Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 14.01.2013
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 33ste Kamer
A.R. 2004/3846/A
Inzake van :
De B.V.B.A. C. M. I., met maatschappelijke zetel te …, … en KBO-nummer …,
Eisende partij,
Vertegenwoordigd door Mr. W. D. F., advocaat te …, …,
Tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, in persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Halle, met kantoor te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,
Verweerder,
Vertegenwoordigd door Mr. M. B. loco Mr. J. H., advocaat te …, …,
In deze zaak, in beraad genomen op 10/12/2012, spreekt de rechtbank
het navolgend vonnis uit :
• Het verzoekschrift op grond van art. 1385decies·Ger.W., door eiseres neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18/03/2004;
• De beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747 Ger.W. van 16/12/2011;
• De besluiten en de synthesebesluiten voor eiseres, neergelegd ter griffie op respectievelijk 18/11/2008 en 31/05/2012;
• De besluiten, de aanvullende besluiten en de synthesebesluiten voor verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 08/06/2005, 12/08/2009 en 28/09/2012;
• De stukken voor eiseres, neergelegd ter griffie op 29/11/2012 en
• De stukken voor verweerder, neergelegd ter zitting op 10/12/2012.
Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 10/12/2012. waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de ·wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN
1. Eiseres is gekend als BTW-plichtige voor de activiteit van adviesbureau op het gebied van bedrijfsvoering en beheer.
Op 12/06/2003 werd er door de diensten van verweerder een controle uitgevoerd over de periode 01/01/2000 tot 31/12/2001, dewelke resulteerde in een procesverbaal van 12/12/2003 (stuk 1 verweerder). De hierna volgende vermeende inbreuken op de BTW-wetgeving werden vastgesteld :
(1) Van een aantal aftrekposten was eiseres niet het bezit van een voldoende gedertailleerde factuur;
(2) Een aantal facturen werd onterecht in aftrek gebracht aan aangezien de daarin opgenomen goederen niet voor de belastingplichtige activiteit werden aangewend;
(3) Ten onrechte werd een factuur zonder aanrekening van BTW uitgeschreven op grond van art. 11 W.BTW door een medecontractant.
(4) Er werd geen aangifte gedaan van verrichtte herzieningen.
Aldus werd vastgesteld dat nog verschuldigd was :
BTW : € …
Verminderde proportionele boete : € …
Intresten
Daar betaling uitbleef werd voor deze bedragen op 15/12/2003 een dwangbevel met referentie RCIV nr. 403.1212.3249 uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 17/12/2003.
Dit dwangbevel werd bij aangetekende brief van 18/12/2003 aan eiseres betekend (stuk 2 verweerder).
2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN
2. De vordering van eiseres strekt ertoe het dwangbevel van 15/12/2003 te vernietigen en te zeggen dat de bedragen hierin opgenomen niet verschuldigd zijn, minstens de opgelegde geldboeten te verminderen. Tevens vordert eiseres verweerder te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen, meer intresten. Zij vordert het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te horen verklaren.
De Belgische Staat concludeert tot de ongegrondheid van de vordering, behoudens voor een beperkt bedrag aan BTW en boete (zie verder).
3. BEOORDELING
3.1. Ontvankelijkheid
3. Verweerder werpt geen gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering van eiseres. Deze is ontvankelijk.
3.2. Ten gronde
3.2.1. Wat betreft de al dan niet regelmatige facturen
4.
4.1. In het proces-verbaal (item 1) werd de aftrek van 4 facturen geweigerd omdat deze onvoldoende gedetailleerd waren : noch de benaming noch de hoeveelheid van de gekochte producten werd vermeld. Het betrof 3 facturen van D. en één van M. p..
Eiseres meent dat dit onterecht is. Verwijzende naar het arrest Jeunehomme en S.A. Egri van het Hof van Justitie (14/07/1988, nrs. 123/87 en 330/87) stelt zij dat de vereisten van de factuur het recht op aftrek niet onmogelijk mogen maken. De redelijkheid en proportionaliteit dienen hier te spelen. De facturen betroffen vele producten van kleine waarde, zodat het niet redelijk is een gedetailleerde opsomming te vereisen. Zij stelt ter goeder trouw te zijn.
4.2. Tot op heden worden de betreffende facturen door eiseres niet voorgelegd. De rechtbank kan aldus enkel verdergaan op de vaststellingen zoals deze blijken uit het proces-verbaal. Hieruit blijkt dat noch de aard, noch de hoeveelheid van de geleverde producten verduidelijkt werd. Dit is een inbreuk van art. 5, § 1, 6° K.B. nr. 1. Deze vermeldingen zijn noodzakelijk om de aard van de geleverde goederen (komen zij voor aftrek in aanmerking?) en het tarief te bepalen. Bij gebrek aan ook maar de minste aanduiding op dil punt, werd de aftrek terecht geweigerd.
Deze vereisten voor de facturen zijn allerminst disproportioneel of moeilijk, en maken sinds 2001 trouwens deel uit van de Europese regelgeving ter zake (zie hierover M. VAN DE WALLE en B. BUELENS, "Hof van Justitie : toch volledig conforme factuur nodig voor recht op aftrek", Fisc.Act. 2010, nr. 36, p. 1-4).
De vermeende goede trouw van eiseres kan niet gevolgd worden. Reeds op het eerste gezicht had de niet conformiteit van de facturen kunnen vastgesteld worden. Eiseres had om een correcte factuur kunnen vragen.
Dit deel van de vordering van eiseres is niet gegrond.
3.2.2. Wat betreft de aftrek van goederen niet voor professioneel gebruik
5. In het proces-verbaal werd een aftrek geweigerd (item 2) van drie aankopen van GSM-toestellen, nu het gebruik in het kader va de economische activiteit niet zou zijn aangetoond. Thans wordt het professionele gebruik van deze aankopen niet meer betwist, zodat de vordering van eiseres op dit punt gegrond is.
3.2.3. Wat betreft de overdracht van een algemeenheid van goederen
6.
6.1. In item 3 van het proces-verbaal van 12/12/2003 werd vastgesteld dat een factuur met nr. I/01 werd opgesteld door de N.V. R. L. met vrijstelling van BTW op grond van art. 11 W.BTW. De vermelding op de factuur betreft “overdracht van handelsfonds en clienteel”. Dit werd evenwel verworpen omdat eiseres niet zou bewijzen dat deze overname voldeed aan art. 11 W.BTW, met name dat de overgenomen goederen en diensten zijn gebruikt voor het verrichten van handelingen die recht op aftrek verlenen.
Eiseres concludeert hieromtrent en stelt dat het zou gaan om de overname van een wijnhandel.
6.1. Hoewel eiseres in het lang en in het breed concludeert over het feit dat het zou gaan om de overname van de wijnhandel (wat trouwens ook ter discussie staat, zie verder), blijkt uit geen enkel stuk dat deze wijnhandel ook effectief werd verdergezet of dat er een intentie in die zin was.
Opdat de vrijstelling van art. 11 W.BTW zou kunnen van toepassing zijn, moet immers deze overdracht kaderen in een belastingplichtige activiteit. Dit volgt uit de formulering “wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken”. Dit recht op aftrek ontstaat pas indien de overgenomen algemeenheid nadien ook aangewend wordt voor een belastingplichtige of vrijgestelde activiteit (art. 45, § 1, W.BTW) of minstens de bedoeling hiervoor bestaat (vgl. Hof van Justitie nr. C-497/01, 27/11/2003).
Het betoog van eiseres (er zou een wijnhandel uitgebouwd worden) steunt op loutere beweringen. Hiervan wordt door eiseres niet het minste materiële bewijs (bijv. door haar opgestelde facturen in het kader van de verderzetting van deze activiteit) bijgebracht, zelfs van de bedoeling om een bedrijfsactiviteit in deze zin op te starten wordt het bewijs niet geleverd.
De overdrachrt van een “handelsfonds” door eiseres bij overeenkomst van 13/03/2007 bewijst nog niet dat in de tussenperiode een economische activiteit werd ontwikkeld met het handelsfonds dat in 2001 zou zijn overgenomen. Indien dit zo was geweest, had eiseres hieromtrent minstens facturen moeten kunnen voorleggen. Op heden ligt van deze vermeende economische activiteit, of zelfs het voornemen hiertoe, niets voor. Noch bewijst eiseres dat het voorwerp van deze overeenkomst van 2007 de betreffende “wijnhandel” zou zijn (de overeenkomst van 13/03/2007 heeft het over verluchtingstoestellen en stenen voor het bouwen van een wijnkelder).
Bovendien zijn de overeenkomst van 10/03/2001 en de betreffende factuur (-en) (stukken 4 en 5 verweerder) dermate summier dat niet kan nagegaan worden wat nu eigenlijk het voorwerp (in het proces-verbaal werd reeds opgemerkt dat het waarschijnlijk geen wijnhandel betrof, doch enkel de wijnen, op grond van een verklaring van de heer B.) uitmaakte van deze overdracht en dus in welke mate dat een economische activiteit hiermee kon worden uitgeoefend.
Op grond van art. 51bis, § 1, 3° W.B.TW kan een navordering uitgeoefend worden ten aanzien van eiseres, gelet op de “onjuiste vermelding” op betreffende factuur.
Dit deel van de vordering van eiseres is niet gegrond.
3.2.4. Wat betreft de vermeende overtreding in verband met de verplichte aangifte van verrichte herzieningen
7. Op dit punt laat eiseres geen middelen gelden.
3.2.5. Wat betreft de administratieve geldboete
8. In tegenstelling tot wat eiseres meent, kan deze administratieve geldboete op grond van art. 51bis W.BTW ook op eiseres verhaald worden, nu deze ook gehouden is tot betaling van de BTW (art. 70, § 1, 2de lid W.BTW).
Wel dient de boete verminderd te worden in het licht van randnummer 5 hoger. Verweerder verklaart zioch in deze akkoord met de berekening ter zake door eiseres.
4. KOSTEN, WAARDEN VAN DE VORDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDINGEN
9. Nu de vordering slechts beperkt gegrond is, komt het gepast voor partijen elk te veroordelen tot het drgen van de eigen kosten.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 3, 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig.
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond, behoudens het hierna volgende,
Zegt dat de verschuldigde BTW in het proces-verbaal van 12/12/2003 opgenomen onder item 2 (€ …) niet verschuldigd is en zegt dat ingevolge hiervan de opgelegde administratieve geldboete dient beperkt te worden tot € …,
Veroordeelt partijen elk tot het dragen van de eigen kosten.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 14 januari 2013.
Waar aanwezig waren en zitting namen:
De heer J. V. B. : toegevoegd rechter
Mevrouw N. L. : griffier.
N. L. J. V. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.