Amendes proportionnelles TVA, Contrôle de pleine juridiction · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 10 mars 2025

Rechercher
Texte en néerlandais

Amendes proportionnelles TVA, Contrôle de pleine juridiction

https://juriel.be/fr/jurisprudence/amendes-proportionnelles-tva-controle-pleine-tribunal-bruges-2025-03-10-02af

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
10 mars 2025

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

86 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance de Flandre occidentale, division Bruges du 10.03.2025 - Rôle 23/937/A

[ Jugement favorable ]

Taxe sur la valeur ajoutée – Amendes proportionnelles TVA – Contrôle de pleine juridiction

Dispositions légales

Art. 70, §1bis CTVA, art. 1 premier protocole additionnel CEDH

Résumé du jugement / de l’arrêt

1. Faits

Le demandeur est enregistré en tant qu'assujetti à la TVA pour l'activité d'ingénieurs et de consultants techniques et autres services aux entreprises. Le 11 avril 2022, l'administration fiscale l'a informé qu'un compte spécial serait émis pour la période antérieure au 31 mars 2022. Le demandeur a soumis des déclarations de TVA pour cette période (en retard) avec des montants de TVA dus, mais n'a jamais payé cette TVA. Le compte courant TVA a été remis à zéro et un compte spécial a été établi et notifié au demandeur le 22 avril 2022. La TVA due s'élevait à 120 891,39 euros et une amende proportionnelle de 15 %, soit 18 130,00 euros, a été infligée. Un avis de perception et recouvrement a suivi et le demandeur a procédé aux paiements.

Le demandeur a sollicité la remise ou la réduction de l'amende, mais sa demande a été rejetée par des décisions datées du 4 août et du 13 septembre 2022.

Le demandeur a introduit un recours fiscal par une requête déposée au greffe le 9 mars 2023. Le demandeur ne conteste que l'amende proportionnelle de 15% (18.130,00 EUR).

2. La décision

Une amende de 18.130,00 euros (15% du montant de la TVA) a un caractère répressif.

Un contrôle de pleine juridiction signifie que le juge doit examiner si une décision administrative de nature répressive est justifiée en droit et en fait et si elle respecte les dispositions légales et les principes généraux que l'administration doit observer, y compris le principe de proportionnalité.

Un tel contrôle n'implique pas nécessairement que le juge, pour de simples raisons d'opportunité ou d'équité, libère le redevable des sanctions qui lui sont légalement infligées par l'administration.

L'amende administrative est encourue du seul fait de l'infraction (défaut de paiement de la TVA due dans les délais), indépendamment de la bonne ou mauvaise foi du contribuable.

Le dossier montre que depuis le 31 janvier 2017, le demandeur n'a pratiquement jamais payé immédiatement le montant total de la TVA due, quel que soit le mois.

Des comptes spéciaux ont déjà été émis à quatre reprises. Les retards de paiement du demandeur sont donc structurels et ne résultent pas (uniquement) des retards de paiement d'un client russe en 2022. En outre, il apparaît que le demandeur soumet rarement ses déclarations de TVA à temps.

Le tribunal estime que l'amende administrative constitue une application correcte des dispositions légales et réglementaires pertinentes aux faits établis, malgré son montant relativement élevé calculé en chiffres absolus. L'infliction de l'amende est justifiée et n'est pas disproportionnée par rapport aux infractions. Le tribunal ne voit aucune raison d'accorder un sursis. Il n'y a pas non plus de violation de l'article 1 du premier protocole additionnel à la CEDH.

Texte intégral

Corps de la décision

Vonnis rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge dd. 10.03.2025

23/937/A

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer B.10, heeft het volgend vonnis verleend:

In de zaak : 23/937/A

Hoofdzaak :

B.T. (KBO: …), maatschappelijke zetel te …,

eisende partij,

hebbende als raadsman meester Meester T.J. en meester D.T., beiden

advocaten te …

tegen :

de BELGISCHE STAAT — FOD FINANCIËN (KBO: 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het Centrum KMO Brugge, met kantoor te 8200 Brugge, Koning Albert l-laan 1-5, bus 6,

verwerende partij,

voor wie optreedt V.C., attaché

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 9 maart 2023.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

Partijen werden gehoord op de zitting van 27 januari 2025.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, voor de activiteit van ingenieurs en technische adviseurs en overige zakelijke dienstverlening.

Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 11 april 2022 deelt verweerder aan eiseres mee dat een bijzondere rekening zal worden opgemaakt voor de periode voorafgaand aan 31 maart 2022. Door verweerder wordt een bijzondere rekening opgemaakt en op 22 april 2022 ter kennis gebracht van eiseres. De verschuldigde BTW bedraagt 120.891,93 EUR. Een proportionele boete van 15% (18.130,00 EUR) wordt opgelegd. Een innings- en invorderingsbericht volgt (artikel 500254007307). Eiseres verricht betalingen en op 21 juni 2024 bedraagt de openstaande schuld nog 10.137,22 EUR.

Eiseres vraagt kwijtschelding of vermindering van de geldboete. Dit verzoek wordt afgewezen bij beslissingen d.d. 4 augustus en 13 september 2022.

Door eiseres wordt fiscaal verhaal aangetekend met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 9 maart 2023.

2.Eiseres vraagt dat:

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- de geldboete van 15% wordt kwijtgescholden, minstens uitstel wordt verleend, minstens wordt verminderd;

verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling aan eiseres van de onterecht ingevorderde of betaalde sommen, te vermeerderen met de moratoriumintresten;

- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

3.Verweerder vraagt dat:

de eis ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard;

eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

IV. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. Verschuldigde BTW

Uit het dossier blijkt dat eiseres voor de periode voorafgaand aan 31 maart 2022 BTW-aangiften (laattijdig) heeft ingediend met verschuldigd bedragen aan BTW. Deze BTW-bedragen werden niet betaald. De BTW-rc werd op nul gezet en een bijzondere rekening werd opgemaakt voor de periode van 31 augustus 2021 tot 31 maart 2022. Deze bijzondere rekening werd aan eiseres ter kennis gebracht op 22 april 2022. Op 21 juni 2022 werd een innings- en invorderingsbericht aan eiseres verzonden.

Het verschuldigde BTW-bedrag op 31 maart 2022 bedraagt 120.891,93 EUR. Een proportionele geldboete van 15% wordt opgelegd, evenals een boete van 100 EUR wegens een laattijdige aangifte.

Eiseres heeft in delen betalingen verricht en op 21 juni 2024 bedraagt de openstaande schuld nog 10.137,22 EUR.

Eiseres betwist de verschuldigde BTW niet, maar betwist enkel de proportionele geldboete t.b.v. 15% (18.130,00 EUR).

2. Geldboete

Een geldboete t.b.v. 18.130,00 EUR (15% van het BTW-bedrag) heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volte rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met voile rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, roinr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Uit de dossier blijkt dat eiseres spontaan te betalen BTW-bedragen heeft opgenomen in haar (soms laattijdige) aangiften, maar deze bedragen niet heeft betaald. De administratieve geldboete wordt in principe opgelopen door het enkele feit van de overtreding (niet-tijdig betalen van de verschuldigde BTW) en dit ongeacht of de belastingplichtige ter goede of ter kwade trouw is. Vermits werd aangenomen dat eiseres niet ter kwader trouw is, werd de geldboete reeds verminderd tot 15%.

Volgens eiseres was de betalingsachterstand te wijten aan cash-flow problemen bij een Russische klant die de openstaande facturen niet kon betalen wegens EU-sancties en maatregelen van de Belgische overheid in het kader van de oorlog tussen Rusland en Oekraïne.

Uit het dossier blijkt dat eiseres 30 klanten heeft. Zij heeft een omzet van 3.808.202,32 EUR exclusief BTW. De omzet die wordt gerealiseerd via de Russische klant bedraagt 238.206,36 EUR. De facturen die niet tijdig konden betaald worden door de Russische klant bedragen 105.378,70 EUR. De betalingsproblemen bij eiseres zijn derhalve niet (enkel) het gevolg van de tijdelijke betalingsachterstand van 1 Russische klant. Uit het dossier blijkt verder dat eiseres sedert 31 januari 2017 bijna geen enkele maand het volledige verschuldigde BTW-bedrag onmiddellijk heeft voldaan. Er werd reeds 4 maal een bijzondere rekening opgemaakt: op 31 januari 2017, op 28 februari 2021, op 31 maart 2022 en op 29 februari 2024. De betalingsachterstand bij eiseres is dus structureel en niet (enkel) het gevolg van de tijdelijke betalingsachterstand van 1 Russische klant in 2022.

Verder blijkt dat eiseres zelden haar BTW-aangiften tijdig indient.

De rechtbank stelt op basis van de vaststellingen en de inbreuk vast dat de door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het relatief hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers. Net opleggen van de boete is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de inbreuken.

Eiseres heeft betalingen gedaan maar dit pas na de aangetekende kennisgeving van 11 april 2022 en na het opmaken van de bijzondere rekening.

De rechtbank ziet geen enkele reden om een uitstel te verlenen. Er is geen enkel reden die een uitstel zou kunnen verantwoorden.

De geldboete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar hebben ook een bestraffend en afradend karakter.

De geldboete werd opgelegd bij toepassing van artikel 70 §1bis WBTW, zijnde een grondwetsconforme bepaling die door de Belgische Staat overeenkomstig zijn soevereine belastingbevoegdheid werd uitgevaardigd. De bepaling is onontbeerlijk voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang, berust op uitzonderlijke omstandigheden en beantwoordt aan dwingende motieven van algemeen belang. De rechtbank is van oordeel dat er dan ook geen sprake is van een onevenredige geldboete. Er is dan ook geen sprake van een schending van artikel 1 van het Eerste aanvullend protocol van het E.V.R.M..

C. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij de gerechtskosten dragen.

Aangezien verweerder niet bijgestaan wordt door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, in haar hoofde niet te begroten aangezien ze haar ten laste biijven en in hoofde van verweerder begroot op 00,00 EUR.


Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op maandag tien maart tweeduizend vijfentwintig waar zitting hadden:

L.D., rechter;

J.T., griffier.

Note du SPF Finances

Référence WF

Finaliti 55419200/01a

Textes cités

1
CTVA art. 703 occurrences

Décisions similaires

8