Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Corps de la décision
ARRET G 00/25
Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 20.12.2000
TVA - Contrainte - Opposabilité
L'appelant a été condamné à une peine de prison et à une amende fiscale pour infraction à la législation TVA L'administration TVA pouvait démontrer son préjudice sur la base de paramètres estimés, tels que les taxes éludées, les amendes fiscales, les intérêts et les frais. L'administration de la TVA souhaitait percevoir sa créance en décrétant une contrainte. L'appelant fait opposition à cette contrainte, en ce que l'administration de la T.V.A ne disposait pas d'un jugement coulé en force de chose jugée. L'appelant avait en effet intenté un pourvoi en cassation contre sa condamnation. La cour se range au point de vue de l'appelant et annule la décision du tribunal de première instance de Gand statuant en référé.
13° Kamer
Alleenrechtsprekend Kamervoorzitter: Dhr. L. Gallet
Griffier: Dhr. C. Sonneville
Partij: B••••• J•••-P••••• t. De Belgische Staat
Rolnr.: 1998/RK/306
Velt het Hof het volgend arrest:
Bij akte van gerechtsdeurwaarder aan de geïntimeerde betekend op 11 september 1998 en ter griffie van het Hof neergelegd op 15 september 1998 heeft de appellant tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen de beschikking op 1 september 1998 in kort geding verleend door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Gent.
De feiten
Bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 29 maart 1995 werd de appellant veroordeeld tot een gevangenisstraf en een fiscale geldboete voor inbreuken op de BTW-wetgeving. De BTW-administratie had zich burgerlijke partij gesteld en bekwam de veroordeling tot betaling van een provisie van 1 fr. In de overwegingen werd gezegd dat de administratie "de hoegrootheid van de schade kan en mag bepalen aan de hand van de begrotingsparameters zoals de ontdoken belastingen, fiscale boeten, intresten en kosten".
In toepassing van art. 73 sexies BTW-wetboek was de appellant dientengevolge hoofdelijk gehouden tot de betaling van de ontdoken belasting.
Op 18 januari 1996 werd door de BTW-administratie een proces-verbaal opgesteld waarbij van de appellant betaling werd gevorderd van 3.484.826 fr. De appellant werd uitgenodigd tot minnelijke betaling en omdat deze geweigerd werd, werd op 9 februari 1996 een dwangbevel uitgevaardigd; dit bevel werd, behoorlijk geviseerd en uitvoerbaar verklaard, aan de appellant betekend op 1 maart 1996.
Op 27 maart 1996 heeft de appellant verzet aangetekend tegen dit dwangbevel.
Op 21 januari 1997 heeft de geïntimeerde een dagvaarding betekend waarbij, in toepassing van art. 92, eerste lid TW-wetboek, in kort geding, de veroordeling werd gevraagd tot provisionele betaling van 3.484.826 fr., vermeerderd met de interest.
De appellant vorderde de afwijzing van dit verzoek en hield voor dat de geïntimeerde niet beschikte over een in kracht van gewijsde gegane veroordeling omdat hij op 7 april 1995 een cassatievoorziening had ingediend tegen de veroordeling d.d. 29 maart 1995.
De appellant stelde een tegeneis en vorderde een schadevergoeding van 200.000 fr. wegens tergend en roekeloos geding.
Bij beschikking d.d. 1 september 1998 werd het verzoek van de administratie ingewilligd en werd de appellant veroordeeld tot betaling van de gevorderde provisie. De eerste rechter stelde dat de voorziening in cassatie werd verworpen bij arrest d.d. 9 december 1997, zodat de veroordeling van de appellant definitief geworden was en dat hij op dit arrest kon steunen, ook al werd dit uitgesproken nadat het dwangbevel werd betekend omdat rekening diende gehouden te worden met de sindsdien opgetreden nieuwe of aanvullende gegevens.
De tegeneis van de appellant werd afgewezen.
Het hoger beroep
De appellant voert voor het Hof aan:
- dat hij niet was veroordeeld bij een in kracht van gewijsde gegaan arrest;
- dat het voormeld art. 92, eerste lid lechts kan toegepast worden wanneer het verzet tegen het dwangbevel niet op ernstige gronden berust, wanneer het een loutere vertragingsmaatregel is of wanneer een gedeelte van de schuldvordering van de Staat niet betwist wordt, en dat geen van deze gevallen zich voordeed;
- dat hij dan ook terecht aanspraak heeft gemaakt op een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding.
De appellant houdt dus voor dat de administratie slechts tegen hem een vordering kan instellen wanneer hij is veroordeeld door een in kracht van gewijsde gegane veroordeling en dat een dergelijke veroordeling onbestaande was op het ogenblik waarop het dwangbevel werd uitgevaardigd omdat een voorziening in cassatie was ingediend tegen het arrest van 29 maart 1995.
De geïntimeerde beweert dat het cassatieberoep van de appellant beperkt was tot de veroordeling tot betaling van een provisie aan de administratie der directe belastingen en dat hij geen cassatievoorziening had ingediend tegen de veroordeling tot betaling van een provisionele schadevergoeding aan de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen. Daaruit leidt de geïntimeerde af dat aan alle voorwaarden is voldaan om toepassing te maken van art. 92, eerste lid mdat het verzet tegen het dwangbevel niet ernstig kan genoemd worden en het louter dilatoir is en er een akkoord bestaat over het feit dat zij kan vorderen op grond van art. 73 sexies BTW-wet alsook op grond van de stelling van burgerlijke partij, en de appellant heeft toegegeven dat hij valse facturen heeft ingebracht. Verder houdt de geïntimeerde voor dat de belangen van de Schatkist in gevaar waren. En tenslotte stelt zij dat het Cassatiearrest d.d. 9 december 1997 heeft bevestigd dat de voorziening niet ernstig was en dat de rechter in kort geding rekening moet houden met de toestand zoals deze zich voordoet op het ogenblik van de uitspraak.
Zij vraagt dan ook de bevestiging van de bestreden beschikking.
Beoordeling
1
De rechtsgrond van de vordering van de geïntimeerde
Het (toenmalig en toepasselijk) art. 92, eerste lid TW-wetboek luidt als volgt: 'Belastingschuldigen die tegen het dwangbevel verzet doen, kunnen op de vervolging, ingesteld door de administratie die bevoegd is voor de belasting over de toegevoegde waarde en voor het vonnis dat het geschil beslecht, volgens de rechtspleging in kort geding veroordeeld worden om, binnen een door de rechter te bepalen termijn, voor de bij het dwangbevel gevorderde sommen of voor een gedeelte ervan een provisionele storting te verrichten of een borgtocht te verlenen. De beschikking van de rechter is uitvoerbaar niettegenstaande beroep. De belastingsschuldige kan worden gemachtigd die zekerheden te vervangen door een door de administratie erkende persoonlijke borg".
Dit artikel wil voorkomen dat de belastingschuldige door vertragingsmanoeuvres de betaling van verschuldigde belastingen langdurig uitstelt en de inning ervan vertraagt. Deze provisionele storting wordt gevraagd wanneer het verzet niet op ernstige gronden steunt en ze derhalve louter vertragend is of wanneer de vordering voor een deel niet betwist wordt.
Te dezen steunt de vordering van de administratie op de bewering dat het verzet manifest ongegrond is.
De administratie ontkent niet dat in de circulaire Ci.D.19/329.460 d.d. 5 februari 1982 ( Bull. Bel. 1982, blz. 468, nr. 348/3 werd gesteld: "De ontvanger kan iedereen als hoofdelijk medeschuldenaar van belasting vervolgen, die als mededader van of medeplichtige aan één van de misdrijven bedoeld in de art. 341, 342, 343 en 344 W.I.B. is veroordeeld door een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest" (onderstreping door het Hof).
2
Had het arrest d.d. 29 maart 1995 kracht van gewijsde op het ogenblik waarop de geïntimeerde de vordering op grond van art. 92, eerste lid BTW-wetboek heeft ingeleid
"In strafzaken heeft een uitspraak kracht van gewijsde als ze niet meer vatbaar is voor hoger beroep, voor verzet in de gewone termijn of voor cassatieberoep. De definitie van art. 28 Ger. W. is hier dus niet van toepassing. Pas als ze voor geen rechtsmiddel meer vatbaar is, mag de beslissing van de rechter in principe worden uitgevoerd" (Raoul Declercq : Beginselen van strafrechtspleging, blz. 92, nr. 217).
"De tenuitvoerlegging van het vonnis of arrest wordt om te beginnen opgeschort zolang de termijn voor cassatieberoep loopt.... Het ingestelde cassatieberoep heeft verder schorsende kracht. Het vonnis of arrest verkrijgt geen kracht van gewijsde, is niet voor tenuitvoerlegging vatbaar en kan niet als basis dienen voor een staat van herhaling... Dat geldt voor de beslissingen van de strafrechter zowel op burgerlijk gebied als op strafgebied. Dat de burgerlijke partij tot tenuitvoerlegging zou mogen overgaan ondanks een ingesteld cassatieberoep is onjuist. Het is de regel die geldt in het gerechtelijk privaatrecht (art. 28 en 1397 Ger. W.), maar niet verenigbaar is met de regelen die gelden voor de strafgerechten" (idem, blz. 760, nr. 2097). Het is echter wel zo dat "een manifest onontvankelijk cassatieberoep heeft geen schorsende kracht" (idem, nr. 2098).
Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de appellant een cassatieberoep had gericht "tegen alle beschikkingen van het arrest en tegen alle partijen. Onderhavig beroep in cassatie gesteund op alle middelen in feite en in rechte, te laten gelden op tijd en plaats waar het hoort" en in de Memorie welke hij heeft neergelegd wordt enkel ingeroepen dat het Hof van beroep niet wettig kon beslissen dat de vordering van de Belgische Staat, Administratie der Directe Belastingen, ontvankelijk was en dat de derving van inkomsten een reële schade opleverde welke volgde uit de weerhouden misdrijven. Het wordt ook niet beslist dat het cassatieberoep werd afgewezen bij arrest d.d. 9 december 1997.
Hoewel het cassatieberoep niet uitdrukkelijk gericht was tegen de veroordeling tot betaling aan de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, toch moet aangenomen worden dat het arrest d.d. 29 maart 1995 niet in kracht van gewijsde was gegaan, ook niet wat betreft dit onderdeel van de veroordeling. Het cassatieberoep was immers algemeen en het Hof van Cassatie is ertoe bevoegd ambtshalve middelen aan te voeren met betrekking tot de uitspraak over de strafvordering, wat te dezen een weerslag kon hebben op de rechten van de geïntimeerde: de hoofdelijke gehoudenheid vloeit immers voort uit de strafrechtelijke veroordeling.
3
Het feit dat een 'manifest onontvankelijk' cassatieberoep geen schorsende kracht heeft, is te dezen niet dienend. De eventuele afwezigheid van schorsende kracht heeft immers niet tot gevolg dat het bestreden arrest kracht van gewijsde verkrijgt vooraleer het Hof van Cassatie uitspraak heeft gedaan
En het feit dat het cassatieberoep na het instellen van de vordering op grond van art. 92, eerste lid BTW-wetboek werd afgewezen als ongegrond, bewijst evenmin dat het cassatieberoep 'manifest onontvankelijk' was. De rechtsleer en rechtspraak inzake de mogelijkheid voorbij te gaan aan een cassatieberoep dat manifest onontvankelijk is, kan niet zomaar uitgebreid worden tot een voorziening welke manifest ongegrond wordt geacht.
4
Bevoegdheid van het Hof
Te dezen kan het Hof niet oordelen omtrent de gegrondheid van het verzet tegen het dwangbevel betekend op 1 maart 1996, maar kan het enkel onderzoeken of dit verzet al dan niet op ernstige gronden schijnt te berusten; de bevoegdheid van het Hof is derhalve beperkt tot een prima facie-beoordeling. Er kan enkel onderzocht worden of als zeker kan aangenomen worden dat het verzet tegen het dwangbevel zal afgewezen worden door de rechter van de grond omdat het 'manifest ongegrond' zou zijn.
Bij deze beoordeling dient de nodige omzichtigheid in acht genomen te worden omdat:
- het dwangbevel in feite een gedwongen tenuitvoerlegging nastreeft van een rechterlijke beslissing welke niet in kracht van gewijsde was gegaan en welke ook niet uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard;
- de vordering in toepassing van art. 92, eerste lid BTW-wetboek in werkelijkheid de gedwongen voorlopige tenuitvoerlegging beoogt van deze rechterlijke beslissing, en dit niettegenstaande verzet werd aangetekend tegen de akte van gedwongen uitvoering.
De bewering (gesteld in de verzetsakte) dat het arrest d.d. 29 maart 1995 niet in kracht van gewijsde was gegaan en ook niet uitvoerbaar was, kan niet als manifest onjuist aangezien worden (zie hierboven sub 2). Het verzet kan dan ook, prima facie, niet afgedaan worden als manifest ongegrond en derhalve als een louter vertragingsmiddel.
5
Gevolgen voor de vorderingen
Uit wat voorafgaat volgt dat het hoger beroep gegrond is waar het opkomt tegen de beslissing inzake de vordering tot toepassing van art. 92, eerste lid BTW-wetboek.
De tegeneis wegens tergend en roekeloos geding is niet gegrond. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de geïntimeerde zich niet kon vergissen omtrent de gegrondheid van zijn vordering; de vaststelling dat deze vordering door de eerste rechter werd ingewilligd wijst in dezelfde richting.
De tegeneis moet dan ook afgewezen worden als ongegrond.
Dispositif
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gegrond waar het gericht is tegen de beslissing over de vordering van de geïntimeerde, doch ongegrond waar het gericht is tegen de afwijzing van de tegeneis wegens tergend en roekeloos geding.
Doet het bestreden vonnis teniet in zoverre het de hoofdeis inwilligde en dienaangaande opnieuw wijzende:
Verklaart de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.
Veroordeelt de geïntimeerde tot alle kosten, deze in zijnen hoofde niet te begroten gezien ze eigen blijven en deze in hoofde van de appellant begroot op 8200 fr. (tarief ten tijde van het bestreden vonnis) rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 4396 fr. akte van hoger beroep en 16.800 fr. rechtsplegingsvergoeding, dit alles volgens (waar nodig verminderde) opgave.
Les noms de personnes physiques que la version diffusée par le SPF Finances laissait en clair ne sont pas republiés ici : ils sont réduits à leur initiale. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.