Vente à distance, Délai de prescription · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 17 juin 2025

Rechercher
Texte en néerlandais

Vente à distance, Délai de prescription

https://juriel.be/fr/jurisprudence/abus-vente-distance-delai-prescription-cour-appel-anvers-2025-06-17-efb7

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
17 juin 2025

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

95 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la cour d'appel d'Anvers du 17.06.2025

WF 505-15-21/054908 - Finaliti n° 54598698/01

[ Arrêt favorable ]

TVA - Abus - Vente à distance - Délai de prescription

Texte intégral

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale..

Corps de la décision

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 17.06.2025

(2023/AR/1909)

X., ON …, met zetel te …,

Eiseres in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. K.L. loco mr. S.S., advocaat te …,

tegen het vonnis van de AFI1 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 20 oktober 2023, gekend onder rolnummer 22/1571/A

tegen

BELGISCHE STAAT- FOD FINANCIEN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR INVORDERING- ONTVANGER INFOCENTER ANTWERPEN, met diensten te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4/1,

Verweerder in hoger beroep, voor wie verschenen is D.C., fiscaal ambtenaar,


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 20 oktober 2023, betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 28 december 2023, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 15 december 2023, ingeschreven op 18 december 2023, waarbij tijdig hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op de navordering van B.T.W. middels een innings-en invorderingsregister, gekend onder artikel …, opgemaakt op 30 augustus 2021 en uitvoerbaar verklaard op 31 augustus 2021, middels hetwelk een bedrag van 130.200 EUR als B.T.W. in hoofdsom wordt nagevorderd en een geldboete van 20% of 26.040 EUR en nalatigheidsintresten.

De B.T.W. zou verschuldigd zijn naar aanleiding van de verkoop van een jacht in 2014 door eiseres in hoger beroep aan een Franse leasingmaatschappij C.F. Deze verkoop werd gefactureerd door eiseres in hoger beroep met vrijstelling van B.T.W. wegens intracommunautaire levering aangezien de boot van Nederland naar Frankrijk werd overgebracht en de koper een in Frankrijk gevestigde B.T.W.-plichtige was.

Op 8 juni 2021 werd een correctieopgave opgesteld waarbij werd meegedeeld dat het jacht in kwestie in realiteit rechtstreeks werd verkocht aan een particulier, de heer V.W., eindgebruiker van de boot en dat de leasingmaatschappij C.F. artificieel was tussengeschoven om de verkoop als een intracommunautaire levering voor te stellen. Zulks zou misbruik uitmaken in de zin van op artikel 1, §10 W.B.T.W.. De intracommunautaire levering zou als een verkoop op afstand geherkwalificeerd moeten worden waarbij het jacht zou worden belast in het land van bestemming, in deze België.

Op 19 juli 2021 werd ter zake een proces-verbaal van taxatie opgesteld. Eiseres in hoger beroep tekende bezwaar aan op 13 augustus 2021. Het innings- en invorderingsbericht werd opgesteld op 30 augustus 2021 en het bezwaar werd afgewezen bij beslissing d.d. 1 februari 2022.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 14 april 2022 vorderde eiseres in hoger beroep de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, en bijgevolg het innings- en invorderingsbericht B.T.W. met artikelnummer 500/2441/96967 te vernietigen en de Belgische Staat te veroordelen tot de terugbetaling van alle sommen die ten onrechte uit hoofde van voormeld bericht zouden zijn geïnd of ingehouden, meer moratoriumintresten en tot de kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, begroot en vereffend op 0 EUR rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter oordeelde dat er wel degelijk sprake was van fiscaal misbruik in de zin van artikel 1, §10 W.B.T.W. en dat het ontegensprekelijk de bedoeling was van de heer V.W. om het jacht rechtstreeks aan te kopen bij eiseres in hoger beroep. De keuze om een Franse leasingmaatschappij tussen te schuiven had enkel tot doel om toepassing te kunnen maken van de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen. Er was geen enkele economische of financiële verantwoording om een leasing met gespreide betalingen aan te gaan aangezien het grootste deel van de huurprijs door de heer V.W. reeds werd betaald bij aanvang. Evenmin was er enige reden om het jacht van Nederland naar Frankrijk over te brengen nu het duidelijk nooit de bedoeling was om het jacht in Frankrijk te gebruiken.

De eerste rechter oordeelde dat er wel degelijk concrete aanwijzingen zijn dat eiseres in hoger beroep op het ogenblik van het opstellen van de overeenkomst met de Franse leasingmaatschappij wist of diende te weten dat de intracommunautaire levering van het jacht een louter kunstmatig karakter had, zodat het fiscaal misbruik haar toerekenbaar is. De intracommunautaire levering werd aldus terecht geherkwalificeerd als verkoop op afstand. De eerste rechter stelde vast dat aangaande deze herkwalificatie geen betwisting werd gevoerd door eiseres in hoger beroep.

Betreffende de toepassing van de verlengde verjaringstermijn als bedoeld in artikel 81bis, §1, tweede lid, 3° W.B.T.W. oordeelde de eerste rechter dat er in deze geen betwisting wordt gevoerd over het gegeven dat in casu voldaan is aan de voorwaarde dat er bewijskrachtige gegevens zijn waarvan de administratie kennis heeft gekregen, maar dat eiseres in hoger beroep stelt dat de verjaringstermijn uitsluitend van toepassing is wanneer een bepaling van de B.T.W.-wetgeving werd overtreden, wat bij fiscaal misbruik niet het geval zou zijn.

De eerste rechter oordeelde dat het voor de toepassing van artikel 81bis, §1, tweede lid, 3° W.B.T.W. voldoende is dat bewijskrachtige gegevens aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven. In casu bleek dat, gelet op het fiscale misbruik, een in België belastbare verkoop op afstand niet werd aangegeven. Aldus kon de administratie beroep doen op de verlengde verjaringstermijn.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 15 december 2023, ingeschreven op 18 december 2023.

2. De vorderingen in hoger beroep.

2.1. Eiseres in hoger beroep vordert het hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dienovereenkomstig het bestreden vonnis te hervormen, en bijgevolg het innings- en invorderingsbericht B.T.W. met artikelnummer 500/2441/96967 te vernietigen en de Belgische Staat te veroordelen tot de terugbetaling van alle sommen die ten onrechte uit hoofde van voormeld bericht zouden zijn geïnd of ingehouden, meer moratoriumintresten en tot de kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 10.500 EUR in eerste aanleg en 10.988,37 EUR in hoger beroep en de bijzondere bijdrage begrotingsfonds van 22 EUR in eerste aanleg en 24 EUR in hoger beroep.

2.2. Verweerder in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, eiseres in hoger beroep in al haar eisen of te wijzen en de vordering van verweerder in hoger beroep, zoals geformuleerd in het innings- en invorderingsregister d.d. 19 juli 2021 te bevestigen.

3. Bespreking.

3.1. Eiseres in hoger beroep verkocht een jacht aan de Franse leasingmaatschappij C.F.. Deze verkoop werd gefactureerd op 30 oktober 2014 door eiseres in hoger beroep, met vermelding van haar Nederlands B.T.W.-nummer, met vrijstelling van B.T.W. wegens intracommunautaire levering aangezien de boot van Nederland naar Frankrijk werd overgebracht en de koper een in Frankrijk gevestigde B.T.W.-plichtige was. Tussen C.F. en de heer V.W. werd op 21 oktober 2014 een huurovereenkomst met aankoopoptie gesloten.

De administratie stelt dat er aldus sprake is van misbruik in de zin van artikel 1, §10 W.B.T.W. nu het jacht in werkelijkheid rechtstreeks aan de heer V.W. zou zijn verkocht door eiseres in hoger beroep en dat C.F. artificieel zou zijn tussengeschoven teneinde de verkoop van het jacht als een intracommunautaire levering voor te stellen.

Zulks wordt door eiseres in hoger beroep betwist. Zij stelt dat de tussenkomst van de Franse leasingmaatschappij geen belastingvoordeel heeft opgeleverd, gelet op de Franse B.T.W. die zou zijn aangerekend aan de heer V.W. door de Franse leasinggever voor het gebruik van het betrokken jacht. Er zou sprake zijn van een normale handelstransactie tussen onafhankelijke partijen en aan marktconforme voorwaarden. Eiseres in hoger beroep stelt dat, als er al sprake zou zijn van fiscaal misbruik, haar dat niet kan worden aangerekend, aangezien zij slechts een handeling heeft verricht, met name de verkoop van het jacht aan C.F.. Zij zou niet betrokken zijn bij de leasingovereenkomst.

3.2. In casu wordt eiseres in hoger beroep fiscaal misbruik verweten door de administratie, geen simulatie. Het hof gaat dan ook niet nader in op de argumentatie van eiseres in hoger beroep desbetreffend.

3.3. Artikel 1, §10 W.B.T.W. bepaalt dat voor de toepassing van het W.B.T.W. sprake is van misbruik "wanneer de verrichte handelingen resulteren in het verkrijgen van een fiscaal voordeel waarvan de toekenning in strijd is met de doelstelling beoogd in dit wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en die handelingen in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel hebben".

De wetgever heeft de definitie van rechtsmisbruik gesteund op de omschrijving van het begrip in het arrest Halifax van het Hof van Justitie d.d. 21 februari 2006 (H.v.J. 21 februari 2006, C-255/02, Halifax e.a.). In voormeld arrest heeft het Hof van Justitie benadrukt dat zulks geen afbreuk doet aan het recht van de belastingplichtige om zijn activiteit zodanig te structureren dat de omvang van de belastingschuld beperkt blijft (randnummer 73). De keuze voor de minst belaste weg is derhalve toegestaan. De belastingplichtige dient echter rekening te houden met het objectief stelsel van de B.T.W. en moet derhalve alle gevolgen dragen van de keuze van zijn handelingen, wat ook het doel en de resultaten ervan zijn (Circ.nr.14/2006, 24 augustus 2006, nr. 5).

Aldus is een dubbel bewijs vereist om van rechtsmisbruik te kunnen spreken, met name het verkrijgen van een fiscaal voordeel waarvan de toekenning in strijd is met de doelstelling beoogd in het W.B.T.W. en de uitvoeringsbesluiten (het objectieve element) en de handelingen moeten in wezen het verkrijgen van het fiscale voordeel tot doel hebben (het subjectieve element).

Er is sprake van strijdigheid met het doel van de betrokken bepalingen wanneer blijkt dat er ingevolge een geheel van objectieve omstandigheden rechten of voordelen worden toegekend die objectief gezien niet bedoeld zijn voor dergelijke omstandigheden (PANIS, W., "Misbruik en BTW. De strijd tegen normconform maar abnormaal handelen", T.F.R., 2007, nr. 43).

Het subjectieve element van het begrip rechtsmisbruik houdt in dat uit objectieve factoren moet blijken dat het wezenlijke doel van de betrokken handelingen erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen (H.v.J. 21 februari 2006, C-255/02, Halifax e.a., nr. 86). Het doel moet objectief worden bepaald door de vaststelling dat er geen andere economische verklaring voor de activiteit is dan het verkrijgen van een belastingvoordeel. Er dient te worden nagegaan of er een zekere economische rechtvaardiging bestaat voor de handeling (Concl. Advocaat-generaal POIARES-MADURO, 7 april 2005, C-255/02, C.419/02 en C-223/03, Halifax e.a., BUPA Hospitals en University of Huddersfield, nr. 87). Het Hof van Justitie suggereerde in het arrest Halifax (sub randnr. 81) als objectieve factoren, het louter artificieel karakter van de handelingen en het bestaan van banden van juridische, economische en/of persoonlijke aard tussen de bij de constructie ter verlaging van de belastingdruk betrokken ondernemers.

De bewijslast ter zake ligt bij administratie.

3.4. Het hof is van oordeel dat in deze ten genoege van recht is aangetoond dat er sprake is van fiscaal misbruik bij de verkoop van het betrokken jacht en dat eiseres in hoger beroep hierbij is betrokken.

Uit het verloop van de feiten, zoals deze objectief door het hof kan worden vastgesteld aan de hand van de voorgelegde stukken, blijkt immers dat mede door eiseres in hoger beroep bij de verkoop van het jacht een belastingvoordeel werd nagestreefd, met name de vrijstelling van B.T.W. wegens intracommunautaire levering, die niet bedoeld is voor deze omstandigheden, nu er de facto sprake is van een rechtstreekse verkoop van het jacht aan een Belgische particulier. De tussenkomst van het Franse C.F. is daarbij louter kunstmatig. In het bijzonder blijkt zulks uit het volgende:

- Op 15 september 2014 werd tussen eiseres in hoger beroep, als verkoper van het jacht en de heer V.W., als koper, met tussenkomst van S. Nederland, een koopovereenkomst opgesteld waarbij het betrokken jacht werd verkocht voor een aankoopprijs van 750.000 EUR, inclusief B.T.W. (A.D. B.1). De levering van het jacht zou plaatsvinden in Nederland en de prijs zou, na een aanbetaling van 50.000 EUR aan S. binnen de 5 werkdagen, uiterlijk op 20 november 2014 op rekening van eiseres in hoger beroep dienen te worden betaald. Op 8 oktober 2014 werd door Mr. J.D. aan de heer en mevrouw V.W. een brief gezonden waarbij hij meedeelde, na contact met onder meer de verkoper, in casu eiseres in hoger beroep, "dat de verkoop kan gebeuren onder vrijstelling van B.T.W. in toepassing van artikel 39bis W.B.T.W." (A.D. B.2). Als bijlage werd, onder meer, de "aanduiding van het te volgen pad" gevoegd. Mr. J.D. stelde voorts dat eiseres in hoger beroep hem "kortelings een pro forma factuur (620.000,00 EUR) (zal) laten geworden voor controle door CGI". Uit de gevoegde bijlage blijkt dat 'het te volgen pad' voorziet in de vrijstelling van B.T.W. in toepassing van artikel 39bis W.B.T.W. bij de verkoop van een vervoermiddel dat niet nieuw is tussen een verkoper, B.T.W.-belastingplichtige, en een koper in de EU met een B.T.W.-nummer. Hierbij werden, handgeschreven, het Belgische B.T.W.-nummer van eiseres in hoger beroep en het Franse B.T.W.-nummer van C.F. vermeld. Eveneens op 8 oktober 2014 werd, conform de brief van Mr. J.D., een pro forma factuur opgesteld door eiseres in hoger beroep, gericht aan C.F., voor de verkoop van het jacht voor 620.000 EUR, met vrijstelling van B.T.W. en met vermelding van het Nederlandse B.T.W.-nummer van eiseres in hoger beroep (A.D. B.3).

- Tussen C.F. en de heer V.W. werd op 13 oktober 2014 een akkoord bereikt omtrent de financiering voor de verwerving van het betrokken jacht ('accord de financement pour l'acquisition d'un S.') voor een verkoopprijs ('prix de vente') van 744.000 EUR (A.D. B.4). Er werd overeengekomen dat een waarborg van 15% van de verkoopprijs, of 111.600 EUR zou worden betaald aan C.F. en een eerste aflossing van 35% van de verkoopprijs of 260.400 EUR, samen 372.000 EUR, gevolgd door 143 maandelijkse betalingen van 3.282 EUR. Er werd onder meer gestipuleerd dat de te betalen bijdrage dient te gebeuren aan de concessionaris per cheque of per bankoverschrijving.

- Op 21 oktober 2014 werd het 'offre de contrat de location avec option d'achat' (vrije vertaling: aanbod huurovereenkomst met aankoopoptie) ondertekend door de heer V.W. en diens echtgenote (A.D. B.5).

- Op 28 oktober 2014 werd aan eiseres in hoger beroep 2 maal een bedrag van 176.000 EUR, samen 352.000 EUR, betaald door S. Nederland met de vermelding van de naam van het jacht (A.D. B.6).

- Op 30 oktober 2014 werd de verkoopfactuur uitgereikt door eiseres in hoger beroep aan C.F. voor een bedrag van 620.000 EUR met vermelding van het Nederlandse B.T.W.-nummer van eiseres in hoger beroep, met vrijstelling van B.T.W. wegens intracommunautaire levering en met de handgeschreven vermelding 'apport payé par le locataire, M. V.W., par virement: 372.000 EUR' (vrije vertaling: bijdrage betaald door de huurder dhr. V.W. per overschrijving: 372.000 EUR') (A.D. B.7).

- Eveneens op 30 oktober 2014 werd op verzoek van eiseres in hoger beroep ('a la demande de') door een Franse gerechtsdeurwaarder de levering van het jacht in Duinkerke (FR) geattesteerd en de terbeschikkingstelling ervan aan de heer en mevrouw V.W. (A.D. B.8). Als bijlage aan het proces-verbaal van vaststelling werd de pro forma factuur d.d. 8 oktober 2014 gehecht (A.D. B.3). Eiseres in hoger beroep wordt in het proces-verbaal aangeduid als vertegenwoordiger van C.F..

- Op 31 oktober 2014 werd door S. Nederland aan eiseres in hoger beroep een bedrag van 20.000 EUR betaald met vermelding van de naam van het jacht (A.D. B.6).

- Het saldo van de verkoopprijs, ten bedrage van 248.000 EUR werd betaald aan eiseres in hoger beroep door C.F. op 4 november 2014 met als vermelding 'V.W. — CL09472140' (A.D. B.10).

- Op 14 november 2014 werden het 'inkomrecht lid met boot' door de Koninklijke Yacht Club Nieuwpoort gefactureerd aan de heer V.W. (A.D. B.11). De factuur vermeldt 14 november 2014 als datum van levering.

Uit voormelde opeenvolgende rechtshandelingen blijkt dat het aanvankelijk de bedoeling was van eiseres in hoger beroep en de heer V.W. om het jacht te verkopen met toepassing van Belgische B.T.W., waarna door de raadsman van de heer V.W. een 'te volgen pad' werd uitgestippeld om deze verkoop met vrijstelling van B.T.W. te laten plaatsvinden. Uit de brief van Mr. J.D. d.d. 8 oktober 2014 blijkt derhalve dat de verkoop van het jacht zonder Belgische B.T.W. de wezenlijke bedoeling was van koper en verkoper. Hiervoor was de tussenkomst van de Franse leasingmaatschappij C.F. noodzakelijk.

Door de tussenkomst van C.F. werd wel degelijk een belastingvoordeel bekomen door eiseres in hoger beroep, nu zij door de intracommunautaire levering geen Belgische B.T.W. verschuldigd is aan de Belgische Staat.

Dat Franse B.T.W. zou zijn betaald door C.F. naar aanleiding van de intracommunautaire verwerving van het schip, kan het hof niet vaststellen. De verklaring desbetreffend van de verantwoordelijke van C.F., de heer NOIRHOMME, opgenomen in het proces-verbaal van taxatie (A.D. 1 p.13-14), wordt niet ondersteund door objectieve en controleerbare stukken. Zulks geldt evenzeer voor de stelling dat B.T.W. zou zijn aangerekend door C.F. op de huurprijs van het betrokken jacht aan de heer V.W.. Facturen waarin B.T.W. wordt aangerekend worden niet voorgelegd. Althans wordt in de financieringsovereenkomst tussen C.F. en de heer V.W. geen melding gemaakt van verschuldigde B.T.W.. Hoe dan ook doet de aanrekening, al dan niet, van Franse B.T.W. in de relatie tussen C.F. en V.W., geen afbreuk aan het belastingvoordeel dat door eiseres in hoger beroep werd bekomen door de intracommunautaire levering van het jacht met vrijstelling van Belgische B.T.W. De verwijzing door eiseres in hoger beroep naar het arrest van het Hof van Justitie d.d. 22 december 2010 (H.v.J. 22 december 2010, C-103/09) is niet relevant in deze nu dit arrest andere feitelijke omstandigheden beoordeelt.

Voor de vrijstelling van B.T.W. is onder meer vereist dat het betrokken jacht wordt vervoerd buiten België maar binnen de EU (artikel 39bis, 1° W.B.T.W.). De levering van het betrokken jacht in Frankrijk was derhalve van cruciaal belang om recht te kunnen doen gelden op de vrijstelling van B.T.W.. Eiseres in hoger beroep heeft zulks zelfs laten vaststellen door een gerechtsdeurwaarder (A.D. B.8). Deze intracommunautaire levering wordt de facto echter teniet gedaan door de levering van het betrokken jacht, vrijwel onmiddellijk na de levering in Frankrijk, in Nieuwpoort waar het in de daaropvolgende jaren zijn ligplaats blijkt te hebben behouden. Zulks doet dan ook afbreuk aan het doel van de vrijstelling van B.T.W. wegens intracommunautaire levering.

Tevens is vereist voor de vrijstelling van B.T.W. dat het jacht wordt geleverd aan een andere B.T.W.-plichtige binnen de EU. Uit het proces-verbaal van vaststelling blijkt het jacht echter ter beschikking te zijn gesteld van de heer V.W., Belgisch particulier. C.F. werd daarbij vertegenwoordigd door eiseres in hoger beroep.

De wezenlijke doelstelling van partijen, verkoper en koper, was derhalve niet de intracommunautaire levering van het jacht in Frankrijk aan een Franse B.T.W.-plichtige, maar de rechtstreekse levering van het jacht in België en dit met vrijstelling van Belgische B.T.W..

De tussenkomst van C.F. was daarbij zonder twijfel artificieel. Van een normale handelstransactie was geen sprake. Zulks blijkt uit het betalingsverkeer, waarbij de koopsom voor 372.000 EUR niet door C.F. werd betaald maar door de heer V.W., middels tussenkomst van S. Nederland. Het bedrag van 372.000 EUR stemt overeen met het bedrag dat door de heer V.W. diende te worden betaald aan C.F. als waarborg en eerste aanbetaling (111.600 EUR + 260.400 EUR). De eerste betaling aan eiseres in hoger beroep voor een bedrag van 2 maal 176.000 EUR of 352.000 EUR gebeurde bovendien vooraleer de verkoopfactuur door eiseres in hoger beroep werd uitgereikt. Uit de handgeschreven vermelding op de verkoopfactuur blijkt dat deze betaling, via S. Nederland, gebeurde door de heer V.W.. Het saldo voor de aankoop van het jacht werd wel door C.F. betaald aan eiseres in hoger beroep, doch met uitdrukkelijke verwijzing naar de heer V.W..

Bovendien werd het schip nagenoeg onmiddellijk na de levering in Frankrijk overgebracht naar België, wat de artificiële tussenkomst van C.F. onderstreept. Van een nuttige, substantiële tussenkomst in de handelsrelatie door C.F. lijkt dan ook geen sprake, tenzij teneinde de vrijstelling van B.T.W. te bekomen.

Het hof is dan ook van oordeel dat zowel het objectief element, met name het bekomen van een belastingvoordeel in strijd met het doel van de B.T.W.-wetgeving, als het subjectief element, met name de wezenlijke bedoeling om belastingen te ontwijken, is aangetoond.

3.5. Het hof is van oordeel dat uit voormelde feitelijke omstandigheden ook blijkt dat eiseres in hoger beroep betrokken was bij het fiscaal misbruik en dat dit haar kan worden toegerekend.

Zulks blijkt uit de koopovereenkomst (A.D. B.1), initieel rechtstreeks tussen eiseres in hoger beroep als verkoper en de heer V.W. als koper en uit de daaropvolgende brief van de raadsman van de heer V.W. (A.D. B.2) waaruit blijkt dat deze contact had met de verkoper, i.e. eiseres in hoger beroep, die conform de instructies in deze brief een pro forma factuur opstelde. Ook het betalingsverkeer, de vermeldingen op de verkoopfactuur en de omstandigheden van de levering van het jacht in Duinkerke bevestigen dat eiseres in hoger beroep wist, minstens moest weten dat zij de facto verkocht aan de heer V.W. en niet aan C.F.. Het hof stelt overigens vast dat eiseres in hoger beroep in haar syntheseconclusie niet ingaat op de brief van Mr. J.D., noch op het betalingsverkeer en de vermeldingen op de verkoopfactuur.

Het hof stelt althans vast dat de administratie geenszins stelt dat het misbruik uitsluitend aan de heer V.W. zou moeten worden toegeschreven. Dat deze door de administratie als de leidende figuur wordt bestempeld, sluit de betrokkenheid van eiseres in hoger beroep bij het misbruik niet uit.

Het fiscaal misbruik houdt, zoals hiervoor toegelicht, geenszins uitsluitend verband met de uitvoering van de leasingovereenkomst, zoals eiseres in hoger beroep ten onrechte voorhoudt, maar eveneens en ondeelbaar met de verkoop van het jacht door eiseres in hoger beroep. Overigens stelt het hof vast dat eiseres in hoger beroep C.F. vertegenwoordigde bij de levering van het betrokken jacht en de terbeschikkingstelling ervan aan de heer V.W., zodat zij bezwaarlijk kan stellen niet betrokken te zijn geweest bij de uitvoering van de leasingovereenkomst. De betrokkenheid van eiseres in hoger beroep bij het fiscaal misbruik staat dan ook vast in deze. Dat eiseres in hoger beroep niet betrokken zou zijn bij de overbrenging van het jacht naar Nieuwpoort kan hieraan geen afbreuk doen.

Op welke wijze het rechtszekerheidsbeginsel aldus zou zijn geschaad, kan het hof niet vaststellen.

3.6. Van zodra de fiscale administratie het bewijs geleverd heeft van het objectieve en het subjectieve element van het fiscaal misbruik, is het aan de belastingplichtige om het tegenbewijs te leveren. Hij moet dan meer bepaald aantonen dat er eventuele andere motieven dan het ontwijken van belastingen voorhanden zijn die de keuze voor de betrokken verrichting kunnen verantwoorden. Deze andere doelstellingen mogen evenwel niet als verwaarloosbaar of zuiver kunstmatig te beschouwen zijn (G.W.-Hof 30 oktober 2013, nr. 141/2013).

Het hof moet vaststellen dat eiseres in hoger beroep in deze geen enkele economische rechtvaardiging opgeeft voor de opeenvolgende handelingen anders dan het bekomen van een vrijstelling van Belgische B.T.W.

3.7. Wanneer een misbruik is vastgesteld, moeten de in het kader daarvan verrichte transacties zo worden geherdefinieerd dat de situatie wordt hersteld zoals zij zou zijn geweest zonder de transacties die dit misbruik vormen (H.v.J. 21 februari 2006, C-255/02, Halifax e.a.).

In casu worden de transacties door de administratie geherkwalificeerd als een verkoop op afstand in toepassing van artikel 15, §1 W.B.T.W.. Eiseres in hoger beroep formuleert ter zake geen opmerkingen en betwist aldus de herkwalificatie als een verkoop op afstand niet. Het hof stelt in deze vast dat aan de voorwaarden om te spreken van een verkoop op afstand is voldaan, zodat terecht Belgische B.T.W. wordt nagevorderd van eiseres in hoger beroep.

3.8. Eiseres in hoger beroep stelt dat de B.T.W. niet kan worden nagevorderd in toepassing van de verjaringstermijn van artikel 81bis, §1, tweede lid, 3° W.B.T.W. omdat er bij fiscaal misbruik geen sprake zou zijn van enige overtreding van de B.T.W.-wetgeving.

Artikel 81bis, §1, tweede lid, 3° W.B.T.W. bepaalt dat er verjaring is na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid zich heeft voorgedaan wanneer bewijskrachtige gegevens aantonen dat de belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat belastingaftrekken werden toegepast met overtreding van de wettelijke en verordeningsbepalingen die daarop van toepassing zijn.

Ingevolge het fiscaal misbruik is er echter wel degelijk sprake van de niet aangifte van belastbare handelingen in België. Ten onrechte werd immers door het fiscaal misbruik, waarbij eiseres in hoger beroep wetens en willens betrokken was, een verkoop op afstand niet aangegeven. Eiseres in hoger beroep, die mede bij de verkoop van het jacht een belastingvoordeel heeft nagestreefd, met name de vrijstelling van B.T.W. wegens intracommunautaire levering, kan zich niet achter het misbruik verschuilen om te stellen dat zij de verkoop in casu niet diende aan te geven (vgl. inzake inkomstenbelastingen Circ.nr.Ci.RH.81/616.207 (AAF nr. 17/2012) van 4 mei 2012, BS, 14 mei 2012).

In die context is de B.T.W.-navordering niet verjaard.

3.9. Eiseres in hoger beroep betwist tenslotte de toepassing van een boete van 20% of 26.040 EUR omdat haar ingevolge het misbruik geen wetsovertreding zou kunnen worden verweten.

Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt in toepassing van artikel 70, §1 W.B.T.W. een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze geldboete komt niet in aanmerking voor vermindering wanneer blijkt dat ze werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken (artikel 1, tweede lid K.B. nr. 41).

In deze werd de betrokken boete verminderd tot 20%.

Gelet op de niet-aangifte van een belastbare handeling, met name de verkoop op afstand, is er sprake van een overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, zodat eveneens terecht een boete werd opgelegd van 20% in toepassing van artikel 70, §1 W.B.T.W.. Dat artikel 70, §1bis W.B.T.W. voorziet in een geldboete voor ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, sluit niet uit dat het vastgestelde misbruik in deze kan worden bestraft in toepassing van artikel 70, §1 W.B.T.W.. Dat fiscaal misbruik geen fraude inhoudt, doet daaraan geen afbreuk. Ook het strafrechtelijk karakter van een geldboete sluit op zich niet uit dat een geldboete kan worden opgelegd voor fiscaal misbruik in toepassing van artikel 70, § 1 W.B.T.W..

Eiseres in hoger beroep vordert minstens de geldboete met uitstel op te leggen omdat deze disproportioneel is met de eventuele inbreuk die haar zou worden verweten.

Eiseres in hoger beroep stelt dat de boete van 20% of 26.040 EUR disproportioneel zou zijn met de vastgestelde inbreuk, met name het niet betalen van de B.T.W. naar aanleiding van de verkoop van het betrokken jacht. De geldboete werd proportioneel berekend met inachtneming van de niet betaalde B.T.W. voor een bedrag van 130.200 EUR. De omvang van de geldboete is dan ook recht evenredig met de niet betaalde B.T.W.. Enkel de omvang maakt deze dan ook niet disproportioneel met de aard en ernst van de inbreuk. Het enkele feit dat eiseres in hoger beroep te goeder trouw handelde en dat er sprake is van een reële verkoop van het jacht, maakt de geldboete van 20% niet disproportioneel. Rekening houdende met de aard en de ernst van de feiten en de concrete gegevens van de zaak is er in casu dan ook geen enkele reden om de geldboete van 20% met uitstel op te leggen, mocht de wet in deze maatregel hebben voorzien of om de geldboete kwijt te schelden of te verminderen.


Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is ongegrond en het vonnis van de eerste rechter dient te worden bevestigd.

Eiseres in hoger beroep begroot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op 10.988,37 EUR. Verweerder in hoger beroep werd niet vertegenwoordigd door een raadsman in de procedure voor het hof en vordert geen rechtsplegingsvergoeding. Het hof begroot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op 0 EUR en Iegt ten laste van eiseres in hoger beroep, als de in het ongelijk gestelde partij.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak is vrijgesteld van rolrecht in toepassing van artikel 2791, 1° io. 162, 4° W.Reg..

Dispositif

4. Beslissing.

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het vonnis van de eerste rechter.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het hoger beroep, in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot en vereffend op 0 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Het meer en anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 17 juni 2025 door

C. P. Raadsheer dd. voorzitter

E. D. Raadsheer

K. L. Raadsheer

E. C. Griffier

Textes cités

4