Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles dd
Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles dd. 03.03.2005, Cause 2002/AR/79
Le Courrier Fiscal 2005/482
Cession ou la concession du droit d'exercer une activité professionnelle.
Location immobilière.
Centres d'affaires ou de services.
Opérations imposables.
Résumé
Un contrat de bail suppose en principe que le locataire a droit à une jouissance complète et privative du bien pendant la durée du bail. Cela n'empêche cependant pas que le propriétaire peut également se réserver la jouissance du bien.
En l'espèce, le propriétaire de bâtiment ne s'est pas réservé un droit «concurrent» de jouissance sur le bâtiment. Il ressort notamment des faits que le centre de congrès et ses salles de réception étaient mis simultanément à la disposition des différents utilisateurs. Les contrats ne prévoient aucune clause concernant l'emplacement et le moment où les salles seront utilisées.
La cour est d'avis que les contrats conclus entre l'assujetti et les utilisateurs du bâtiment ne sont pas compatibles avec la qualification juridique des baux, c'est-à-dire des contrats qui accordent aux locataires le droit de bénéficier de la jouissance paisible de la chose louée pour toute la durée du contrat. La façon dont le prix est déterminé dans les contrats conclus entre l'assujetti et les utilisateurs n'indique pas non plus l'existence de baux. En effet, le prix payé par les utilisateurs ne correspond pas à un montant fixe mensuel payé en contrepartie d'une utilisation permanente et paisible d'un bien, mais est fixé annuellement sur la base d'un budget qui est adapté en prenant en considération l'utilisation effective et les services fournis durant une période antérieure.
L'article 1719 du Code Civil prévoit que le bailleur est non seulement tenu de délivrer au preneur la chose louée, mais également d'en laisser jouir paisiblement le preneur pendant la durée du bail. En l'espèce, le bailleur ne peut respecter cette bligation puisqu'il a mis les mêmes espaces à la disposition de ifférentes sociétés.
Il ressort des faits que la mise à disposition des locaux relève d'une prestation de services globale fournie par l'assujetti. Les services fournis par l'assujetti ont pour but de permettre aux utilisateurs d'exercer leur activité professionnelle dans les locaux mis à leur disposition. De tels services entrent dans le champ d'application de la TVA en application de l'article 18, § 1er, al. 2, 6° du CTVA. Selon la cour, il ne peut être question d'une location que s'il est possible de déterminer de façon précise l'objet de la location. Si ce n'est pas le cas, il ne s'agit pas d'une location mais d'un autre service qui tombe dans le champ d'application de la TVA.
Texte intégral
Corps de la décision
HOF van BEROEP te BRUSSEL
Zesde fiscale kamer
Nr. van de zaak : 2002/AR/79
Openbare terechtzitting van 03.03.2005
IN ZAKE VAN :
De N.V. B., met maatschappelijke zetel gevestigd te …,
appellante,
vertegenwoordigd door Meester A.C., advocaat
(…)
TEGEN :
1. DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te V.,
2. DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor te Z., wiens burelen gevestigd zijn te …
geïntimeerden,
vertegenwoordigd door Meester A.D., advocaat,
(…)
Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit:
R. 2005/1490 EINDARREST - Gegrond.
Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel na tegenspraak gewezen op 28 september 2001 (A.R. 98/1.520/A), waarvan geen exploot van betekening wordt overgelegd en waartegen een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld door appellante bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 11 januari 2002;
Ter zitting van 16 december 2004 verklaarde appellante bij monde van haar raadsman afstand te doen van haar verzoek tot behandeling van deze zaak voor een zetel van drie raadsheren. Geïntimeerde verklaarde zich bij monde van zijn raadsman eveneens akkoord om de zaak te behandelen voor een zetel van één raadsheer.
De procedure in eerste aanleg
Op 28 januari 1998 stelde huidig appellante een inleidende vordering in tegen huidig geïntimeerde teneinde de uitvoering te horen verbieden van het dwangbevel, uitgevaardigd door de e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Vilvoorde op 19 december 1997 en betekend door gerechtsdeurwaarder F. op 7 januari 1998, strekkende tot betaling van het onbetaalde saldo van een bedrag van 2.025.054 BEF als BTW en een bedrag van 202.000 BEF als geldboete en vermeerderd met de wettelijke intresten, te horen zeggen voor recht dat appellante de in het dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd is, zowel betreffende de BTW als de boeten, kosten en intresten, en geïntimeerde te horen veroordelen om aan appellante terug te betalen het bedrag van 618.932 BEF, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten.
Geïntimeerde concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.
In het bestreden vonnis van 28 september 2001 oordeelde de eerste rechter als volgt:
- partijen zijn het er terecht over eens dat in de fiscale wet geen omschrijving gegeven wordt van onroerende verhuur, zodat men zich voor een definitie van dit begrip dient te baseren op het gemeen recht;
- wegens de onroerende aard van het verhuurde goed, is in casu sprake van onroerende verhuur; deze onroerende verhuur gaat gepaard met andere diensten, zoals opgesomd in de verschillende contracten;
- de voorgelegde huurovereenkomsten zijn voldoende duidelijk; het ter beschikking stellen van lokalen maakt een essentieel element uit van de overeenkomsten, die bovendien alle van onbepaalde duur zijn en bij opzegging een verplichting van vooropzeg tussen 4 en 12 maanden voorzien; men kan de terbeschikkingstelling bijgevolg niet precair noemen, zoals appellante ten onrechte doet;
- het feit dat de huurder geen exclusief recht van genot op de lokalen heeft, belet niet dat het gaat om een onroerende verhuur, die niet noodzakelijk exclusief dient te zijn; zodoende kan appellante niet tegen zichzelf het argument gebruiken dat zij artikel 1719, 3° B.W. betreffende het rustig genot zou schenden, temeer daar de overeenkomsten voorzien dat de huurders de andere bedrijven die er gevestigd zijn, niet mogen storen;
- ook al maakt het ter beschikking stellen van de lokalen deel uit van een dienstenpakket dat, al dan niet bewust, ruimer geformuleerd is, toch blijft deze terbeschikkingstelling nog aan de bepalingen van artikel 1709 B.W. voldoen, zodat het om een verhuring blijft gaan;
- aangezien appellante een door artikel 44 W. BTW vrijgestelde handeling verricht, mag zij de BTW geheven naar aanleiding van de facturen vermeld in het PV van 14 april 1997, niet in aftrek brengen doordat de verhuur van onroerende goederen een van voorbelasting vrijgestelde handeling is een ook niet voorkomt in artikel 45, § l, 1° tot 5° W.BTW;
En verklaarde de vordering ontvankelijk maar ongegrond.
De procedure in hoger beroep
Ter beoordeling door het hof ligt voor:
- het door appellante op 11 januari 2002 ingestelde hoger beroep, waarbij zij haar oorspronkelijke vordering volledig herneemt.
Geïntimeerde concludeert tot de bevestiging van het bestreden vonnis.
De feiten en retroakten
De eerste rechter heeft de voor dit geschil relevante feiten en retroakten op nauwkeurige wijze weergegeven, zodat het hof naar de betreffende uiteenzetting van het bestreden vonnis verwijst en deze volledig tot de zijne maakt.
De beoordeling
1.- De bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal strekt zich enkel uit tot de persoonlijke materiële vaststellingen die de controlerende ambtenaar in de uitoefening van zijn opdracht heeft gedaan en niet tot de gevolgtrekkingen die hij uit de geconstateerde feiten afleidt.
De juridische kwalificatie van de contracten als "onroerende verhuur" is geen materiële vaststelling maar wel een gevolgtrekking van de ambtenaar en valt derhalve niet onder de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal.
2.- In de voorliggende overeenkomsten verleent appellante aan resp. de NV P., de NV E., de NV P.I., de NV P. , de NV P. en de NV A. een globaal dienstenpakket, bestaande uit ondermeer bewakingsdienst, receptiedienst, telefoniste en telexbediening, kantine en bedrijfsrestaurant en drankverdelers, verzekering van het gebouw en in sommige gevallen postverdeling, personeelsadministratie en gebruik van computer soft ware.
In de zes voorliggende overeenkomsten is in dit dienstenpakket eveneens begrepen: "congrescentrum met vergaderzalen en diensten".
De overeenkomsten gesloten tussen appellante en resp. de NV E. en de NV A. vermelden apart: " beschikbaar stellen van telefooncentrale centrale unit voor max. 15 personen".
De overeenkomsten gesloten russen appellante en resp. de NV E. en de NV A. vermelden bovendien: "beschikbaar stellen van ruimte in module l, verdieping bestaande uit 2 units met inbegrip van het gebruik van de aanwezige nutsvoorzieningen op basis van een normaal kantoor gebruik voor max. 15 personen.".
De overeenkomsten gesloten tussen appellante en resp. de NV P.I. en de NV P. vermelden bovendien: " beschikbaar stellen van ruimte in module B, gelijkvloers bestaande 2/8 units met inbegrip van het gebruik van de aanwezige nutsvoorzieningen op basis van een normaal kantoor gebruik voor max. 15/50 personen alsmede hardware infrastructuur zoals scheidingswanden, verbinding tussen gebouwen 573-540".
De ruimte die door appellante aan de NV P. en de NV P. ter beschikking werd gesteld werd in de resp. overeenkomst niet bepaald.
Betreffende de kosten bepalen de zes voorliggende overeenkomsten:
- de kosten worden jaarlijks in het begin van het jaar russen de partijen afgesproken op basis van een jaarbudget dat rekening houdt met de gevraagde en de te leveren prestaties en diensten in de loop van het jaar;
- de kosten worden onder de vorm van voorschotten maandelijks gefactureerd met een jaarlijkse eindafrekening;
- de budgetten kunnen aangepast worden volgens de evolutie van de te leveren prestaties en diensten of volgens de evolutie van de kostprijzen;
- de eindafrekening gebeurt volgens reële kosten verhoogd met 3% administratiekosten op basis van verdeelsleutels of specifiek toewijsbare kosten.
De zes overeenkomsten werden voor onbepaalde duur gesloten, ledere partij kan de overeenkomst opzeggen mits betekening van een vooropzeg die varieert van zes tot twaalf maanden.
Vijf van de zes overeenkomsten bepalen tevens dat de wederpartij van appellante geen recht heeft tot het aanbrengen van enige wijziging aan het terbeschikkinggestelde en dat zij zich in het gebouw en omgeving niet storend zal gedragen in de samenleving met andere bedrijven die er gevestigd zijn.
3.- Het hof stelt derhalve vast dat het "congrescentrum met vergaderzalen en diensten" door appellante voor dezelfde periode aan zes verschillende vennootschappen middels zes onderscheiden contracten ter beschikking werd gesteld.
Er ligt geen enkel document voor, waaruit blijkt dat vooraf contractueel werd bepaald welk deel van het congrescentrum aan welke vennootschap zou worden ter beschikking gesteld of op welke dagen of uren het gehele congrescentrum ter beschikking was van deze of gene vennootschap.
Ondanks het ter beschikking stellen van de congresruimte aan zes verschillende vennootschappen tegelijk, werd geen verdeling in ruimte en/of tijd contractueel vastgelegd.
Verder is vast te stellen dat ook de overige ter beschikking gestelde ruimten aan de NV P. en de NV P. niet contractueel werden bepaald en niet nauwkeurig werden omlijnd.
Een precisering werd wel aangebracht in de contracten gesloten met de NV E. en de NV A.. Aan beide vennootschappen werden twee units in module l, verdieping ter beschikking gesteld. Ook hier werden echter bedrijfsruimte of delen van bedrijfsruimte ter beschikking gesteld aan twee vennootschappen tegelijk, zonder verdere precisering in ruimte en/of tijd die zou toelaten om de onderscheiden aanspraken van deze vennootschappen te individualiseren.
Hetzelfde geldt voor de overige bedrijfsruimte die tegelijk middels onderscheiden contracten ter beschikking werd gesteld aan de NV P.I. en de NV P.
Hetzelfde geldt ook voor de " telefooncentrale centrale unit voor max. 15 personen" die tegelijk middels onderscheiden contracten ter beschikking werd gesteld aan de NV E. en de NV A.
Tenslotte valt op dat in de zes voorliggende overeenkomsten de door de wederpartij van appellante te betalen vergoeding evenmin reeds contractueel werd vastgelegd. Deze vergoeding zal jaarlijks worden afgesproken op basis van een jaarbudget dat rekening houdt met de effectief gevraagde en te leveren diensten en prestaties in de loop van het jaar en dat ook kan worden aangepast volgens de evolutie van de effectief te leveren prestaties en diensten.
4.- Er is sprake van een huurovereenkomst, wanneer de ene partij zich verbindt om de andere het genot van een zaak te doen hebben gedurende een zekere tijd en tegen een bepaalde prijs, die de laatstgenoemde zich verbindt te betalen ( artikel 1709 B.W.).
Uit hoofde van de huurovereenkomst wordt de huurder titularis van een schuldvordering jegens de verhuurder en heeft hij - in principe - voor de duur van de overeenkomst recht op een volledig en privatief genot van de zaak. Weliswaar kan de verhuurder voor zichzelf tegelijk het permanente genot van de zaak bedingen. Indien de plaatsen slechts worden verhuurd voor een gedeelte van de dag, de week of de maand, kunnen zij buiten deze overeengekomen uren ook aan derden ter beschikking worden gesteld ( cf. Louveaux B., Le droit du bail, Brussel, De Boeck, 1993, 12-14).
In de voorliggende overeenkomsten heeft appellante geen concurrerend recht van genot op de zaak gereserveerd. Evenmin werden de lokalen slechts voor bepaalde uren of dagen per week of per maand aan de onderscheiden wederpartijen van appellante ter beschikking gesteld.
Daarentegen werd het congrescentrum met vergaderzalen en diensten voor onbepaalde duur aan zes vennootschappen tegelijk ter beschikking gesteld, zonder verdere verdeling - althans niet in de overeenkomsten - in ruimte en/of tijd die zou toelaten om de onderscheiden aanspraken van deze vennootschappen te individualiseren.
Dergelijke overeenkomsten zijn onverenigbaar met de juridische kwalificatie van een huurovereenkomst, die aan de huurder het recht verschaft jegens de verhuurder op het ongestoorde genot van de volledige gehuurde zaak voor de ganse duur van de overeenkomst (behoudens beperkingen in de overeenkomst in de hiervoor besproken zin die, zoals hiervoor werd uiteengezet, in casu niet aanwezig zijn).
Ook de te betalen prijs blijkt geen vast maandelijks bedrag te zijn als vergoeding voor een permanent en ongestoord genot maar wordt jaarlijks opnieuw afgesproken op basis van een budget, dat kan worden aangepast en dat rekening houdt met de effectief door de wederpartij van appellante gevraagde diensten in het kwestieuze gebouw.
Artikel 1719 B.W. bepaalt dat de verhuurder, uit de aard van het contract en zonder dat daartoe enig bijzonder beding nodig is, verplicht is:
l ° het verhuurde goed aan de huurder te leveren;
...
3° de huurder het rustig genot daarvan te doen hebben zolang de huur duurt.
Te dezen kan appellante uit de aard van de voorliggende contracten deze verplichtingen geenszins naleven, vermits dezelfde ruimte voor dezelfde duur aan zes verschillende vennootschappen middels zes onderscheiden contracten ter beschikking werd gesteld, zonder verdere verdeling - althans niet in de overeenkomsten - in ruimte en/of tijd die zou toelaten om de onderscheiden aanspraken van deze vennootschappen te individualiseren.
In die omstandigheden kan appellante ten aanzien van ieder van deze vennootschappen tegelijk onmogelijk zijn leveringsplicht uitvoeren en het rustig genot van het gehuurde goed waarborgen, vermits iedere vennootschap onvermijdelijk zou geconfronteerd worden met een rechtsstoornis van derden, te weten de andere vijf vennootschappen, aan wie appelante een volledig concurrerend recht op het gehuurde goed heeft toegestaan.
Dit rustig en ongestoord genot wordt evenmin verzekerd door de bepaling in vijf van de zes overeenkomsten dat de wederpartij van appellante zich in het gebouw en omgeving niet storend zal gedragen in de samenleving met andere bedrijven die er gevestigd zijn. Dit wijst er integendeel op dat ieder bedrijf in het kwestieuze gebouw in voorkomend geval ook de aanwezigheid van andere bedrijven moet gedogen.
Dezelfde overwegingen gelden ook voor de overige ruimten die door appellante middels de litigieuze contracten ter beschikking werden gesteld.
Zoals hiervoor werd uiteengezet, kunnen de NV E. en de NV A. tegelijk aanspraak maken op 2 units in module l en op "telefooncentrale centrale unit voor max. 15 personen", zonder verdere preciseringen in de contracten die zouden toelaten om de onderscheiden aanspraken van deze vennootschappen te individualiseren.
Zoals hiervoor werd uiteengezet, kunnen de NV P.I. en de NV P. tegelijk aanspraak maken op resp. 2 en 8 units in module B, zonder verdere preciseringen in de contracten die zouden toelaten om de onderscheiden aanspraken van deze vennootschappen te individualiseren.
Voor wat betreft de contracten gesloten met de NV P. en de NV P. werd de overige ter beschikking gestelde ruimte zelfs niet bepaald of nauwkeurig afgelijnd. Indien het onmogelijk is om het precieze voorwerp van de huur te bepalen, is er geen huur (cf. Merchiers Y., Le bail en général, Brussel, Larcier, 1997, 141).
Het hof is dan ook van oordeel dat in al deze overeenkomsten, mede gelet op de overeengekomen wijze van vergoeding, het ter beschikking stellen van lokalen volkomen ondergeschikt is aan de globale door appellante verleende diensten teneinde de betrokken ondernemingen toe te laten aldaar hun beroepswerkzaamheid uit te oefenen. Het blijkt duidelijk dat de ruimte die wordt aangewend afhankelijk is van de wisselende behoeften van de betrokken onderneming en dat ook de te betalen vergoeding aan deze wisselende behoeften wordt aangepast. Het essentieel voorwerp van de litigieuze overeenkomsten bestaat uit het geheel van de door appellante verleende diensten, waarvan het ter beschikking stellen van bedrijfsruimte - zonder exclusiviteit en in sommige gevallen zonder nauwkeurige afbakening - slechts een bijkomstige handeling is.
5.- Ter zake sluit het hof zich aan bij de administratieve beslissing nr. E.T. 53.728 van 9 maart 1990, luidend als volgt:
" De door bedrijven- en dienstencentra ter beschikking van hun klanten (huurders) gestelde delen van lokalen en ruimten die onroerend uit hun aard zijn en waarop een exclusief recht van genot verleend wordt, is een handeling die buiten de werkingssfeer van de BTW valt. Daarentegen dient de terbeschikkingstelling van lokalen en andere ruimten bestemd voor het gemeenschappelijk gebruik van de huurders (vergaderzalen, restaurant, enz.) te worden aangemerkt als een dienst bedoeld in artikel 18, § l, 6° van het Wetboek. Die dienst, net overigens als de andere door het bedrijven- of dienstencentrum verleende administratieve en andere in het Wetboek bedoelde diensten, zijn aan de BTW onderworpen tegen het tarief dat geldt volgens de eigen aard van iedere prestatie.".
Vermits te dezen niet wordt bewezen dat de betrokken ondernemingen ieder voor zich een recht van exclusief genot, met uitsluiting van de andere ondernemingen, op welbepaalde vaststaande gedeelten van de bedrijfsruimte kunnen laten gelden, kan de dienstverlening van appellante in het kader van de overeenkomsten met de toenmalige verbonden vennootschappen niet geheel of gedeeltelijk als "onroerende verhuur" worden gekwalificeerd. Deze dienstverlening ressorteert daarentegen onder het verlenen van het recht op uitoefening van een beroepswerkzaamheid in de zin van artikel 18, § 1,6° (oud) BTW-Wetboek.
In de litigieuze overeenkomsten hebben partijen uitdrukkelijk verklaard dat de overeenkomst geen huurrecht creëert zodat de bepalingen van het burgerlijk wetboek inzake huur uitdrukkelijk buiten toepassing worden verklaard. Deze bepaling blijkt met de werkelijke bedoeling van partijen en met de economische realiteit overeen te stemmen.
Aan deze overwegingen doen geen afbreuk:
- het feit dat sommige betrokken ondernemingen hun maatschappelijke zetel in het litigieuze gebouw hadden gevestigd;
- het feit dat in de litigieuze contracten een opzegtermijn van zes tot twaalf maanden werd voorzien;
- het feit dat het statutair doel van appellante tevens het verhuren van onroerende goederen omvatte.
6. Uit het voorgaande volgt dat de in het dwangbevel van 19 december 1997 gevorderde BTW, boete, intresten en kosten door appellante niet verschuldigd zijn.
Appellante vordert in haar beroepsconclusies de teruggave van de ingehouden bedragen zonder deze bedragen te preciseren.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,
Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;
Hervormt het vonnis a quo in zijn bestreden beschikkingen en, opnieuw rechtsprekend;
Verklaart de oorspronkelijke vordering gegrond;
Zegt voor recht dat appellante de in het bestreden dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd is en verbiedt de uitvoering van dit dwangbevel;
Beveelt de teruggave overeenkomstig het BTW-wetboek van de ingehouden bedragen, te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidintresten;
Veroordeelt geïntimeerden tot de gerechtskosten van beide aanleggen, begroot in graad van hoger beroep op 466,04 EUR voor appellante en op 466,04 EUR voor geïntimeerden.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 03.03.2005
alwaar aanwezig waren en zitting namen :
- B.V., raadsheer,
- C.D.N., griffier.
(get.)
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.