Champ d'application, livraison de biens, opération imposable, preuve · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 23 juillet 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Champ d'application, livraison de biens, opération imposable, preuveTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/champ-application-livraison-biens-operation-tribunal-hasselt-2010-07-23-2f7a

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
23 juillet 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

96 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Hasselt du 23.07.2010

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER B, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN

IN ZAKE AR nr. 09/6/A

BVBA D. S., in vereffening, met maatschappelijke zetel te …, …, ondernemingsnummer …, hier vertegenwoordigd door haar vereffenaar de heer D. J., wonende te …, ….

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. V. D. K. H., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 21.

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de heer Ontvanger van het eerste BTW­ontvangkantoor, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 46.

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. O. M. loco mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het exploot van gerechtsdeurwaarder H. te … van 07.01.1992, houdende verzet tegen een dwangbevel uitgevaardigd door de heer R. E., ontvanger van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Hasselt op 30.07.1991;

- de conclusies, aanvullende conclusies, tweede aanvullende conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;

- de besluiten, aanvullende besluiten, synthesebesluiten en stukken van eiseres.


I. FEITEN EN VOORGAANDEN

1. Eiseres was geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder nummer BE … wegens haar activiteit van uitbating van een handelszaak in sportartikelen en was derhalve onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

2. Op 23.08.1990 en latere data werd er door de ambtenaren van de BBI 3de en 7de inspectie Brussel een fiscaal onderzoek uitgeoefend teneinde na te gaan of in hoofde van eiseres de BTW-wetgeving en de ter uitvoering daarvan gegeven regels, correct werden toegepast voor de jaren 1987 tot en met 1989.

Naar aanleiding van deze controle werd er op 28.01.1991 een proces-verbaal opgesteld door P. v. D. B., inspecteur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, ter beschikking gesteld van de BBI, 7de inspectie Brussel waarbij de volgende overtredingen werden vastgesteld :

- het niet opnemen van alle verkoopfacturen in het register der verkoopfacturen en het aldus buiten de boekhouding houden van de op die facturen betrekking hebbende handelingen;

- het niet opnemen van alle aankoopfacturen in het daartoe bestemde register en het aldus buiten de boekhouding houden van de op die facturen betrekking hebbende handelingen;

- het niet bewaren van vervoersdocumenten, waarvan het opstellen en bewaren is voorgeschreven door het tot 31.12.1992 van toepassing zijnde KB nr. 28 van 23.12.1970, genomen in uitvoering van art. 62 W.BTW;

- het niet opnemen in de boekhouding van de effectief gerealiseerde omzet en het bijgevolg niet voldoen van de over deze niet geboekte en niet aangegeven omzet verschuldigde belasting;

- het niet opnemen in de boekhouding van alle door haar leverancier uitgereikte creditnota’s en bijgevolg het niet aan de Staat terugstorten van de BTW met betrekking tot die creditnota’s;

- het in aftrek brengen van de door haar verschuldigde BTW, zonder in het bezit te zijn van originele aankoopfacturen;

- het niet aan de belasting onderwerpen van handelingen die krachtens art. 12, § 1, 3° W.BTW met een belastbare levering zijn gelijkgesteld;

- het inroepen van een recht op vrijstelling van belasting wegens uitvoer terwijl het bewijs van deze uitvoer niet wordt geleverd

(zie stuk 1, bundel verweerder).

Ingevolge voormelde tekortkomingen werd eiseres per aangetekende brief van 22.11.1990 ingelicht dat de administratie het voornemen had om in toepassing van art. 66 W.BTW ambtshalve een aanslag te vestigen voor het vermoedelijk bedrag van de handelingen die eiseres gedurende de periode van 01.01.1987 tot en met 31.12.1989 had verricht.

In deze kennisgeving werd tevens de berekening van deze voorgenomen ambtelijke aanslag meegedeeld.

3. Bij monde van haar raadsman heeft eiseres in een brief van 11.12.1990 haar 'niet-akkoord' met betrekking tot deze voorgenomen ambtelijke aanslag meegedeeld.

Op 20.02.1991 volgde dan de ambtelijke aanslag op grond waarvan eiseres de hierna volgende bedragen verschuldigd was :

- 959.636 BEF aan BTW;

- 1.919.272 BEF aan geldboete, berekend aan 200 % overeenkomstig art. 70, § 1 W.BTW;

- de intresten op grond van art. 91, § 1 W.BTW berekend aan 0,8 % per maand vanaf 21.01.1990 over de som van 959.000 BEF

(zie stuk 2, bundel verweerder).

Deze ambtelijke aanslag werd aan eiseres betekend per aangetekende brief van 22.02.1991.

4. Teneinde de invordering van de verschuldigde bedragen te verzekeren, heeft de heer R. Eyletten, ontvanger van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Hasselt op 30.07.1991 een dwangbevel uitgevaardigd. Dit dwangbevel werd op 05.12.1991 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer G. Molderez, gewestelijk directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt (zie stuk 3, bundel verweerder).

In dit dwangbevel werden de volgende bedragen gevorderd :

- 959.636 BEF aan BTW;

- 1.919.272 BEF aan geldboete, berekend aan 200 % overeenkomstig art. 70, § 1 W.BTW;

- de intresten op grond van art. 91, § 1 W.BTW berekend aan 0,8 % per maand vanaf 21.01.1990 over de som van 959.000 BEF;

- de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten te rekenen vanaf de betekening van dit dwangbevel ingevolge art. 91, § 4 W.BTW;

- de vervolgingskosten.

5. Bij exploot van gerechtsdeurwaarder Haesen te Hasselt van 07.01.1992 heeft eiseres verzet aangetekend tegen dit dwangbevel en een vordering in rechte ingeleid.

II. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt-geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

2.1. M.b.t. de ambtelijke aanslag :

1. De rechtbank stelt vooreerst vast dat eiseres niet betwist dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een ambtelijke aanslag inzake BTW werd voldaan (zie art. 66 W.BTW en art. 1 van het KB nr. 9 van 12.03.1970 met betrekking tot de ambtelijke aanslag inzake BTW)

2. Evenwel is eiseres wel van oordeel dat de ambtelijke aanslag overdreven is.

De ambtelijke aanslag moet worden opgelegd tot beloop van de belasting die verschuldigd is over het vermoedelijk bedrag van de handeling die de schuldenaar heeft verricht gedurende het tijdvak waarop de aanslag betrekking heeft. Hij moet zo dicht mogelijk de werkelijkheid benaderen, en mag geen willekeurig karakter dragen. Hij moet gesteund zijn op een juiste interpretatie van de wet en tevens berusten op ernstige gegevens, dat wil zeggen op ter zake dienende gegevens en vermoedens.

Wanneer de belastingplichtige de hem regelmatig opgelegde aanslag betwist, moet hij bewijzen dat deze overdreven is. Het juiste bedrag van zijn omzet moet hij niet aantonen.

Eiseres houdt voor dat de ambtelijke aanslag overdreven is om redenen dat :

- de verkoopprijs van de verkochte goederen ten onrechte wordt bepaald op de aankoopprijs x 2;

- de kortingen niet op een correcte wijze zijn berekend;

- de leveringen van goederen door B. VZW aan de heer D. persoonlijk ten onrechte geacht worden te zijn verkocht door de BVBA D. S..

3. In casu stelt de rechtbank vast dat de verkoopprijs van de goederen inclusief BTW bepaald wordt door de aankoopprijs exclusief BTW te vermenigvuldigen met 2.

De rechtbank stelt vast dat voor de bepaling van de verkoopprijs de administratie zich baseert op een beweerde verklaring van mevrouw D. waarvan geen enkel bewijs kan worden voorgelegd en die tevens betwist wordt.

Het feit dat in het proces-verbaal van 28.01.1991 vermeld wordt "volgens verklaring van mevr. D. wordt de kostprijs exclusief BTW vermenigvuldigd met twee om de verkoopprijs inclusief BTW te vormen", is geen voldoende bewijskrachtig gegeven om de belastbare grondslag te bepalen. Uit de bewoording van het proces-verbaal is niet immers duidelijk op te maken aan wie deze verklaring werd afgelegd en op welke belastbare periode ze zou betrekking hebben (zie Cass; 25 mei 1990, F.J.F., nr. 91/21).

Terecht stelt eiseres dat de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal overeenkomstig art. 59, § 1 W.BTW enkel geldt voor de vaststellingen die de verbaliserende ambtenaar zelf doet.

De administratie houdt voor dat er bijkomende elementen zijn die de ambtelijke aanslag onderbouwen en met name een prijsopname.

Samen met eiseres is de rechtbank van oordeel dat de prijsopname die verweerder pas in 1997 heeft overgemaakt aan eiseres (zie stuk 11, bundel verweerder) niet kan opgemaakt worden dat het een prijsopname betreft die bij eiseres zou zijn opgemaakt in 1990. Het stuk bevat geen enkele vermelding daaromtrent. Het is niet duidelijk wie het handgeschreven stuk heeft opgesteld en op welk tijdstip het is opgesteld. Het bevat geen enkele referentie naar de aankoopfacturen, noch naar de datum van aankoopfacturen. Het stuk was niet gevoegd aan het proces-verbaal.

Bovendien is de prijsopname doorgevoerd zijn op 03.10.1990, zodat dit geenszins het bewijs kan leveren voor de gecontroleerde periode van 1987 tot en met 1989.

Op basis van de summiere beschrijving in het proces-verbaal van 28.01.1991 van de prijsopnames die zijn doorgevoerd op 03.10.1990, noch de zogenaamde lijst van prijsopnames die pas in 1997 aan eiseres werd meegedeeld, kan de berekening van de toegepaste winstmarge onderbouwen.

Uit het voorgaande blijkt dat de ambtelijke aanslag die aan eiseres werd opgelegd gesteund is op gegevens die voldoende niet bewijskrachtig en ernstig zijn. Derhalve is hij willekeurig.

De vordering is op dit punt reeds gegrond, zodat de overige argumenten van eiseres niet verder onderzocht dienen te worden.

2.3. Met betrekking tot de opgelegde boete

Uit het betekende dwangbevel blijkt dat de administratie een boete heeft opgelegd van 200 % of 1.919.272 BEF op grond van art. 70, § 1 W.BTW. Er werd geen vermindering op grond van art. 1, laatste lid van het KB nr. 41 van 30.01.1987 toegestaan aangezien de overtredingen zouden zijn begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken.

Eiseres is van oordeel dat de boete dient afgewezen te worden wegens onder meer een gebrek aan motivering.

Het opleggen van een boete, strafrechtelijk van aard, vereist vanwege de overheid die de boete oplegt, een motivering en een redengeving op grond waarvan de beboete persoon kan nagaan wat de redenen zijn die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van de administratieve geldboete van strafrechtelijke aard.

Het feit dat er een proces-verbaal is opgesteld waarin overtredingen zijn opgenomen en waarin een boete wordt opgelegd zonder in concreto te motiveren waaruit het oogmerk om de belasting te ontduiken bestaat volstaat niet. Fraude wordt immers niet vermoed, doch dient bewezen te worden.

De boete werd derhalve niet rechtsgeldig opgelegd.

De vordering van eiseres is dan ook op dit punt gegrond.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.

De vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om afte wijken van het basisbedrag.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Dispositif

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond,

Zegt voor recht dat het dwangbevel van 30.07.1991 ongegrond is en dat de erin opgenomen bedragen ten titel van BTW, boeten, intresten en kosten niet verschuldigd zijn.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van de reeds betaalde of ingehouden bedragen ingevolge het dwangbevel van 30.07.1991, te vermeerderen met de wettelijke intresten en de gerechtelijke intresten.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding en begroot deze kosten aan de zijde van eiseres op :

- 178,29 euro betekeningskosten akte van verzet;

- 3.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer B, op het gerechtshof te Hasselt op 23.07.2010, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., enige rechter, en

De heer L. P., griffier.

L. P. M. C.

Textes cités

2
AR no 41 art. 11 occurrence
AR no 9 art. 11 occurrence