Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance e Bruxelles du 13.09.2002
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL
AR : 98/10.657/A + 98/10.658/A
Verzet tegen dwangbevel
Eindvonnis op tegenspraak & samenvoeging
BIJLAGE : 2 dagvaardingen
5 conclusies
In de zaak :
C. D. L. D. I. T. D. V. D. L’U. E (C.), gevestigd te …, …, BTW-identificatienummer …, hierbij krachtens artikel 15 van de Statuten geldig vertegenwoordigd door de heer D. D., secretaris-generaal;
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. L. D. B., advocaat te …, … (…);
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van :
1.de eerstaanwezend inspecteur (ontvanger) van het 5de BTW-ontvangkantoor te Brussel, met kantoren gevestigd te 1000 Brussel, Cantersteen 47,
2.de eerstaanwezend inspecteur (hoofdcontroleur) van de 7de BTW-controle van Brussel, met kantoren gevestigd te 1000 Brussel, Cantersteen 47;
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. J. H., advocaat te …, …;
In deze zaak, in beraad genomen op 21 juni 2002, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :
I. PROCEDURE
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :
a) in de zaak gekend onder AR nr. 98/10657/A :
- het exploot van dagvaarding houder.de akte van verzet van gerechtsdeurwaarder P. V. te …, betekend op 7 oktober 1998, waardoor de zaak aanhangig werd gemaakt;
- de beschikking "art. 747, § 2 Ger. W." van deze rechtbank van 21 september 2001;
- de besluiten, aanvullende besluiten en tweede aanvullende en synthesebesluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 7 mei 1999, op 8 februari 2002 en op 10 april 2002 (deze besluiten, aanvullende besluiten en tweede aanvullende en synthesebesluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder AR nr. 98/10658/A);
- de besluiten en aanvullende en hernemende besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 3 januari 2002 en op 12 maart 2002 (deze besluiten en aanvullende en hernemende besluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder AR nr. 98/10658/A);
b) in de zaak gekend onder AR nr. 98/10658/A :
- het exploot van dagvaarding in terugbetaling van gerechtsdeurwaarder P. V. te …, betekend op 7 oktober 1998, waardoor de zaak aanhangig werd gemaaktt;
- de beschikking "art. 747, § 2 Ger. W." van deze rechtbank van 21 september 2001;
- de besluiten, aanvullende besluiten en tweede aanvullende en synthesebesluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 7 mei 1999, op 8 februari 2002 en op 10 april 2002 (deze besluiten, aanvullende besluiten en tweede aanvullende en synthesebesluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder AR nr. 98/10657/A)
- de besluiten en aanvullende en hernemende besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 3 januari 2002 en op 12 maart 2002 (deze besluiten en aanvullende en hernemende besluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder AR nr. 98/10657/A).
Partijen verklaren zich te beperken respectievelijk tot hun aanvullende en hernemende besluiten en tot hun tweede aanvullende en synthesebesluiten.
Gehoord ter openbare zitting van 21 juni 2002 de raadslieden van partijen, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.
II. FEITEN EN RETROACTEN
C., huidige eiseres, is een vereniging voor de Europese vleesverwerkende industrie, opgericht in 1958. Zij stelt dat haar hoofdactiviteit erin bestaat hoofdzakelijk tegen statutaire bijdragen informatie te verstrekken aan haar leden met betrekking tot de vleessector in al zijn commerciële en juridische facetten, en dat zij subsidiair ook de economische belangen van haar leden verdedigt.
Uit dien hoofde meent C. dat zij overeenkomstig art. 4 W.BTW als een gemengde BTWbelastingplichtige dient te worden gekwalificeerd.
Op 24 januari 1992 diende C. een schriftelijk verzoek in bij de Centrale administratie van de BTW om te worden aangemerkt als een BTW-belastingplichtige met recht op aftrek.
Op 20 mei 1992 vond een onderhoud plaats tussen de heer d. V. van de BVBA J.P.C. d. V. Beheer, het boekhoudkantoor van C., en de heer V., toenmalig hoofdcontroleur van het BTWcontrolekantoor van Brussel 7, teneinde de activiteiten van C. te verduidelijken en toe te lichten.
Op 4 september 1992 besliste de Centrale administratie van de BTW dat C. als een gemengde belastingplichtige werd aangemerkt en dat zij de BTW ter zake van de voor haar beroepswerkzaamheid gebruikte goederen en diensten in aftrek mocht brengen. Aan C. werd het BTW-identificatienummer … toegekend met ingang van 1 november 1991.
Op 30 september 1992 werd het BTW-nummer van C. ambtshalve geschrapt.
Op 5 oktober 1992 vond bij C. een BTW-controle plaats door de heer V. Z., op dat ogenblik waarnemend hoofdcontroleur bij de BTW, registratie en domeinen en verbonden aan de 7de BTW-controle van Brussel, teneinde de juiste toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake BTW te controleren o.a. met betrekking tot de hoedanigheid van belastingplichtige en de aftrekregeling. Deze controle had betrekking op de periode van 1 februari 1991 tot 30 september 1992.
Op 6 oktober 1992 richtte C. zich tot de Centrale administratie van de BTW, met verzoek tot volledige aftrek van de voorbelasting op de door het bureau d. V. uitgereikte facturen teneinde het probleem van de concurrentieverstoring op te lossen.
Op 21 oktober 1992 vond een onderhoud plaats op de Centrale administratie van de BTW, waarna laatstgenoemde bij beslissing van 25 november 1992 besliste dat haar standpunt omtrent de gemengde BTW-plicht behouden bleef.
Op 10 december 1992 maakte de heer V. Z., een ontwerp van proces-verbaal over aan C., waarin hij stelde dat C. niet kon worden beschouwd als een BTW-belastingplichtige, zelfs niet als een gemengde BTW-belastingplichtige. Derhalve werd de uitgeoefende BTW-aftrek verworpen, nu C. volgens hem alleen handelingen stelde die vrijgesteld zijn van BTW op grond van art. 44, § 2, 11° W.BTW.
Op 17 december 1992 richtte C. een hernieuwd verzoek aan Centrale administratie van de BTW, waarna deze laatste op 18 februari 1993 antwoordde dat C. totaal geen recht op aftrek had.
Op 2 maart 1993 werd een definitief proces-verbaal opgesteld, waarin de volgende sommen werden gevorderd :
- als BTW : de som van … euro;
- als fiscale geldboete krachtens art. 70, § 1bis W.BTW en overeenkomstig het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 verminderd tot … euro.
Op 18 augustus 1993 werd een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 6 september 1993 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.
Op 10 november 1993 werd het dwangbevel aan C. ter kennis gebracht tot betaling van een som van … euro als BTW en … euro als boete. Na aftrek van de som van … euro, die C. zonder enige nadelige erkentenis reeds bij bankoverschrijving aan de Belgische Staat had overgemaakt, diende zij luidens het dwangbevel nog een bedrag te betalen van … euro als BTW en … euro als geldboete.
In de loop van de maand februari 1994 werd een bedrag van … euro met toestemming van C. toegerekend.
Op 3 maart 1994 richtte C. een brief aan de toenmalige minister van Financiën, die op 14 september 1994 het standpunt van de Centrale administratie van de BTW bevestigde.
Op 24 augustus 1995 diende C. een verzoekschrift in tot kwijtschelding van de boeten.
Op 30 oktober 1995 werd aan C. meegedeeld dat geen gunstig gevolg kon worden gegeven aan dit verzoekschrift.
Op 11 maart 1997 richtte de fiscaal raadgever van C. een brief aan de Centrale administratie van de BTW met het verzoek haar zaak opnieuw te onderzoeken.
Op 18 januari 1998 en 1 maart 1999 werd nogmaals het ongewijzigde standpunt van de Centrale administratie van de BTW aan C. meegedeeld.
Op 7 oktober 1998 ging C. over tot dagvaarding houdende akte van verzet tegen het dwangbevel.
Op dezelfde dag ging zij over tot dagvaarding in terugbetaling van de voorbelasting alsmede· van de reeds betaalde bedragen.
III. IN RECHTE
A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
Eiseres vraagt haar vorderingen toelaatbaar te verklaren; dienvolgens :
- in toepassing van art. 30 Ger. W. de vordering strekkende tot ongegrondverklaring van het dwangbevel enerzijds en de vordering tot teruggaaf-anderzijds samen te voegen;
- in de mate dat verweerder nalaat zijn dossier te vervolledigen, haar vorderingen in te willigen wegens manifeste schending van de rechten van verdediging;
- het dwangbevel ongegrond te verklaren, minstens vast te stellen dat eiseres een gemengde belastingplichtige is met een recht op aftrek voor 80 % van haar activiteiten;
- de vordering tot teruggaaf ontvankelijk en gegrond te verklaren; terugbetaling te bevelen van reeds betaalde sommen en ingehouden bedragen, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding, gesteld op … euro, - onder aftrek van 20 % van de BTW verhoogd met een boete van 10 % en wettelijke interesten -, te vermeerderen met wettelijke nalatigheidsinteresten overeenkomstig art. 91 W.BTW;
- - in ondergeschikte orde - de opgelegde belastingverhoging en de nalatigheidsinteresten kwijt te schelden;
- het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal of hoger beroep en met uitsluiting van het kantonnement.
Verweerder vraagt :
- de samenvoeging van de zaken ingeschreven op de AR onder de nrs. 98/10657/A en 98/10658/A te bevelen op grond van art. 30 Ger. W.;
- de vorderingen van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en haar in al haar eisen af te wijzen.
B. BEOORDELING
a) Wat de bevoegdheid van deze rechtbank betreft
Op vraag van de rechtbank hebben beide partijen verklaard dat de inhouding van gelden van eiseres, die in onderhavige zaak heeft plaatsgevonden, niet is gebeurd bij wijze van klassiek derdenbeslag. Derhalve vindt het K.B. nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake BTW, dat in zijn art. 8, 1, § 3, lid 10 uitdrukkelijk bepaalt dat de enige rechtsingang van verweer tegen de inhouding die de belastingplichtige bezit, deze is van verzet bedoeld in art. 1420 Ger. W., met name verzet bij de beslagrechter, in casu geen toepassing.
Derhalve is deze rechtbank bevoegd om met volle rechtsmacht van onderhavig geding kennis te nemen.
b) Wat de samenvoeging van de zaken wegens samenhang betreft
Krachtens art. 30 Ger. W. past het de onderscheiden zaken, gekend onder AR nr. 98/10657/A en AR nr. 98/10658/A, als samenhangende zaken te behandelen, aangezien zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het de rechtbank als wenselijk voorkomt ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar zouden kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk berecht zouden worden.
c) Wat het verzoek tot vervolledigen van het dossier ex art. 877 Ger. W. betreft
In haar aanvullende en hernemende besluiten stelde eiseres dat in het ontwerp proces-verbaal van de hand van de heer V. Z. geen sprake is van de verklaringen van … die wel werden opgenomen in het definitieve proces-verbaal van 2 maart 1993.
Volgens eiseres verklaart het feit dat een ontwerp proces-verbaal, overgemaakt op 10 december 1992, nog verder op een essentieel punt werd aangevuld in de definitieve versie, drie maanden later, maar zonder enige verdere controle, meteen waarom verweerder het ontwerp proces-verbaal niet heeft overgemaakt als stuk in zijn bundel. Derhalve vroeg zij de rechtbank om verweerder op te leggen het ontwerp proces-verbaal alsnog als stuk neer te leggen ter griffie in toepassing van art. 877 Ger. W.
In dezelfde geest verzocht eiseres in haar aanvullende en hernemende besluiten om stuk 15 van het bundel van verweerder te vervolledigen met alle bijlagen die bij deze brief waren gevoegd.
Ter zitting van 21 juni 2002 heeft eiseres evenwel toegegeven dat zij al de door haar gevraagde stukken in haar bezit heeft.
Derhalve dient niet verder te worden ingegaan op haar verzoek van eiseres tot het vervolledigen van het dossier ex art. 877 Ger. W.
d) Wat de gebrekkige motivering van het dwangbevel betreft
Eiseres wijst erop dat het dwangbevel, overeenkomstig art. 85 W.BTW, enerzijds de titel van de belastingschuld van een belastingplichtige en anderzijds de titel op grond waarvan een gedwongen tenuitvoerlegging door de Belgische Staat kan plaatsvinden vormt.
Naar haar oordeel kan een dwangbevel, net omwille van het feit dat het de enige titel van de belastingschuld jegens de Belgische Staat vormt, slechts rechtsgeldig worden beschouwd wanneer in het dwangbevel :
1. de belastingschuldige nauwkeurig wordt bepaald;
2. de som, tot betaling van dewelke het dwangbevel wordt uitgevaardigd, wordt vermeld;
3. het voorwerp en de grondslag van de vordering worden vermeld.
Deze laatste voorwaarde impliceert volgens eiseres dat het noodzakelijk is voor de inhoudelijke rechtsgeldigheid van een dwangbevel dat dit dwangbevel wordt gemotiveerd (zie : GENIN, E. en F., Commentaire du Code des droits d'enregistrement, de greffe et d'hypothèque, Brussel, F, Van Buggenhoudt, 1941, nr. 2064, p. 717).
In casu meent eiseres te moeten vaststellen dat het dwangbevel, samen met het proces-verbaal, alleen vermeldt dat zij geen recht op aftrek heeft, en dat deze beslissing op geen enkele wijze wordt gedragen door enige motivering.
Nochtans is het naar haar oordeel noodzakelijk, opdat een belastingplichtige zijn verzet tegen een dwangbevel met redenen zou kunnen omkleden, dat hij voorafgaandelijk kennis heeft kunnen nemen van de redenen, die de Belgische Staat ertoe hebben aangezet om tegen hem een navordering en een vervolging in te spannen, hetgeen in casu naar haar oordeel niet het geval is.
Derhalve meent eiseres dat het dwangbevel dan ook dient te worden vernietigd wegens gebrek aan voldoende motivering, minstens wegens een schending van de rechten van verdediging.
De rechtbank dient evenwel vast te stellen dat het proces-verbaal stelt dat, ingevolge de toepassing van art. 44, § 2, 11° W.BTW, de handelingen verricht door eiseres zijn vrijgesteld van belasting, en eiseres bijgevolg geen recht op aftrek kan uitoefenen op grond van art. 45, § 1 W.BTW.
Bijgevolg treedt de rechtbank verweerder bij, wanneer hij stelt dat het proces-verbaal verwijst naar de passende wetteksten die de verschuldigdheid van de BTW aantonen.
Nu de motiveringsplicht tot doel heeft de belastingschuldige duidelijk te maken op welke gronden de vordering steunt teneinde hem toe te laten ab initio te oordelen over zijn verweer met de middelen hem rechtens verschaft, en eiseres daarop antwoordde in haar akte van verzet, dient er inderdaad toe te worden besloten dat het proces-verbaal afdoende was gemotiveerd en dat het dwangbevel bijgevolg niet nietig is, noch dat de rechten van verdediging werden geschonden.
e) Wat de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige van eiseres betreft
Aangezien eiseres van oordeel is dat haar hoofdactiviteit erin bestaat informatie te verzamelen en te verstrekken aan haar leden met betrekking tot de vleessector in al zijn commerciële en juridische facetten en daarnaast geen of slechts zeer weinig syndicale activiteiten ontplooit, meent zij dat zij overeenkomstig art. 4 W.BTW als een BTW-belastingplichtige dient te worden gekwalificeerd. Zij stelt dat zij geen overleg met werknemersorganisaties en de overheid in het kader van CAO-onderhandelingen of in de organen van de Nationale Arbeidsraad, bedrijfsverenigingen enz... voert en dit evenmin op Europees niveau doet.
Voor de handelingen die betrekking hebben op haar uitermate subsidiaire economische belangenverdediging van haar leden meent eiseres dat zij geen recht op aftrek van de geheven BTW heeft (art. 46, § 1, juncto art. 44, § 2, 11° W.BTW).
Eiseres meent dat zij een gemengde BTWbelastlngplichtige is, zoals destijds werd·bevestigd door verweerder zelf in zijn beslissing van 4 september 1992 (ET 74532/TS). Niettegenstaande deze beslissing, was de heer V. Z. in het ontwerp proces-verbaal, dat haar werd overgemaakt op 10 december 1992, van oordeel dat eiseres een belastingplichtige zonder recht op aftrek was op grond van art. 44, § 2, 11° W.BTW en werd de totale aftrek van BTW in haren hoofde verworpen.
Eiseres kan daarmee niet akkoord gaan enerzijds omdat zij, naar haar oordeel, handelingen stelt die verder gaan dan de vrijstelling van art. 44, § 2, 11° W.BTW, en anderzijds omdat zij meent dat verweerder een ongeoorloofde ruime interpretatie hanteert van art. 44, § 2, 11° W.BTW, meer bepaald van de daarin voorkomende term 'syndicaal'.
a) Vooreerst stelt eiseres dat zij handelingen stelt die verder gaan dan de strikte vrijstelling van art. 44, § 2, 11° W.BTW en mede daarom een recht op aftrek van de BTW rechtvaardigen. Zij stelt dat zij aan de hand van werkingsdocumenten voldoende kan aantonen dat zij voormelde activiteiten ook effectief uitoefent. Daartoe verwijst zij naar haar stukken 5 - 47.
b) Vervolgens meent eiseres dat verweerder een ongeoorloofde ruime interpretatie van art. 44, § 2, 11° W.BTW hanteert. Zij verwijst naar de vaststaande Europese Rechtspraak volgens dewelke de bewoordingen waarin de in art. 13 van de Zesde richtlijn (waarvan art. 44, § 2, 11° W.BTW een implementatie is) bedoelde vrijstellingen zijn omschreven, strikt dienen te worden uitgelegd, aangezien die vrijstellingen afwijkingen zijn van het algemeen beginsel dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht.
Eiseres verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van 12 november 1998 (The Institute of the Motor Industry, C-149/97), waarin een nadere omschrijving van wat onder 'syndicaal' moet worden begrepen werd gegeven. Luidens de bewoordingen van dit arrest doelt de term 'syndicaal' immers 'specifiek op een organisatie die primair tot doel heeft, de collectieve belangen van haar leden - ongeacht of het gaat om werknemers, werkgevers, beoefenaars van vrije beroepen dan wel ondernemers die bepaalde economische activiteiten ontplooien - te behartigen en hen te vertegenwoordigen tegenover derden, daaronder begrepen overheidsinstanties' (R 20). Volgens het Hof van Justitie 'voldoet een Instelling zonder winstoogmerk, die als voornaamste doel heeft de collectieve belangen van haar leden te behartigen en hen te vertegenwoordigen, derhalve aan het criterium "activiteit van algemeen belang", dat ten grondslag ligt aan de in artikel 13, A, lid 1, sub I, van de richtlijn opgesomde vrijstellingen doordat zij haar leden in staat stelt in onderhandelingen met derden te worden gehoord en druk uit te oefenen (R 21).
In zijn Conclusie kwam de Advocaat-Generaal G. C. tot de bevinding dat het Institute of the Motor Industry geen syndicale organisatie is, omdat de taak van voormeld instituut erin bestaat 'om de leden op te leiden' en “de verspreiding van informatie waardoor de leden op de hoogte blijven van ontwikkelingen in de bedrijfstak” (R. 57).
Nu het voornaamste doel van eiseres, naar eigen zeggen, er niet in bestaat zich te profileren als drukkingsgroep, is zij niet-syndicaal in de zin van voormeld arrest van 12 november 1998 en is zij bijgevolg volledig onderworpen aan de belastingplicht met volledig recht op aftrek.
Eiseres voegt er nog aan toe dat zij, in de mate de interpretatie van voormeld arrest zou toelaten dat zij dient te worden beschouwd als een gemengde belastingplichtige, bereid is een percentage van 80 % te aanvaarden.
De rechtbank stelt vast dat eiseres haar doel in de akte van verzet en in de dagvaarding tot teruggaaf als volgt omschreef :
"De hoofdactiviteit bestaat erin informatie te verzamelen en te verstrekken aan haar leden met betrekking tot de vleessector in al zijn commerciële en juridische facetten (rendabiliteits- en productiviteitsanalyses van de vleessector en aanverwante sectoren; marktstudies en marketingpraktijken; public relations; wetgevende studies van de internationale regelgeving met betrekking tot de vleeswarenreglementering sensu stricto, de additievenreglementering, de veterinaire wetgeving, invoer-, uitvoer- en vervoerreglementering, … maar ook met betrekking tot wetgevende raakvlakken zoals bijvoorbeeld fiscaliteit of milieu en hun internationale implementaties; ...)”.
In haar brief van 24 januari 1992 gericht aan de Centrale administratie van de BTW stelde eiseres het volgende :
"C. heeft geen winstgevend doel en haar inkomsten bestaan hoofdzakelijk uit statutaire bijdragen van de aangesloten leden, waarbij deze bijdrage de uitgaven dekt gemaakt voor economische belangenverdediging van de aangesloten leden, maar ook de uitgaven gemaakt voor het verstrekken van diensten die niet behoren tot de vertegenwoordiging alsmede voor het verstrekken van zogenaamde “individualiseerbare diensten””.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in dat verband naar art. 44, § 2, 11° W.BTW verwijst.
In eerste instantie stelt verweerder dat deze bepaling volledig in overeenstemming is met art. 13, A, lid 1, sub I van de Zesde BTW-Richtlijn.
Verder doet verweerder met reden opmerken dat de vrijstelling van art. 44, § 2, 11° W.BTW van toepassing is ten aanzien van de handelingen die syndicaal van aard zijn, d.w.z. die bestaan in de economische belangenvertegenwoordiging van de leden bij alle internationale organisaties, aangezien zij worden verricht ten bate en in het gemeenschappelijk belang van al de leden en gedekt zijn door de betaling van een krachtens de statuten bepaalde bijdrage.
Verweerder is terecht van oordeel dat de term 'syndicaal' wel degelijk van toepassing is op eiseres.
Daartoe verwijst zij met reden in eerste instantie naar de statuten van eiseres, en vervolgens ook naar het proces-verbaal van 2 maart 1993. Daarin werden de verklaringen van …, alsook van de heer d. V. opgenomen volgens dewelke de activiteit van eiseres zich beperkt tot lobbywerk bij de diensten van de E.E.G. Deze verklaringen werden door eiseres op geen enkele wijze ontkracht. Ter zake doet het feit dat deze verklaringen niet werden opgenomen in het ontwerp proces-verbaal, en dat bijgevolg het definitief proces-verbaal een aanvullende verklaring bevat, geen afbreuk aan zijn rechtsgeldigheid. Een ontwerp van proces-verbaal, waarin de verschuldigde BTW en/of boeten worden gemotiveerd, geldt immers als voorstel tot minnelijk akkoord.
Verder merkt verweerder met reden op dat de door …, alsook door de heer d. V. afgelegde verklaringen door eiseres op geen enkele wijze werden ontkracht.
De door eiseres voorgelegde stukken en de door de betrokken federaties zelf opgestelde activiteitsrapporten tonen de door eiseres uitgevoerde activiteiten niet aan en stellen verweerder bijgevolg niet in staat om te oordelen of de door eiseres verrichte uitsplitsing van de globale bijdrage objectief is en of de normale toepassingssfeer van de vrijstelling van art. 44, § 2, 11° W.BTW werd gerespecteerd.
Derhalve toont eiseres niet op basis van objectieve stukken, zoals bijvoorbeeld aan de hand van boeken die aantonen welke handelingen recht geven op aftrek, aan dat zij geïndividualiseerde diensten verleende. Zij beperkt zich ertoe lijsten voor te leggen die van de vereniging zelf komen en bijgevolg niet objectief kunnen worden genoemd.
De rechtbank treedt ten slotte nog verweerder bij, wanneer hij stelt dat het verstrekken van informatie aan de leden inherent is aan en een onderdeel vormt van syndicale vertegenwoordiging.
Derhalve dient het eerste middel van eiseres te worden verworpen.
f) Wat de concurrentievervalsende werking van art. 44, § 2, 11° W.BTW betreft
In ondergeschikte orde roept eiseres de concurrentievervalsende werking van art. 44, § 2, 11° W.BTW in, vooreerst in hoofde van het bureau J.P.C. d. V. : zo wordt de BTW ingevolge elke aftrekbeperking In hoofde van eiseres ingevolge de toepassing van art. 44, § 2, 11° W.BTW een kostenfactor die concurrentievervalsend werkt ten nadele van een commerciële onderneming die de prestaties verleent.
Vervolgens meent eiseres dat er ook sprake is van concurrentievervalsing in hoofde van de bedrijven, leden van de nationale bedrijfsgroeperingen of rechtstreeks lid van de overkoepelende groepering, nu de BTW ook voor hen een kostenfactor wordt alvorens deze prestaties in het finaal verbruik terechtkomen en de aftrekneutraliteit wordt geschonden.
Eiseres meent dat de toepassing van een vrijheidsregel eenzelfde resultaat zou moeten geven met betrekking tot de BTW-positie van de overkoepelende groepering, en dit ongeacht de wijze waarop de activiteiten van de overkoepelende groepering worden georganiseerd (hetzij met eigen personeel (in welk geval de kosten geen enkele BTW-heffing ondergaan), hetzij via een extern bureau, zoals in casu het bureau J.P.C. d. V.).
Eiseres meent verder nog dat aan de vrijstelling van art. 13, sub A, lid 1, letter 1) van de Zesde BTWrichtlijn een verschillende interpretatie wordt gegeven in de verschillende lidstaten. Zij stelt dat zij wordt benadeeld ten overstaan van in andere lidstaten gevestigde bedrijfsgroeperingen, waar de BTW wel aftrekbaar is.
Ten slotte stelt eiseres enkel bereid te zijn de samenwerking met het bureau J.P.C. d. V. verder te zetten indien de BTW verrekenbaar is op de door dit bureau verleende dienstprestaties.
De rechtbank treedt evenwel verweerder bij, wanneer hij stelt dat hij eenzelfde houding heeft aangenomen ten opzichte van gelijkaardige overkoepelende verenigingen, zodat van concurrentievervalsing geen sprake kan zijn.
Verder gaat de rechtbank met verweerder akkoord dat eiseres ten onrechte verwijst naar de ongelijke toepassing van de vrijstelling in de verschillende lidstaten. Het volstaat daartoe om te verwijzen naar het reeds aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van 12 november 1998 en naar het advies van de Commissie van de Europese Gemeenschappen waarvan sprake in de beslissingen van de Centrale administratie van de BTW.
Voorts doet verweerder nog met reden opmerken dat hij niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het feit dat eiseres enkel bereid is de samenwerking met het bureau d. V. verder te zetten indien de BTW verrekenbaar is op de door dit bureau verleende dienstprestaties. Uiteraard is dit irrelevant om te bepalen of de handelingen van eiseres al dan niet belastbaar zijn.
Ten slotte merkt verweerder nog op dat, overeenkomstig art. 13, A, 2 a laatste lid van de Zesde Richtlijn, het verlenen van de vrijstelling zoals voorzien in het punt A, 1, I (zoals in casu van toepassing) niet mag leiden tot concurrentieverstoring ten nadele van commerciële ondernemingen die wel aan de BTW onderworpen zijn. En in casu heeft eiseres het over concurrentieverstoring ten nadele van de belastingplichtigen die de vrijstelling genieten, hetgeen het tegenovergestelde is van wat in de Richtlijn wordt bedoeld.
Derhalve dient ook het tweede middel van eiseres te worden verworpen.
g) Wat het verzoek tot kwijtschelding van de opgelegde belastingverhoging en van nalatigheidsinteresten betreft
Indien de rechtbank zou menen dat verweerder terecht van oordeel is geweest dat zij als een vrijgestelde belastingplichtige moet worden beschouwd in de zin van art. 44, § 2, 11° W.BTW, verzoekt eiseres de rechtbank de opgelegde belastingverhoging kwijt te schelden. Zij motiveert haar verzoek door het feit dat de vrijstellingsregeling van dit artikel niet uitblinkt in duidelijkheid, hetgeen ook blijkt uit het gewijzigde standpunt van verweerder, beginnend tijdens en vlak na de invoering van de vrijstelling, als daarna, na stellingname van de commissie in een gemotiveerd advies en na de uitspraak van het Hof van Justitie van 12 november 1998.
Verweerder stelt dat hij de bevoegdheid van de rechtbank erkent om met betrekking tot de opgelegde administratieve geldboeten een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen, ook met betrekking tot de opportuniteit en de zwaarte van deze boeten.
Wel wijst verweerder erop dat in casu de boete reeds werd verminderd. Op grond van art. 70, § 1bis W.BTW is de wettelijke boete voor ieder die onrechtmatig aftrek van belasting heeft genoten, gelijk aan het dubbel van de belasting, maar deze boete werd in casu niet weerhouden. De boete werd daarentegen overeenkomstig de barema's van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten op het stuk van de BTW verminderd tot 10 % van de verkeerdelijk in aftrek gebrachte BTW.
Verweerder stelt dat de rechtbank een toetsingsrecht heeft om na te gaan of de straf niet onredelijk is met de inbreuk en of het fiscaal bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Verweerder verwijst echter naar de cassatierechtspraak volgens dewelke dit toetsingsrecht niet inhoudt dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie : Cass., 24 januari 2002, onuitgegeven).
Derhalve verzoekt verweerder de rechtbank, mede rekening houdend met het beginsel van de gelijkberechtiging van alle belastingplichtigen die zich in dezelfde situatie bevinden, om de opgelegde boete te handhaven.
De rechtbank Is evenwel van oordeel dat dient te worden ingegaan op het verzoek van eiseres tot kwijtschelding van de administratieve geldboete, omwille van de gewijzigde houding van verweerder. Hoezeer verweerder ook volhoudt dat er van een gewijzigde houding in zijnen hoofde geen sprake kan zijn, meent de rechtbank dat dit wel degelijk het geval is.
Anderzijds meent de rechtbank dat van een kwijtschelding van nalatigheidsinteresten. geen sprake kan zijn.
h) Wat de gevraagde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis betreft, niettegenstaande elk verhaal of hoger beroep en met uitsluiting van het kantonnement
Aangezien onderhavige zaak reeds geruime tijd aansleept, meent de rechtbank dat niet verantwoord is om in te gaan op het verzoek van eiseres om het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal of hoger beroep.
Wat de gevraagde uitsluiting van kantonnement betreft, dient te worden aangenomen dat het door de schuldeiser gevorderde verbod tot kantonnement door riem voldoende moet worden gemotiveerd; door aan te tonen dat hij dringend de beschikking over de gelden nodig heeft. Enkel indien de vertraging in de regeling hem blootstelt aan een ernstig nadeel, kan het kantonnement worden verboden (zie : Brussel, 25 april 1997, P. & B., 1997, 224; Brussel, 8 juli 1998, J.T., 1998, 796; DIRIX, E. en BROECKX, K., Beslag, in A.P.R., Brussel, E, Story-Scientia, 1992, nr. 360, p. 196).
De rechtbank dient vast te stellen dat eiseres haar vordering ter zake geenszins motiveert.
Aangezien het kantonnement een recht is voor de debiteur, onder voorbehoud van toepassing van art. 1406 Ger. W. (zie : Brussel, 25 april 1997, voormeld), dient het door eiseres gevraagde kantonnementsverbod te worden afgewezen.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd,
Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende ais niet ter zake en/of overbodig,
Voegt de zaken gekend onder AR nr. 98/10657/A en AR nr. 98/10658/A samen,
Verklaart de vordering van C. ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond,
Scheldt de opgelegde belastingverhoging kwijt,
Wijst het meergevorderde af,
Veroordeelt C. tot de kosten van het geding, met dien verstande dat de wederzijds gevorderde rechtsplegingsvergoedingen worden omgeslagen.
Deze kosten worden begroot op € … (€ … + … dagvaardingen en rolstelling).
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal of hoger beroep.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van 13 september 2002, waar aanwezig waren en zitting namen :
de heer V., alleenrechtsprekend rechter,
mevrouw C., afgevaardigd adjunct-griffier.
C. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.