Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Décision anticipée n° 2025.0490 du 09.10.2025
Impôts sur les revenus · Société d’investissement
RDT · Plus-values sur actions
TVA · Exonérations · Gestion des fonds communs de placement
Résumé
1. X est qualifiée de société d’investissement au sens de l’article 2, § 1er, 5°, f), du CIR 92, ce qui implique que :
1.1. que les dividendes que X percevra, entrent en considération pour la déduction RDT, et ce, quel que soit le taux de participation et quelle que soit la période de détention de l’investissement détenu par X (pour autant qu’il soit satisfait aux conditions de taxation de l’article 203 du CIR 92), et ce, conformément à l’article 202, § 2, alinéa 3, 1°, du CIR 92 ;
1.2. les plus-values sur des actions ou parts réalisées par X sont exonérées de l’impôt des sociétés conformément à l’article 192, § 1er, alinéa 1er, du CIR 92, et ce, quel que soit le taux de participation et quelle que soit la période de détention de son investissement (pour autant qu’il soit satisfait aux conditions de l’article 203 du CIR 92), et ce, vu le renvoi de l’article 192, § 1er, alinéa 1er, du CIR 92, à l’article 202, § 1er et § 2, du CIR 92 (et donc également la dérogation prévue à l’article 202, § 2, alinéa 3, 1°, du CIR 92).
1.3. les sociétés actionnaires belges de X entrent en ligne de compte pour la déduction RDT sur les dividendes distribués par X, et ce, quel que soit le taux de participation et quelle que soit la période de détention de leur investissement (pour autant qu’il soit satisfait aux conditions de l’article 203 du CIR 92), et ce, conformément à l’article 202, § 2, alinéa 3, 3°, du CIR 92 ;
1.4. les éventuelles plus-values sur des actions ou parts réalisées par les sociétés actionnaires de X à l’occasion de la vente de leur participation sont exonérées de l’impôt des sociétés conformément à l’article 192, § 1er, alinéa 1er, du CIR 92, et ce, quel que soit le taux de participation et quelle que soit la période de détention de leur investissement dans X (pour autant qu’il soit satisfait aux conditions de l’article 203 du CIR 92), et ce, vu le renvoi de l’article 192, § 1er, alinéa 1er, du CIR 92, à l’article 202, § 1er et § 2, du CIR 92 (et donc également la dérogation prévue à l’article 202, § 2, alinéa 3, 3°, du CIR 92).
2. X peut être qualifiée d’organisme de placement collectif alternatif (« OPCA ») au sens de l’article 3, 2°, de la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires (la « loi OPCA »), les services de gestion financière et administrative fournis à X étant par conséquent exonérés de la TVA en vertu de l’article 44, § 3, 11°, b), du CTVA.
La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite.
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te verkrijgen dat:
1.1. X kan worden gekwalificeerd als een beleggingsvennootschap in de zin van artikel 2, §1, 5°, f) WIB92, hetgeen impliceert dat:
• de dividenden die X zal ontvangen op grond van artikel 202, §2, derde lid, 1° WIB92 in aanmerking komen voor de toepassing van het regime voor definitief belaste inkomsten voorzien door artikels 202 io. 203 WIB92 (het “DBI-regime”) zonder dat de in artikel 202, §2, eerste lid WIB92 vermelde voorwaarden inzake de participatiegraad en houdperiode (1) in de doelwitvennootschappen voldaan moeten zijn;
[(1) met name het bezitten van een deelneming van minstens 10% of met een aanschaffingswaarde van minstens 2.500.000 euro, die gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom wordt of werd behouden.]
• de meerwaarden op aandelen die X zal realiseren in aanmerking zullen komen voor de vrijstelling voorzien in artikel 192, §1, lid 1 WIB92 zonder dat de in artikel 202, §2, eerste lid WIB92 vermelde voorwaarden inzake de participatiegraad en houdperiode in de doelwitvennootschappen voldaan moeten zijn;
• de dividenden die X zal uitkeren aan haar Belgische aandeelhouders-vennootschappen op grond van artikel 202, §2, derde lid, 3° WIB92 in aanmerking komen voor de toepassing van het DBI-regime zonder dat de in artikel 202, §2, eerste lid WIB92 vermelde voorwaarden inzake de participatiegraad en houdperiode in X voldaan moeten zijn;
• de meerwaarden op aandelen die de Belgische aandeelhouders-vennootschappen zullen realiseren op de X aandelen in aanmerking zullen komen voor de vrijstelling voorzien in artikel 192, §1, lid 1 WIB92 zonder dat de in artikel 202, §2, eerste lid WIB92 vermelde voorwaarden inzake de participatiegraad en houdperiode in X voldaan moeten zijn;
in elk geval voor zover aan de taxatievoorwaarde vervat in artikel 203 WIB92 is voldaan.
1.2. X kan worden gekwalificeerd als een alternatieve instelling voor collectieve belegging (“AICB”) in de zin van artikel 3, 2° van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders (de “AICB wet”), waardoor de diensten inzake het financieel en administratief beheer die geleverd worden aan X vrijgesteld zijn van btw op grond van artikel 44, §3, 11°, b) WBTW.
II. Beslissing
2. De aanvrager heeft in de aanvraag de voorwaarden vervat in de artikelen 21 en 22 van de voormelde wet van 24 december 2002 nageleefd.
3. Het family office van de heer A lag aan de basis van het investeringsfonds Y.
4. De aanvrager stelt dat de ervaring heeft geleerd dat voor investeringen in softwarebedrijven een andere aanpak en teamsamenstelling aangewezen is dan voor investeringen in de andere focussectoren van Y.
5. Daarom achtte het family office van de heer A het opportuun om een nieuw investeringsfonds (X) op te richten dat zich specifiek zal toeleggen op het investeren in innovatieve ondernemingen die actief zijn in o.a. de sector van software.
6. X werd eind yyyy opgericht en is onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Artikel 185bis WIB92 is niet van toepassing op X.
7. X is op heden bij de FSMA geregistreerd als een kleinschalige zelfbeheerde AICB, maar het is de bedoeling dat zij zal overschakelen naar een externe beheerder Z. Z zou een aanvraag ingediend hebben bij de FSMA om een vergunning te verkrijgen als erkende beheerder voor AICBs (in de zin van de AICB wet). Van zodra Z de vergunning als erkende AICB beheerder heeft verkregen, zou zij worden aangesteld om o.a. het dagelijks bestuur en het investeringsbeleid van X waar te nemen.
8. In afwachting van de overschakeling naar Z als externe beheerder werd door de raad van bestuur van X een executief comité en een investeringscomité ingesteld waaraan bevoegdheden werden gedelegeerd betreffende het dagelijks bestuur en het investeringsbeleid.
9. Bij haar oprichting heeft X winstbewijzen uitgegeven, waarop B heeft ingeschreven. Deze winstbewijzen zouden in een volgende fase worden aangewend voor een carried interest programma (de winstbewijzen zouden worden overgedragen aan de verschillende medewerkers en managers die X zullen beheren – onderhavige beslissing doet over het carried interest programma geen uitspraak).
10. De middelen die vrijkomen bij een desinvestering zullen ofwel worden uitgekeerd aan de investeerders, ofwel worden geherinvesteerd in andere doelwitvennootschappen. De afgesloten investerings- en aandeelhoudersovereenkomst voorziet een specifiek uitkeringsbeleid voor X. Volgens de voorziene uitkeringspolitiek zal X overgaan tot een geleidelijke uitkering van de netto gerealiseerde meerwaarden volgens het volgend schema:
• Tussen dd/mm/yyyy en dd/mm/yyyy zou X # % van haar netto gerealiseerde meerwaarden uitkeren;
• Vanaf dd/mm/yyyyy plant X om minstens # % van haar netto gerealiseerde meerwaarden uit te keren;
• Indien tegen eind yyyy de totale uitkeringen minder bedragen dan het totaalbedrag van de investeringen in X, dan zal X # % van haar netto gerealiseerde meerwaarden uitkeren totdat het bedrag van de totale uitkeringen het totaalbedrag van de investeringen in X bereikt.
11. De netto gerealiseerde meerwaarde van X wordt voor de toepassing van de uitkeringspolitiek berekend door de som te maken van de door X gerealiseerde meerwaarden op aandelen en daarvan de management vergoedingen en de bedragen verschuldigd door X onder het carried interest programma af te trekken.
12. X heeft tot doel om te investeren in groeibedrijven, waarbij dergelijke ondernemingen slechts zelden over zouden gaan tot de uitkering van dividenden voor ze een zekere “maturiteit” hebben bereikt. In principe zullen de participaties die deze maturiteit hebben bereikt worden afgestoten, hetgeen in beginsel zal leiden tot een meerwaarde op aandelen voor X. De verwachting is dat X slechts een beperkt bedrag aan dividenden zal ontvangen van haar doelwitvennootschappen. Ontvangen dividenden zullen in beginsel worden gebruikt om werkingskosten te dekken en om te herinvesteren, maar aangezien de beschreven uitkeringspolitiek slechts een minimum aangeeft zou ook kunnen worden beslist om meer van de voor uitkering beschikbare middelen (ongeacht of die hun oorsprong vinden in meerwaarden of dividendinkomsten) uit te keren als dividend.
II.A. Kwalificatie als beleggingsvennootschap
13. Onder een beleggingsvennootschap zoals gedefinieerd in artikel 2, §1, 5°, f) WIB92, wordt verstaan, enigerlei vennootschap die het gemeenschappelijk beleggen van kapitaal tot doel te heeft.
II.A.1. Veelheid aan investeerders
14. B heeft X opgericht. Na de oprichting vonden er kapitaalsverhogingen plaats waarbij bijkomende investeerders geïnvesteerd hebben in X.
15. Bij een eerste kapitaalsverhoging hebben # investeerders rechtstreeks geïnvesteerd in X, en hebben # investeerders geïnvesteerd via een Nederlandse feeder structuur (“C”). Vervolgens zijn er nog # rechtstreekse investeerders toegetreden tot X, en zijn er nog # investeerders toegetreden tot C.
16. De minimale investering bedraagt # EUR per investeerder, en de toegezegde investeringen variëren per investeerder tussen de # EUR en # EUR. Het totaalbedrag aan investeringsverbintenissen bedraagt op heden # EUR.
17. De aanvrager stelt dat de huidige investeerders in X in ruime mate onafhankelijke partijen zijn (er zouden geen familiale banden tussen de meerderheid van de investeerders bestaan). De enige band die bestaat tussen de investeerders is tussen B (het investeringsvehikel van de familie A, onder leiding van de heer A), D (de persoonlijke vennootschap van de zoon van de heer A) en E (de persoonlijke vennootschap van de dochter van de heer A). Op basis van de reeds effectief uitgegeven en onderschreven aandelen bedraagt de participatie van deze vennootschappen in X momenteel ongeveer # %, en rekening houdend met de reeds toegezegde bijkomende investeringen zal hun participatie in de toekomst verhogen tot ongeveer # %.
II.A.2. Veelheid aan investeringen
18. X werd opgericht als een investeringsvennootschap met als doel een waarde te creëren voor haar investeerders.
19. Ondanks deze specifieke focus op de technologische sector wordt een maximale risicospreiding bekomen door te investeren in verschillende doelwitvennootschappen met een technologie die bruikbaar is in diverse sectoren. X zal erop toezien dat deze risicospreiding steeds gewaarborgd blijft.
20. X streeft ernaar investeringen ten belope van minstens # EUR op te halen bij verschillende investeerders. X mikt op een totaalbedrag aan investeringen op te halen van # EUR, met als absoluut maximum # EUR dat niet mag worden overschreden.
21. De minimum investering in een doelwitvennootschap bedraagt in de regel # EUR. Het bedrag dat X in eenzelfde doelwitvennootschap investeert mag in de regel niet meer bedragen dan het hoogste van de volgende grensbedragen: (i) # EUR of (ii) # % van het totaalbedrag aan geplande investeringen in het lopende investeringsplan (dat in principe een periode van # jaar dekt). Onder bepaalde voorwaarden kunnen deze grensbedragen worden opgetrokken, maar in geen enkel geval mag de investering in eenzelfde doelwitvennootschap meer bedragen dan # EUR.
22. De verwachting is dat er wordt geïnvesteerd in # tot # doelwitvennootschappen tegen eind yyyy. Het streefdoel qua investeringshorizon per doelwitvennootschap is # tot # jaar.
II.A.3. (On)beperkte levensduur en geen intentie om een groep te vormen
23. X is opgericht voor een onbepaalde duur, maar met als hoofddoel om voor haar investeerders winst te genereren door haar participaties af te stoten en dit op een relatief korte tot middellange termijn van # tot # jaar.
24. Het idee achter het “evergreen” karakter van het fonds staat volgens de aanvrager volledig los van de intentie om aan de beleggers op korte termijn een rendement te kunnen bieden door het aankopen en verkopen van participaties (wat anders zou zijn dan een holding die rendement op lange termijn probeert te behalen door impact te hebben op de strategie van de dochterondernemingen).
25. Op basis van de voorgaande ervaringen bij Y is volgens de aanvrager gebleken dat er bij beleggers interesse is voor een “evergreen” fonds als alternatief voor de traditionele gesloten private equity fondsen.
26. Uit de praktijk zou blijken dat in de huidige onzekere economische omstandigheden klassieke closed-end private equity fondsen steeds meer moeite hebben om tijdig een interessante exit deal (met een voldoende hoog rendement) te bekomen en daardoor onder druk komen om onder suboptimale omstandigheden een exit te realiseren. Daarom werd gekozen om de duurtijd van X niet van bij aanvang statutair te beperken. Het opzetten van verschillende fondsen met beperkte duurtijd zou tot leiden tot bijkomende oprichtingskosten, terwijl bij een evergreen fonds deze kost slechts eenmaal moet worden gedragen.
27. Tot slot moet de “onbeperkte duurtijd” van X volgens de aanvrager ook worden gerelativeerd aangezien de investeerders onder bepaalde voorwaarden kunnen verzoeken om de duur van X te beperken. Een beweegreden voor de investeerders om dit te doen kan bijvoorbeeld zijn dat X niet overgaat tot voldoende investeringen en/of niet voldoende kortermijn rendement realiseert. Ook hieruit blijkt volgens de aanvrager duidelijk de intentie van X om een korte termijnrendement te realiseren voor de investeerders.
28. X zou een normale rotatie van kapitaal en activa kennen, zoals gebruikelijk in de private equity sector, middels de desinvestering van participaties na een investeringsperiode van (in principe) # tot # jaar.
29. Meerwaarden gerealiseerd naar aanleiding van de vervreemding van participaties zullen in beginsel worden geherinvesteerd, met dien verstaande dat de uitkeringspolitiek van het fonds voorziet in een volledige terugbetaling aan de investeerders van het bedrag dat door hen is geïnvesteerd tegen eind yyyy (zie ook randnummer 10 van de beslissing).
30. In beginsel is het streefdoel qua investeringshorizon per doelwitvennootschap # tot # jaar. Voor elke doelwitvennootschap zou een exit strategie worden uitgewerkt, wat volgens de aanvrager tevens zou wijzen op de intentie om reeds bij het investeren in een bepaald doelwitvennootschap na te denken over de verkoop ervan. In de praktijk zou er zelfs een cashplanning opgesteld worden waarin de exit horizon van de verschillende participaties in kaart wordt gebracht zodanig dat men weet wanneer er cash vrij komt om te herinvesteren in nieuwe participaties.
31. Het verwachte ritme aan investeringen, exits, gedeeltelijke uitkeringen aan de investeerders en herinvesteringen van de overige meerwaarden zouden bij X het voorwerp uitmaken van een financiële planning die periodiek wordt geactualiseerd zodat X haar investeerders periodiek zo goed mogelijk onderbouwde inschattingen kan geven over het tijdstip waarop de investeerders verzoeken tot bijkomende volstortingen vanuit X kunnen verwachten.
32. De intentie om op niveau van X een rotatie van activa te hebben blijkt volgens de aanvrager ook uit de manier waarop het carried interest programma is ingestoken: het programma is namelijk gekoppeld aan de investeringscycli van X en heeft in principe telkens betrekking op een periode van # jaar aan investeringen (een zogenaamde “Vintage”).
33. Het feit dat ook rekening wordt gehouden met toekomstige Vintages in de contractuele documentatie is volgens de aanvrager een bijkomende aanwijzing van de intentie om de participaties om korte tot middellange termijn af te stoten en de opbrengst ervan te herinvesteren (rekening houdende met de reeds beschreven uitkeringspolitiek).
34. De investerings- en aandeelhoudersovereenkomst voorziet ook in een # - jaarlijkse interne markt voor eventuele overdrachten van aandelen tussen bestaande aandeelhouders na een blokkeringsperiode (uitgezonderd voor bepaalde zogenaamde “vrije overdrachten”) van # jaar. X zou, bij onvoldoende interesse van bestaande aandeelhouders, ook haar medewerking verlenen aan kandidaat-verkopers om een derde te vinden die aandelen wenst over te nemen.
35. X zou niet de intentie hebben om een groep te vormen met de doelwitvennootschappen waarin ze investeert. Gelet op de korte investeringstermijn in elke doelwitvennootschap (# tot # jaar) is het volgens de aanvrager niet mogelijk om samen met die vennootschappen (of tussen die vennootschappen onderling) duurzame banden te leggen die kenmerkend zijn voor een groep. De snelle rotatie van de doelwitvennootschappen zou niet toelaten om een nuttige band van wederzijdse afhankelijkheid op te zetten. Bovendien zouden de verschillende doelwitvennootschappen elk een eigen van elkaar losstaande activiteit verrichten. Er zou in de regel geen band van wederzijdse afhankelijkheid bestaan tussen de doelwitvennootschappen onderling of met X.
II.A.4. Louter activa die kaderen binnen de statutaire beleggingsactiviteit
36. X zou geen andere activa aanhouden dan in het kader van haar beleggingsactiviteit.
II.A.5. Niet-openbare AICB
37. X werd ingeschreven op de lijst van kleinschalige beheerders van niet-openbare AICB’s. Van zodra Z de vergunning als beheervennootschap bekomt, zal X deze vergunde vennootschap als beheervennootschap aanstellen.
II.A.6. Conclusie
38. Gelet op voorgaande kan gesteld worden dat X beschouwd kan worden als een beleggingsvennootschap in de zin van artikel 2, §1, 5°, f) WIB92.
39. Artikel 202, §2, eerste lid, WIB92 bepaalt dat de in §1, 1° en 2°, vermelde inkomsten, behalve voor zover deze voortkomen uit de toepassing van artikel 211, § 2, derde lid, of van bepalingen met een gelijkaardig effect in een andere Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, slechts aftrekbaar zijn in zoverre:
1° op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van deze inkomsten, de vennootschap die de inkomsten verkrijgt in het kapitaal van de vennootschap die ze uitkeert, een deelneming bezit van ten minste 10 pct of met een aanschaffingswaarde van ten minste 2.500.000 EUR;
2° deze inkomsten betrekking hebben op aandelen die gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom worden of werden behouden.
Overeenkomstig de Programmawet van 18 juli 2025 (Belgisch Staatsblad 29/07/2025 – numac 2025005578) bepaalt artikel 202, §2, eerste lid,1° WIB92 het volgende, waarbij deze wijziging van toepassing is vanaf aanslagjaar 2026:
1° op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van deze inkomsten, de vennootschap die de inkomsten verkrijgt in het kapitaal van de vennootschap die ze uitkeert, een deelneming bezit van ten minste 10 % of een deelneming bezit met een aanschaffingswaarde van ten minste 2.500.000 euro die, indien deze vennootschap die de inkomsten verkrijgt geen kleine vennootschap is, de aard van financiële vaste activa heeft.
40. Artikel 202, §2, derde lid, 1° en 3° WIB92 bepalen dat de voorwaarden vermeld in het eerste lid evenwel niet van toepassing zijn op de inkomsten die worden verkregen door beleggingsvennootschappen en gereglementeerde vastgoedvennootschappen, of op de inkomsten die worden verleend of toegekend door beleggingsvennootschappen en gereglementeerde vastgoedvennootschappen.
41. Aangezien in artikel 202, §2, derde lid WIB92 in algemene bewoordingen sprake is van “beleggingsvennootschap”, heeft het begrip beleggingsvennootschap de betekenis die er aan gegeven wordt door de definitie vermeld in artikel 2, §1, 5°, f) WIB92.
42. Uit bovenstaande blijkt dat X kwalificeert als een beleggingsvennootschap in de zin van artikel 2, §1, 5°, f) WIB92. Deze kwalificatie impliceert dat:
42.1. de dividenden die X zal ontvangen in aanmerking komen voor de DBI-aftrek, en dit ongeacht de participatiegraad en houdperiode van de investering aangehouden door X (voor zover de taxatievoorwaarden van artikel 203 WIB92 voldaan zijn), en dit conform artikel 202, §2, derde lid, 1° WIB92;
42.2. de meerwaarden op aandelen die X zal realiseren overeenkomstig artikel 192, §1, eerste lid WIB92 vrijgesteld zijn van de vennootschapsbelasting, en dit ongeacht de participatiegraad en houdperiode van haar investering (voor zover de voorwaarden van artikel 203 WIB92 voldaan zijn), en dit gelet op de verwijzing van artikel 192, §1, eerste lid WIB92 naar artikel 202, §1 en §2 WIB92 (en dus ook de uitzonderingsbepaling zoals voorzien onder artikel 202, §2, derde lid, 1° WIB92);
42.3. de Belgische vennootschappen-aandeelhouders van X in aanmerking komen voor de DBI-aftrek op de dividenden uitgekeerd door X, en dit ongeacht de participatiegraad en de houdperiode van hun investering (voor zover de voorwaarden van artikel 203 WIB92 voldaan zijn) en dit conform artikel 202, §2, derde lid, 3° WIB92;
42.4. de eventuele meerwaarden op aandelen die Belgische vennootschappen-aandeelhouders van X zouden realiseren bij verkoop van hun participaties overeenkomstig artikel 192, §1, eerste lid WIB92 vrijgesteld zijn van de vennootschapsbelasting, en dit ongeacht de participatiegraad en houdperiode van hun investering in X (voor zover de voorwaarden van artikel 203 WIB92 voldaan zijn), en dit gelet op de verwijzing van artikel 192, §1, eerste lid WIB92 naar artikel 202, §1 en §2 WIB92 (en dus ook de uitzonderingsbepaling zoals voorzien onder artikel 202, §2, derde lid, 3° WIB92).
II.B. Van btw vrijgestelde beheersdiensten
43. Overeenkomstig artikel 44, § 3, 11° W.BTW wordt van btw vrijgesteld:
"het beheer van:
a) de instellingen voor collectieve belegging bedoeld in de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die aan de voorwaarden voldoen van de richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen;
b) de instellingen voor collectieve belegging bedoeld in de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve beleggingen en hun beheerders;
c) de openbare of institutionele gereglementeerde vastgoedvennootschappen bedoeld in artikel 2, 1°, 2° en 3°, van de wet van 12 mei 2014 betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen;
d) de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening."
44. Artikel 44, § 3, 11° W.BTW vormt de omzetting in Belgisch recht van artikel 135, lid 1, g) van de btw-richtlijn 2006/112/EG van 28.11.2006 dat voorziet in een vrijstelling voor gemeenschappelijke beleggingsfondsen , zoals omschreven door de EU-lidstaten.
De toepassing van deze vrijstelling hangt af van de objectieve aard van de handeling en niet van de hoedanigheid van de dienstverrichter of de ontvanger van de dienst. Vereist is dat een handeling, over het geheel beschouwd, een afzonderlijk geheel vormt dat de essentiële en kenmerkende functies van het vrijgestelde beheer vormt.
De bewoordingen van voornoemde richtlijn sluiten niet uit dat het beheer bestaat uit verschillende afzonderlijke diensten die de vrijstelling kunnen genieten, ook al worden zij door een derde beheerder verricht. Dergelijke diensten door een derde zullen dus evenzeer de bedoelde vrijstelling genieten op voorwaarde dat zij betrekking hebben op de onderdelen die specifiek en essentieel zijn voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.
45. De toepassing van de vrijstelling is afhankelijk van (i) de kwalificatie van de (uiteindelijke) ontvanger van de diensten als collectieve beleggingsinstelling en (ii) de aard van de geleverde diensten.
De betreffende beheerdiensten die aan X worden geleverd zijn vrijgesteld van btw op grond van artikel 44, § 3, 11°, b) W.BTW, zoals hierna genoegzaam zal blijken.
II.B.1. X kwalificeert als een collectieve beleggingsinstelling in de zin van artikel 44, § 3, 11° W.BTW
46. Artikel 3, 2° van de AICB wet definieert de alternatieve instelling voor collectieve belegging of AICB als:
“de instellingen voor collectieve belegging (2), met inbegrip van hun beleggingscompartimenten, die
[(2) die zelf door artikel 3, 1° van de AICB wet worden gedefinieerd als “een Belgische of buitenlandse instelling waarvan het doel de collectieve belegging van financiële middelen is”.]
a) bij een reeks beleggers kapitaal ophalen om dit overeenkomstig een bepaald beleggingsbeleid in het belang van die beleggers te beleggen; en
b) niet voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG.”
47. Uit voorgaand feitenrelaas blijkt duidelijk dat X bij een reeks beleggers kapitaal heeft opgehaald (en verder zal ophalen) om dit overeenkomstig het in de overeenkomst F tussen B, X en Z en # andere directe en indirecte investeerders omschreven beleggingsbeleid te beleggen in het belang van voornoemde beleggers. X is er niet op gericht om te worden gecommercialiseerd aan retailbeleggers. X zal haar financiële middelen niet aantrekken via een openbaar aanbod en voldoet bijgevolg niet aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG.
Hieruit volgt dat X kan worden beschouwd als een AICB zoals bedoeld in de AICB wet.
II.B.2. De aard van de diensten geleverd aan X
48. Ook al beschikken EU-lidstaten over een zekere vrijheid ten aanzien van het begrip ‘gemeenschappelijk beleggingsfonds’, toch moet het begrip ‘fondsenbeheer’ een op zichzelf staande interpretatie krijgen in het licht van de btw-richtlijn en het Europees rechtersrecht. Het beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds beoogt het beheer van fondsen waarin een groot aantal beleggingen samengebracht en verdeeld wordt over een reeks roerende waarden, die dan op een efficiënte manier kunnen worden beheerd om het resultaat ervan te optimaliseren. Algemeen gesteld dekt het begrip ‘beheer’ de diensten van financieel en administratief beheer.
De Belgische btw-wetgeving bepaalt niet nader welke diensten als ‘beheer’ dienen te worden beschouwd. Ter zake wordt verwezen naar de circulaire AOIF nr. 22/2008 (nr. E.T. 113.316) van 17.06.2008 met betrekking tot de diensten inzake beheer van organismen voor de financiering van pensioenen (OFP’s) die mutatis mutandis van toepassing is op de diensten inzake beheer van de overige instellingen voor collectieve belegging (ICB’s en AICB’s) (3).
[(3) Btw-Commentaar, editie 01.02.2025, Boek II, Hoofdstuk 9, Afdeling 32, titel 1 in fine.]
In voornoemde circulaire AOIF nr. 22/2008 onderscheidt men drie types diensten waarvan een organisme voor de financiering van pensioenen of mutatis mutandis een instelling voor collectieve belegging kan genieten: (1) de diensten van financieel beheer, (2) de diensten van administratief beheer en (3) de materiële en technische diensten.
De btw-vrijstelling beoogt enkel de diensten van financieel en administratief beheer. De dienstprestaties inzake financieel beheer hebben betrekking op de uitoefening van de beslissingsmacht inzake het beleggingsbeleid van instellingen voor collectieve belegging. Als voorbeeld kan onder meer melding worden gemaakt van het uitvoeren van ALM-studies (Asset Liabilities Modelling of Management) met het oog op het bepalen en bijsturen van het beleggingsbeleid.
De dienstprestaties inzake administratief beheer betreffen prestaties met betrekking tot de administratieve verplichtingen van instellingen voor collectieve belegging, waaronder de activiteitsverslagen, het opstellen van statistieken voor de voogdijoverheid, het opstellen van het prospectus en van het jaarverslag, en dergelijke meer.
De bedoelde vrijstelling van btw geldt ook ten aanzien van de bestuurdersvergoedingen die door instellingen voor collectieve belegging worden toegekend aan hun bestuurders (4).
[(4) Beslissing nr. E.T. 127.850 van 30.03.2016.]
De derde categorie, namelijk de materiële en technische diensten, is uitgesloten van het toepassingsgebied van de bedoelde btw-vrijstelling. Materiële en technische diensten omvatten onder meer de huur van een kantoorgebouw, lokalen, de aankoop c.q. leasing van kantoormateriaal en meubilair, drukwerk, generieke IT-diensten, onderhoudskosten van lokalen en materiaal, representatiekosten, restaurantkosten of nog diensten van een sociaal secretariaat voor de loonadministratie van het personeel van een OFP, ICB of AICB.
49. Op basis van de hiervoor aangehaalde circulaire zouden - algemeen gesteld - de diensten van financieel en administratief beheer die worden geleverd aan X vrijgesteld zijn van btw overeenkomstig artikel 44, § 3, 11° W.BTW en eventuele materiële en technische diensten niet vallen onder deze btw-vrijstelling.
II.B.3. Diensten geleverd aan Z
50. Zoals vermeld is de toepassing van de vrijstelling voorzien door artikel 44, § 3, 11°, b) W.BTW afhankelijk van de aard van de geleverde diensten (i.e. diensten van financieel en administratief beheer van een kwalificerende ICB of AICB) en niet de hoedanigheid van de dienstverrichter.
Het feit dat bepaalde beheerdiensten worden geleverd door zelfstandige dienstverleners aan Z die deze diensten vervolgens – al dan niet met een marge – doorrekent aan X, staat de toepassing van de vrijstelling van artikel 44, § 3, 11°, b) W. BTW op de diensten geleverd aan Z niet in de weg.
In antwoord op een parlementaire vraag heeft de minister van Financiën namelijk bevestigd wat volgt:
“Overigens is het belangrijk erop te wijzen dat om voormelde vrijstelling te genieten, de prestaties van financieel en administratief beheer, globaal genomen, een afzonderlijk geheel moeten vormen dat de kenmerkende en essentiële functies van het beheer van instellingen voor collectieve belegging verricht. De vrijstelling kan derhalve ook van toepassing zijn op prestaties van beheer uitgevoerd in onderaanneming, voor zover die handelingen bovengenoemde kenmerken vertonen.” (5).
[(5) Parl. Vr. nr. 650 DE CLIPPELE van 15.05.2000, Vr. en Antw. Senaat, 2000-2001, nr. 2-40.]
Deze zienswijze is in lijn met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat heeft bevestigd dat de beheerdiensten (deels) kunnen worden uitbesteed door de fondsenbeheerder aan een derde partij. Deze uitbestede beheerdiensten vallen ook onder de toepassing van de bedoelde vrijstelling van btw wanneer deze diensten specifiek en essentieel zijn voor het beheer van het fonds (6). Bestaat de dienstverlening door de derde daarentegen uit eenvoudige materiële of technische taken, dan zal de bedoelde vrijstelling van btw geen toepassing vinden.
[(6) HvJ, 07.03.2013, C-275/11, GfBk, Gesellschaft für Börsenkommunication mbH, www.curia.europa.eu..]
II.B.4. Conclusie
51. Op grond van wat voorafgaat zullen de diensten geleverd door zelfstandige dienstverleners (als natuurlijke persoon of in vennootschapsvorm) aan Z en die bestaan in diensten van financieel en/of administratief beheer van X (die vervolgens worden doorgerekend in de vorm van een algemene vergoeding aan X) ook kunnen vallen onder de toepassing van de vrijstelling voorzien door artikel 44, § 3, 11°, b) W.BTW.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.