen gronden aangevoerd die een afwijking van het basistarief verantwoorden.
Rekening houdend met de mate waarin de vordering door de rechtbank werd herleid, komt het billijk en passend voor de aan eiseres verschuldigde rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig tot de helft te herleiden.
- Voor wat de uitvoerbaarheid bij voorraad betreft
4.2.14. lngevolge artikel 377 WIB 1992 en artikel 92bis W.BTW kan een vonnis in fiscale zaken niet uitvoerbaar worden verklaard bij voorraad .
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Recht doende op tegenspraak.
Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de
wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden
nageleefd.
Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, en in de hierna bepaalde mate gegrond.
Zegt voor recht dat de aan eiseres bij dwangbevel, verzonden op 31 januari 1996, opgelegde geldboete van 200% onwettig is en met toepassing van het KB nr. 41 dient te worden herleid tot een boete van 20% van het bedrag van de verschuldigde BTW.
Veroordeelt verweerder dienvolgens tot terugbetaling aan eiseres van alle bedragen, die reeds door eiseres werden betaald of door verweerder werden ingehouden ter delging van het gedeelte van de geldboete dat de bedoelde 20% . overstijgt, te verhogen met de wettelijke interesten vanaf de datum van betaling of inhouding.
Wijst het meer of anders gevorderde af als ongegrond.
Veroordeelt verweerder tevens tot de kosten van het geding aan de zijde van eiseres.
Begroot deze kosten op het herleide bedrag van de rechtsplegingsvergoeding van 8.250,00 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op vier november tweeduizend en dertien, waar aanwezig waren:
mevrouw A D.C., rechter, voorzitter van deze kamer,
mevrouw G.L., griffier.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.