Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd
Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 20.12.2004, Cause 02/2607/A
Le Courrier Fiscal 2005/356
Assujetti forfaitaire.
Moyens de preuve.
Bons débités par des caisses enregistreuses.
Obligations comptables.
Chiffre d'affaires.
Résumé
L'assujetti qui a, par le passé, opté pour un régime d'imposition forfaitaire n'a pas l'obligation de tenir une comptabilité répondant aux exigences normales du code TVA à l'exception des obligations minimales prévues par ce régime.
En utilisant un registre de caisse (alors qu'il n'y était pas tenu), il a donné aux services de taxation la possibilité de vérifier sa situation fiscale sur la base des informations contenues dans ce registre de caisse.
Les raisons invoquées par l'assujetti pour justifier l'utilisation du registre de caisse ne convainquent pas le tribunal. Les informations qui y sont mentionnées sont en effet plus importantes que celles requises pour contrôler les membres du personnel ou le stock.
Le tribunal est d'avis que l'Administration était en droit de décider que le registre de caisse contenait une addition incontestable parce que non manipulée, des éléments cumulés du chiffre d'affaires réalisé durant la période concernée.
L'Administration pouvait donc considérer sur la base de présomptions de l'homme que les informations contenues dans le registre de caisse correspondaient au chiffre d'affaires réel. L'accroissement d'impôt de 200 % est appliqué.
Texte intégral
Corps de la décision
VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op twintig december tweeduizend en vier in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden:
L. B., enig rechter,
N. D., adjunct-griffier.
Inzake: A.R.Nr. 02/2607/A
V. K.,
cafetaria-uitbater, ingeschreven in het handelsregister te ... onder het nummer ..., wonende te ... (volgens inleidende dagvaarding), - arbeider, (volgens eigen conclusie), thans wonende te ... (volgens eigen conclusie).
EISENDE PARTIJ
- verschijnende bij meester H. V.O. loco meester F. M., advocaat, kantoorhoudende ...
tegen:
DE BELGISCHE STAAT,
Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, reigstratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger van het Onvangstkantoor van de BTW te Mechelen, wiens kantoren gevestigd zijn te 2800 Mechelen, Nekkerspoelstraat 21-23.
VERWERENDE PARTIJ
- verschijnende bij meester L. A., advocaat, kantoorhoudende te ...
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:
- het dossier van de rechtspleging van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen gekend onder het algemeen rolnummer 02/504/A waarin vervat:
· het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder F. M. in vervanging van gerechtsdeurwaarder B. M. te ... op ...
· het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van de tweede kamer (burgerlijk) van 29 april 2002.
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 22 november 2004.
Gegevens en voorgaande
Eiser baatte vanaf ongeveer half 1994, uit handen van de gemeente, de cafetaria uit van het sportcomplex te ... (...).
Twee ambtenaren van de Administratie voor Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit maakten op 8 maart 2000 na een plaatsbezoek van 7 maart 2000 een proces-verbaal van vaststelling op (stuk 1 verweerder) waarin zij noteerden dat ze te woord waren gestaan door de zus (E.) van eiser, die verklaarde er vijf dagen per week te werken.
Zij stelden onder meer vast dat de uitbating gebruik maakte van een kasregister, dat op hun verzoek het dagtotaal exclusief strartgeld van 6 maart 2000 werd getoond, dat noch gebruikte noch ongebruikte BTW-bonnetjes konden worden voorgelegd, en dat vervolgens verklaring van deze zus de dubbels van de kasrollen wel werden bewaard.
Dezelfde ambtenaren hebben zich na voorafgaande kennisgeving opnieuw aangeboden op 11 mei 2000, ontmoetten daar eiser zelf in aanwezigheid van zijn extern boekhouder, en maakten hierover op 7 juni 2000 een proces-verbaal van vaststelling op (stuk 2 verweerder).
Zij kregen van eiser de handleiding van het kasregister voorgelegd, samen met het door eiser, op verzoek, ter plaatse en op het ogenblik van plaatsbezoek afgedrukte kasregisterrapporten (een financieel omzetoverzicht, een bediendenrapport, en een maandomzetverslag Z1).
Dezelfde ambtenaren hebben over de periode 1/1/1996 tot en met 31/12/1998, deze evenwel na geschreven melding van 3 oktober 2000 uitgebreid van 1 oktober tot 10 mei 2000, op 27 juli 2001 een derde proces-verbaal opgesteld (stuk 3 verweerder).
Zij bepaalden daarin vooreerst verval van de door eiser toegepaste forfataire regeling voor caféhouders om reden van niet naleving van de toepassingsvoorwaarden voor dat forfait.
Verder acteerden zij daarin (op grond van hun eerdere vaststellingen) overtredingen bestaande in het niet uitreiken van ontvangstbewijzen voor (alzo alle) verstrekte maaltijden, en is het niet bewaren en voorleggen van boeken en documenten, waarvoor dan telkens boetes werden berekend conform KB nr. 44 inzake BTW.
Voorts berekenden zij daarin het verschil tussen forfatair aangegeven omzet en de omzet naar werkelijke gegevens. Hierover schreven zij ook: 'De belastingplichtige heeft systematisch een belangrijk gedeelte van de geïncasseerde ontvangsten niet aangegeven en hij moet hiervoor te kwader trouw worden aangemerkt', waaraan conform artikel 70 § 1 Wetboek BTW en ook KB nr. 41 inzake BTW een boete gelijk aan 200% werd gekoppeld.
Bij blijvende onenigheid en ook het niet ingaan op een betalingsverzoek van 6 augustus 2001, heeft de Ontvanger van BTW Mechelen op 13 maart 2002 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 18 maart 2002 uitvoerbaar werd verklaard en op 27 maart 2002 met exploot aan eiser werd betekend.
Op 8 april 2002 liet eiser dagvaarden in betwisting van de fiscale vordering.
De recthbank te Mechelen verklaarde zich territoriaal onbevoegd en verzond de zaak.
Er loopt geen betwisting ter zake toelaatbaarheid van de rechtsvordering.
Eiser streeft nietigverklaring van het dwangbevel na, beoogt evenwel klaarblijkelijk daarmede de onwettigverklaring van de erin uitgedrukte fiscale vordering.
Ten gronde draait de discussie of de belastingdienst, op grond van de feitelijke vaststellingen is gekomen tot een feitelijk vermoeden in de zin van artikel 1353 Burgerlijk Wetboek.
Eiser blijkt indertijd te hebben gekozen voor belasting op basis van het forfait (voor te deze caféhouders), wat hem (buiten de in het forfait bepaalde minimumverplichtingen) als gevolg daarvan ontsloeg van het houden van een boekhouding volgens volledige BTW-vereisten.
Nu hij gebruik maakte van een kasregister (waartoe hij niet verplicht was), rechtigde zulks de belastingdienst om aan de hand daarvan zijn fiscale toestand te onderzoeken en vast te stellen dat hij zich niet hield aan de vereisten om als forfatair belastingplichtige te worden belast.
Zijn aan de belastingdienst verstrekte uitleg dat hij bepaaldelijk een kasregister nodig had om louter aan personeelscontrole en voorraadbeheeer te doen, kan niet worden bijgetreden.
De via - op vraag van de vaststellers gebeurde - manipulatie van het kasregister opgetekende vaststellingen reiken blijkens de processen-verbaal verder dan zomaar personeelscontrole en voorraadbeheer en vage beweringen omtrent ook gebruik als rekenmachine of hypothetische dubbeltellingen.
Het blijkt met name dat het kasregister over de volledige gebruiksperiode een onaantastbare want niet manipuleerbare, gedurende die periode cumuleerde, optelling heeft weergegeven.
Uit geen enkel gegeven blijkt, en het wordt niet ernstig voorgehouden, dat eiser gedurende de gecontroleerde periode niet onder gelijk(w)aardige omstandigheden zijn bedrijf heeft gevoerd.
Aldus is er te dezen vanwege de belastingdienst geen sprake van vermoeden op vermoeden in de gelijkmatige evenredige toewijzing van de meeromzetten aan de forfataire aangiftes.
Nu blijkt dat eiser gedurende jaren misbruik heeft gemaakt van zijn keuze voor het forfait, en dat hij daardoor meer dan omvangrijke bedragen heeft onttrokken aan belasting met BTW, is in de fiscale vordering terecht de wettelijke boete van 200% toegepast, zonder modulatie van KB nr. 41 inzake BTW.
Dispositif
OM DIE REDENEN
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering toelaatbaar maar ongegrond,
Veroordeelt eiser tot de kosten, deze aan elke zijde begroot in de respectieve conclusies, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op 174,76 EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingsvergoeding.
N. D.
L. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.