Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxlles du 16.06.2010
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 36ste KAMER
AR 2008/10222/A
- Federale belastingen – BTW
- op tegenspraak
- eindvonnis
Inzake van :
De NV M. F., met maatschappelijke zetel te …, … en met ondernemingsnummer ….
eisende partij,
vertegenwoordigd door Mr. A. V. en Mr. C. loco Mr. S. V., advocaat te …, … (ref. : /),
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit, sector BTW-ontvangkantoor van Halle, met burelen te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,
verwerende partij,
door Mr. A. H., loco Mr. P. D., advocaat te …, … (ref : /),
In deze zaak, in beraad genomen op 12/05/2010, spreekt de rechtbank navolgend vonnis uit :
Gelet op :
- het tussenvonnis van deze rechtbank van 19/11/2009;
- de aanvullende en synthesebesluiten voor eiseres, neergelegd ter griffie op 12/03/2010;
- de tweede synthesebesluiten voor verweerder, neergelegd ter griffie op 12/04/2010;
- de stukken van eiseres, neergelegd ter zitting op 12/05/2010; en
- de stukken van verweerder, neergelegd ter griffie op 25/11/2008.
Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 12/05/2010, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op bet taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN
1. Eiseres is actief op het vlak van het produceren van publiciteitsfilms en het verlenen van diensten verwant aan filmproducties.
Op 07/12/2006 werd door dhr. J.-M. V. een controle uitgevoerd bij eiseres. Op basis van deze controle stelde deze een proces-verbaal op met datum 13/11/2007. Hierin werden de volgende vermeende inbreuken op de BTW-wetgeving vastgesteld in hoofde van eiseres :
(1) een hele reeks facturen (zoals opgenomen op de pagina's 2, 3, 4 en 5 van bet proces-verbaal) zouden niet voor aftrek in aanmerking komen. Deze facturen zouden vallen onder artikel 45, § 3, 3° W.BTW, zodat ten onrechte aftrek werd gedaan van BTW voor een bedrag van 18.045,46 euro.
(2) Een aantal facturen zou betrekking hebben op goederen die geheel of gedeeltelijk in aanmerking zouden komen voor privégebruik (facturen op p. 6), zodat deze op grond van artikel 45, § 1 W.BTW en artikel 1, § 2 KB nr. 3 niet voor aftrek in aanmerking komen. Ten onrechte afgetrokken BTW : 2.101,08 euro.
(3) Voor drie facturen (p. 7 bovenaan) werd vastgesteld dat deze betrekking hadden op voertuigen waarvoor volgens de controleur op grond van artikel 45, § 2 slechts beperkt aftrek mogelijk is. Ten onrechte afgetrokken : 98,89 euro.
(4) Een aantal facturen (p. 7-9) voldeden niet aan de vormvereisten zodat deze niet konden beschouwd worden als regelmatige facturen. Ten onrechte afgetrokken BTW : 4.178,00 euro.
(5) Teveel aftrek ingevolge vergissing : 343,84 euro.
Alzo word vastgesteld dat nog verschuldigd was :
In hoofde van BTW : 24.767,27 euro
Proportionele boete : 2.470 euro
Intresten aan 0,8 percent per maand vanaf 21/01/2006.
Nu deze sommen niet werden betaald, werd hiervoor op 05/12/2007 een dwangbevel uitgevaardigd, uitvoerbaar verklaard op 07/12/2007.
Dit dwangbevel werd bekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 28/07/2008,
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 18/08/2008 wordt dit dwangbevel betwist.
2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN
2. De vordering van eiseres strekt ertoe het bestreden dwanghevel te annuleren en te zeggen dat eiseres uit hoofde hiervan geen BTW verschuldigd is aan verweerder.
Verweerder concludeert, na tussenvonnis, tot de ongegrondheid van de vordering voor wat betreft een bedrag van 21.184,21 euro aan BTW en 2.110,00 euro aan verminderde proportionele boete.
3. BEOORDELING
3. Bij tussenvonnis van 19/11/2009 werd reeds uitspraak gedaan over het verzoek tot samenvoeging en de ontvankelijkheid van de vordering.
4. Wat betreft de vermeende inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van kosten van logies, spijzen en dranken
4.1. De diensten van verweerder stelden in het dwangbevel dat een hele reeks facturen (zoals opgenomen op de pagina's 2, 3, 4 en 5 van het proces-verbaal) niet voor aftrek in aanmerking zouden komen. Deze facturen zouden vallen onder artikel 45, § 3, 3° W.BTW (geen aftrek van kosten van logies, spijzen en dranken),zodat ten onrechte aftrek werd gedaan van BTW voor een bedrag van 18.045,46 euro.
Bij tussenvonnis 19/11/2009 werd de vraag opgeworpen of artikel 45, § 3, 3° W.BTW van toepassing kan zijn, nu dit artikel enkel diensten viseert. Deze bepaling is niet van toepassing op geleverde goederen (en dus spijzen en dranken in zoverre deze als een levering van goederen te beschouwen zijn).
Eiseres argumenteert na tussenvonnis dat de in het proces-verbaal opgenomen facturen inderdaad om levering van goederen gaan, zodat de aftrekbeperking van artikel 45, § 3 W.BTW hier niet speelt. Bovendien is het proces-verbaal op dit punt gebrekkig gemotiveerd.
Verweerder stelt na tussenvonnis dat een aantal facturen inderdaad een loutere levering van etenswaren betreffen en dus niet vallen onder de aftrekbeperking. De vordering is deels gegrond. Voor een bedrag van 14.462,40 euro blijkt evenwel dat het gaat om spijzen en dranken in de zin van artikel 45, § 3 W.BTW (afhaalmaatlijden, dan wel facturen aan 21 %).
4.2. Artikel 45, § 3, 3° voorziet een aftrekbeperking van BTW in de volgende zin :
“§ 3. Voor aftrek komt niet in aanmerking de belasting ter zake van :
(…)
3° kosten van logies, spijzen en dranken in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 10° en 11°, daaronder niet begrepen de kosten die wordengedaan;
a) voor het personeel dat buiten de onderneming belast is met een levering van goederen of een dienstverrichting;
b) door belastingplichtigen die op hun beurt dezelfde diensten onder bezwarende titel verstrekken.
Hieruit volgt dat de aftrekbeperking van artikel 45, § 3, 3° enkel geldt voor spijzen en dranken zoals opgenomen in artikel 18, § 1, tweede lid, 11°. Deze bepaling voorziet :
“§ 1. Als een dienst wordt beschouwd, elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van dit Wetboek.
Als een dienst wordt onder meer beschouwd, de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft :
(…)
10° het verschaffen van gemeubeld logies alsook de terbeschikkingstelling van plaats om te kamperen;
11° het verschaffen van spijs en drank in restaurants en cafés en, meer algemeen, in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse;
(…)”
Hieruit volgt dat niet elke levering van spijs en drank, een levering is van een dienst in de zin van artikel 18 en niet elke levering van spijs en drank dus valt onder de aftrekbeperking van artikel 45, § 3, 3° W.BTW. Dit laatste is slechts het geval in zoverre dit verschaffen van spijs en drank kan gekwalificeerd worden als een “dienst” (in de zin van het BTW-wetboek) en dus gebeurt in restaurants en cafés, dan wel met verbruik ter plaatse.
In het arrest met nummer C-231/94-van 02/05/1996 oordeelde het Hof van Justitie hieromtrent als volgt :
"12. Om te bepalen of handelingen leveringen van goederen dan wel diensten zijn, moeten alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht in aanmerking worden genomen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen.
13. De verstrekking van toebereide spijzen en dranken voor onmiddellijke consumptie is het resultaat van een serie diensten, die begint bij de toebereiding van de spijzen en eindigt bij de feitelijke opdiening, en waarbij de klant een infrastructuur ter beschikking wordt gesteld, bestaande uit een restauratiezaal met bijbehorende ruimten (garderobe etc. alsmede meubilair en serviesgoed. In voorkomend geval zullen de natuurlijke personen wier beroep dit is, de tafel dekken, de klant adviseren en hem informeren over de aangeboden spijzen of dranken, de gerechten aan tafel opdienen en tenslotte na de maaltijd de tafel afruimen.
14. De restaurantverrichting wordt derhalve gekenmerkt door een reeks van elementen en handelingen, waarvan de levering van voedsel niet meer dan een onderdeel is en waarin het dienstenaspect ruimschoots de overhand heeft. Zij moet bijgevolg als dienst in de zin van artikel 6, lid 1, van de Zesde richtlijn worden beschouwd. Dit is echter anders, wanneer de verrichting betrekking heeft op “afhaal”-maaltijden en niet gepaard gaat met diensten die de nuttiging ter plaatse in een passend kader moeten veraangenamen”.
Van een levering van een dienst in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 11° W.BTW is dus slechts sprake indien uit de feiten blijkt dat de levering van de spijs en drank moet beschouwd worden als een onderdeel van een ruimere dienst. Hierbij dient het dienstaspect de overhand te hebben.
In deze blijkt uit geen enkel materieel element opgenomen in het proces-verbaal dat er sprake zou zijn van een levering van een dienst in de zin zoals aangehaald. Meer nog, de vaststeller heeft zelfs bij deze vraag niet stilgestaan.
Dat men thans meent te kunnen verwijzen naar het in de facturen gehanteerde BTW-tarief kan dan ook bezwaarlijk als bewijs gelden. Deze overweging heeft oorspronkelijk niet ten grondslag gelegen aan de gedane vaststellingen en de oorspronkelijke vaststellingen zijn op dit punt tegenstrijdig (aangezien de opsteller zowel leveringen aan 6 % als levering aan 21 % heeft opgenomen in het proces-verbaal). Bovendien blijkt uit de door eiseres overgelegde stukken (stuk 3, facturen 24032, 24036 en 24038 van M.) dat op een aantal facturen ten onrechte 21 % werd aangerekend (nu het een loutere levering van maaltijden betrof).
Er staat dan ook niet vast dat de op de pagina's 2 tot en met 5 van het proces-verbaal opgesomde facturen een levering van een dienst betreffen in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 11°, zodat moet aangenomen worden dat het een levering van goederen betreft (nu de kwalificatie als dienst ingevolge dit artikel subsidiair is aan de kwalificatie als goed). De aangehaalde facturen vallen dan ook niet onder de aftrekbeperking van het artikel 45, § 3 W.BTW.
4.3. Bovendien is, gelet op het voorgaande, het proces-verbaal op dit punt gebrekkig gemotiveerd, hetgeen een bijkomende reden is om dit proces-verbaal wat dit betreft te vernietigen.
Het dwangbevel is niet onderworpen aan wettelijke vormvereisten, maar is geldig zodra het de belastingplichtige in staat stelt “het voorwerp en de oorzaak van de eis van de Belgische Staat te laten kennen om de gegrondheid ervan na te gaan” (VANDEBERGH, H., De geschillenprocedure inzake BTW, Larcier, Brussel, 2005, p. 19).
Wanneer in het dwangbevel voor wat betreft de motivering naar een proces-verbaal wordt verwezen, dan vormen het dwangbevel en het proces-verbaal een onafscheidelijk geheel en is het noodzakelijk dat het proces-verbaal waarnaar verwezen word mee betekend, zoniet kan de belastingplichtige zich geen rekenschap geven van het voorwerp en de oorzaak van de vordering van de Fiscale Administratie (VANDEBERGH, H., o.c., p. 21, nr. 27).
In principe dient het dwangbevel op zich te volstaan om het voorwerp en de oorzaak van de eis van de fiscale administratie te onderzoeken.
Gelet op het voorgaande was dit laatste niet het geval. Hoewel de administratie verwees naar artikel 45, § 3 W.BTW om de aftrek van een aantal facturen te weigeren, stond deze niet stil bij de vraag of deze facturen een levering van een goed of een dienst betroffen. Het gaat niet op om te bewijzen naar een wettelijke bepaling, zonder stil te staan bij het feit of deze bepaling wel toepassing kan vinden, zeker nu hiervoor een interpretatie moet gegeven worden aan de betrokken facturen.
4.4. De vordering van eiseres is dan ook gegrond was de onder punt 1 van het proces-verbaal aangehaalde bedrag van 18.045,46 euro, alsmede het hiermee corresponderende deel van de verminderde proportionele boete.
5. Wat betreft de vermeende inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit.
5.1. De diensten van verweerder waren in het proces-verbaal van 13/11/2007 van oordeel dat een aantal facturen zou betrekking hebben op goederen die geheel of gedeeltelijk in aanmerking zouden komen voor privégebruik (facturen op p. 6), zodat deze op grond van artikel 45, § 1 W.BTW en artikel 1, § 2 KB nr. 3 niet voor aftrek in aanmerking komen.
Eiseres is van oordeel dat de vermeende inbreuk op artikel 45, § 1 W.BTW en artikel 1, § 2 KB nr. 3 (goederen voor privégebruik) niet voorhanden is. De ter discussie staande goederen (voornamelijk kledij) worden volgens eiseres specifiek gekocht in het kader van een bepaalde opdracht en kunnen nadien niet meer hergebruikt worden.
5.2. Bij tussenvonnis van 19/11/2009 werd wat dit betreft reeds vastgesteld dal eiseres op dit punt geen enkel stuk bijbracht. Gelet op de heropening der debatten werd haar de mogelijkheid geboden dit alsnog te doen.
Eiseres draagt de bewijslast en nu zij nog steeds geen enkel stuk bijbrengt van haar beweringen op dit punt, is haar vordering wat dit betreft niet gegrond.
6. Wat betreft de vermeende inbreuken op de aftrekregeling voertuigen
Voor drie facturen (p. 7 bovenaan) werd door de diensten van verweerder vastgesteld dat deze betrekking hadden op voertuigen waarvoor volgens de controleur op grond van artikel 45, § 2 slechts beperkt aftrek mogelijk is.
Eiseres houdt vol dat de facturen in verband met voertuigen voor volledige aftrek in aanmerking komen nu deze voertuigen volledig voor professioneel gebruik dienden.
Dat de betreffende voertuigen volledig werden gebruikt voor professionele doeleinden, verhindert niet dat de aftrek slechts beperkt mogelijk is ingevolge artikel 45, § 2 W.BTW. Dit deel van de vordering van eiseres is niet gegrond.
7. Wat betreft de vermeende inbreuken op de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatig factuur
7.1. Een aantal facturen (p. 7-9) voldeden niet aan de vormvereisten volgens verweerder, zodat deze niet konden beschouwd worden als regelmatige facturen.
Bij tussenvonnis van 19/11/2009 wad reeds vastgesteld dat op dit punt geen enkel stuk werd bijgebracht om deze discussie te beoordelen.
7.2. Eiseres blijft volhouden dat de kwestieuze facturen voldoende zouden zijn om het recht op aftrek te controleren. Ter zitting verduidelijkte de raadsman van eiseres nog dat een aantal facturen standaardfacturen betreft, waaraan zij geen wijzigingen kan vragen.
De feitelijke vaststellingen op dit punt in het proces-verbaal hebben een bijzondere bewijswaarde. Het is dan ook aan eiseres om het bewijs te leveren dat de kwestieuze facturen wel degelijk voldoende gespecificeerd zijn. Nu eiseres geen enkel factuur bijbrengt, is dit deel van haar vordering niet gegrond.
Dat het standaardfacturen betreft kat hieraan geen afbreuk doen.
Dit deel van de vordering van eiseres is niet gegrond.
8. Wat betreft de overige punten van het proces-verbaal (materiële vergissing bij aftrek en opgelegde boete) worden geen specifieke middelen opgeworpen, zodat ook deze onderdelen van de vordering niet gegrond zijn.
4. KOSTEN, WAARDE VAN DE VORDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDINGEN
9. Nu de vordering van eiseres voor een groot deel gegrond is, worden de kosten van het geding ten laste van verweerder gelegd.
Op basis van de waarde van het geschil kan het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding begroot worden op 2.000,00 euro. Partijen vorderen over en weer het basisbedrag en vragen geen afwijking hiervan.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Het tussenvonnis van 19/11/2009 verder uitwerkende.
Verklaart de vordering van eiseres in de hierna volgende mate gegrond.
Annuleert het bestreden dwangbevel van 05/12/2007 met referentie RCIV nr. … in de mate dat het betrekking heeft onder het item 1 aangehaalde bedrag van 18.045,46 euro, alsmede het hiermee corresponderende deel van de verminderde proportionele geldboete en zegt dat eiseres wat dit betreft geen sommen verschuldigd is aan verweerder.
Verwerpt de vordering van eiseres voor het overige als niet gegrond.
Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, en begroot deze kosten in hoofde van eiseres op 2.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 36ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 16 juni 2010.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer J. V. B., toegevoegd rechter
Mevrouw I. D., griffier.
I. D. J. V. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.