Champ d'application, opération imposable, exonération, autre exemption · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 26 février 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Champ d'application, opération imposable, exonération, autre exemptionTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-operation-imposable-exoneration-tribunal-gand-2009-02-26-76f4

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
26 février 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

82 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Gand du 26.02.2009

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 26 FEBRUARI 2009

Rolnummer AR 05/93/A

In de zaak van :

BVBA E., met zetel te …, … en met ondernemingsnummer …

eiseres,

hebbende als raad Mter W. V., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur van de BTW Registratie en Domeinen Sint-Niklaas, met kantoren te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 2

verweerder,

hebbende als raad Mter E. V. A., advocaat te …, …

Vonnist de rechtbank als volgt :

1. RECHTSPLEGING

Partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 15.1.2009, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het geding inleidend verzoekschrift neergelegd op 7.1.2005, de onderscheiden conclusies van de partijen evenals de respectievelijke dossiers.

2. DE VORDERING

De vordering van eiseres zoals uiteindelijk gesteld in conclusies strekt ertoe :

“…

de vordering van (eiseres) ontvankelijk en gegrond te verklaren;

derhalve voor recht te zeggen dat het dwangbevel d.d. 2.12.2004, uitvoerbaar verklaard op 7.12.2004 en aan (eiseres) aangetekend verstuurd op 10.12.2004, nietig is en dat de erin vermelde sommen, hetzij BTW, hetzij boeten en intresten, niet verschuldigd zijn;

verweerder te veroordelen tot terugbetaling van de som van 58.560,44 EUR die (eiseres) als gevolg van het dwangbevel van 2.12.2004 betaalde, resp. tot vrijgave van de sommen waarop door de ontvanger op basis van het dwangbevel van 2.12.2004 bewarend beslag werd gelegd, meer de moratoire en gerechtelijke intresten;

verweerder te veroordelen tot betaling aan (eiseres) van een morele schadevergoeding van 5.000 EUR, meer de gerechtelijke intresten;

verweerder te veroordelen tot betaling aan (eiseres) van een materiële schadevergoeding (bijstand belastingconsulent) van 1.755 EUR en een rechtsplegingsvergoeding van 6.800 EUR, meer de gerechtelijke intresten en tot alle andere kosten van het geding;

…”

3. FEITEN

Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het nummer … voor haar activiteit van verhuisfirma.

Eiseres koopt in juli 2000 een onroerend goed omvattende een woning, stallingen en een loods. De woning wordt afgebroken en in de plaats daarvan wordt een nieuwe woning opgericht, de stallingen worden afgebroken en aan de loods worden verbeteringswerken doorgevoerd.

Het geschil beperkt zich tot de m.b.t. de woning verschuldigde BTW die door eiseres volledig in aftrek werd gebracht. Volgens het controlecentrum AOIF (BTW) te Sint-Niklaas is deze BTW maar voor 15 % aftrekbaar.

De aldus verschuldigde BTW bedraagt 58.560,44 EUR, de boete 5.850,00 EUR, meer de intresten.

Bij gebrek aan vrijwillige betaling werd op 2.12.2004 een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 7.12.2004 en aan eiseres ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven d.d. 10.12.2004.

Eiseres maakt de zaak aanhangig bij onderhavige rechtbank.

4. BESPREKING

1. M.b.t. het verbod van nieuwe motieven.

De wet van 29.7.1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen vereist dat de motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermeldt die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet afdoende zijn.

Volgens het dwangbevel d.d. 10.12.2004 is de vordering van de fiscus verschuldigd op grond het proces-verbaal d.d. 29.11.2004 dat verwijst naar de processen-verbaal d.d. 31.8.2004 en 18.11.2004 die in bijlagen werden toegevoegd aan het bestreden dwangbevel.

Voor de motivering wordt verwezen naar art. 45, § 1 W.BTW, art.1, § 2 KB nr. 3 van 10.12.1969, art. 48, § 1 W.BTW en art. 8, § 1 KB nr.3.

De opsteller van het proces-verbaal concludeert hieruit dat eiseres de uitgeoefende aftrek van BTW op de facturen m.b.t. de oprichting en afwerking van het gebouw dient te herzien voor zover deze meer bedraagt dan 15 %, terwijl voor de facturen m.b.t. de specifieke inrichting van privé-vertrekken de uitgeoefende aftrek in zijn geheel moet worden herzien.

Ten onrechte meent eiseres dat verweerder in conclusies zijn oorspronkelijke motivering wijzigt. In casu blijkt dat verweerder zijn oorspronkelijke stelling handhaaft en nieuwe argumenten enkel worden opgeworpen als antwoord op de argumenten van eiseres, dit om duidelijk te maken waarom verweerder meent dat eiseres zich niet bevindt in de situatie als bedoeld in het door eiseres aangehaalde arrest Seeling van het Hof van Justitie.

Deze grief is niet gegrond.

2. M.b.t. de aftrek van BTW op de kosten m.b.t. de oprichting van de woning.

2.1. Eiseres laat gelden dat zij in principe overeenkomstig art.17, lid 2, sub a van de zesde BTW-richtlijn en art. 45, § 1 W.BTW de BTW die zij verschuldigd was naar aanleiding van de oprichting van een gebouw onmiddellijk en integraal in mindering mocht brengen. Mocht naderhand blijken dat de oorspronkelijk (vermoede) bestemming van de BTW-activiteit niet gerealiseerd wordt of de investeringen gebruikt worden voor andere doeleinden dan de BTW activiteit dan zou de BTW-aftrek geheel of gedeeltelijk moeten worden herzien.

Volgens eiseres is dit niet het geval.

In casu werd het gebouw (gedeeltelijk) gratis ter beschikking gesteld van de zaakvoerder van eiseres.

Volgens eiseres heeft het hof van Justitie in het arrest Seeling (H.v.J., 8 mei 2003, zaak C-269/00) uitdrukkelijk bevestigd dat deze gratis terbeschikkingstelling buiten elke huurovereenkomst een belastbare BTW-handeling uitmaakt, zodat eiseres wel degelijk recht op aftrek heeft van de betaalde BTW.

Bijgevolg kan een BTW-belastingplichtige de BTW volledig aftrekken op een onroerend goed dat hij gemengd gebruikt in de mate dat hij dit onroerend goed bestemd voor zijn ondernemingsvermogen.

2.2. Volgens verweerder zou het arrest Seeling enkel van toepassing zijn op een belastingplichtige natuurlijk persoon en niet op een rechtspersoon. Ook zou de terbeschikkingstelling door eiseres van een deel van haar onroerend goed aan haar zaakvoerder niet gratis zijn. Dergelijke terbeschikkingstelling zou daarom moeten worden aangemerkt als een onroerende verhuur en zou bijgevolg vrijgesteld zijn door art. 44, § 3, 2° W.BTW. Hieruit zou volgen dat op basis van art. 45, § 1 W.BTW er geen recht op aftrek van BTW kan worden toegestaan.

2.3. Verweerder kan niet worden gevolgd.

Het begrip "onroerende verhuur' is een autonoom begrip van communautair recht. Het Hof van Justitie heeft reeds herhaaldelijk gesteld dat de vrijstelling inzake onroerende verhuur strikt moet worden geïnterpreteerd (H.v.J., 12.2.1998, C-346/95, Jur. H.v.J.1998, 1,481; H.v.J., 4.10.2001, C-326/99, Jur. H.v.J. 2001, I, 6831).

De verhuur van een onroerend goed houdt volgens het Hof in wezen in dat de eigenaar van een onroerend goed de huurder tegen betaling van huur, voor een overeengekomen tijdsduur, het recht verleent zijn goed te gebruiken en andere personen daarvan uit te sluiten (H.v.J., 9.10.2001, C-409/98, Jur. H.v.J. 2001, I, 7175).

In casu zijn de voormelde vereiste kenmerken niet aanwezig. Er is derhalve geen sprake van onroerende verhuur zoals dit in art.13 B sub b van de zesde BTW richtlijn (omgezet in art. 44, § 3, 2 W.BTW) wordt beoogd.

De terbeschikkingstelling door eiseres van een deel van haar onroerend goed aan haar zaakvoerder is een dienst in de zin van art. 6, lid 2 eerste alinea sub a van de zesde BTW-richtlijn waarvoor de volgens het Hof van Justitie strikt te interpreteren vrijstelling van art. 13 B sub b van de zesde BTW richtlijn voor onroerende verhuur niet geldt.

Art. 44, § 3, 2° W.BTW schendt art.13 B sub b van de zesde richtlijn, nu dit laatste artikel enkel spreekt van onroerende verhuur, terwijl artikel 44 van het W.BTW ook een gebruik onder de voorwaarden van art. 19, § 1 als een onroerende verhuur vrijstelt. De hiërarchie der rechtsnormen gebiedt in dit geval art. 13 B sub b van de zesde richtlijn te laten primeren.

Bovendien zijn er geen redenen om de lering van het Hof van Justitie in de zaak Seeling te beperken tot de situatie waarin de woning ter beschikking wordt gesteld door een belastingplichtige natuurlijk persoon. Art. 19, § 1 W.BTW is zowel van toepassing op natuurlijke personen als rechtspersonen (zie Rb. Gent 3.10.2008, AR00/3244/A).

Tevens verzet het beginsel van de fiscale neutraliteit zich ertegen, dat een handeling verschillend wordt behandeld op basis van de rechtsvorm waarin de belastingplichtige zijn werkzaamheid uitoefent.

Eiseres heeft dan ook terecht de BTW op de woning in aftrek gebracht.

3. M.b.t. de gevorderde schadevergoeding.

Eiseres toont niet aan dat de administratie van verweerder niet heeft gehandeld zoals een normaal zorgvuldig en voorzichtig overheidsorgaan zou optreden dat zich in gelijke omstandigheden bevindt.

Terzake blijkt niet dat eiseres ongemakken of nadelen heeft ondergaan die verschillen van die ondergaan door elke belastingplichtige die in conflict komt met de administratie in verband met een fiscaal geschil. Het enkele feit een procedure te moeten voeren opent op zich geen recht op schadevergoeding.

Dit deel van de vordering is ongegrond.

4. M.b.t. de rechtsplegingsvergoeding.

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig art. 1017, lid 1 Ger. W. moet hij de gerechtskosten dragen.

De vordering van eiseres is in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt in de schijf van 60.000,01 tot 100.000,00 EUR. In die omstandigheden is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 3.000,00 EUR.

Eiseres verzoekt om een rechtsplegingsvergoeding van 6.800,00 EUR (wat gezien de waarde van de vordering meer is dan het voorziene maximumbedrag) doch laat na hieromtrent enige reden naar voor te brengen.

Er is derhalve geen reden om het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verhogen.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Vernietigt het litigieuze dwangbevel uitgevaardigd op 2.12.2004, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 7.12.2004 en aan eiseres er kennis gebracht bij aangetekend schrijven d.d.10.12.2004 en beveelt de terugbetaling van de eventueel betaalde sommen meer de intresten.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding.

Begroot de kosten als volgt :

- aan de zijde van eiseres :

rechtsplegingsvergoeding : 3.000,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op donderdag zesentwintig februari tweeduizend en negen, waar aanwezig waren :

mevrouw J. D. B., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw G. L., griffier.

G. L. J. D. B.

Textes cités

9

Décisions similaires

8