Unité de TVA, Nettoyage de bâtiments, unité TVA · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 15 septembre 2025

Rechercher
Texte en néerlandais

Unité de TVA, Nettoyage de bâtiments, unité TVA

https://juriel.be/fr/jurisprudence/unite-tva-nettoyage-batiments-travaux-tribunal-gand-2025-09-15-d56c

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
15 septembre 2025

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

148 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance de Gand du 15.09.2025

[ Jugement mixte ]

TVA – Unité de TVA – Nettoyage de bâtiments

Résumé du jugement

Pas disponible

Texte intégral

Corps de la décision

Ce jugement est publié uniquement dans sa langue originale.

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG OOST-VLAANDEREN, afdeling GENT

FISCAAL - ZESDE BURGERLIJKE KAMER

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 15 SEPTEMBER 2025

In de zaak van:

X., KBO …, met zetel te …,

eisende partij, hebbende als raadsman mr. SOETAERT FILIP, advocaat te 8500 Kortrijk, Spinnerijstraat 101 bus 22;

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, KBO 0308.357.159, op vervolging en benaarstiging van :

- de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, handelend ten verzoeke van de Adviseur Invordering — Ontvanger van het Team Invordering Rechtspersonen Gent 1, met kantoren te Gaston Crommenlaan 6 bus 101, 9050 Gent - Ledeberg,

- de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Centrum Grote Ondernemingen Beheer & Gespecialiseerde controles — controle BTW eenheid, met kantoren te Kruidtuinlaan 50/3350­3352, 1000 Brussel,

verwerende partij, voor wie optreden mevrouw D.K., attaché bij een fiscaal bestuur, en de heer V.D., adviseur bij een fiscaal bestuur;

beslist de rechtbank als volgt:

I. DE RECHTSPLEGING

De rechtbank hoorde partijen in hun argumenten op de openbare terechtzitting van 12 juni 2025. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken

in en het gedinginleidend verzoekschrift van 15 september 2022, de conclusies en stavingsstukken van partijen.

II. DE VORDERING

Eiseres vordert in synthesebesluiten de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren:

de tenuitvoerlegging van het innings- en invorderingsregister te stuiten, opgemaakt op 28 december 2021, met als schuldnummer 500248033824 en met als nummer register 202112NL024, en uitvoerbaar verklaard door tweede verweerster op 29 december 2021;

de inschrijving/opname van de bestreden fiscale schuld in het innings- en invorderingsregister, opgemaakt op 28 december 2021, met als schuldnummer 500248033824 en met als nummer register 202112NL024, en uitvoerbaar verklaard door tweede verweerster op 29 december 2021;

het proces-verbaal, opgemaakt op 19 november 2021, door mevrouw K.D., attaché, ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, werkzaam bij het Centrum Grote Ondernemingen Beheer & Gespecialiseerde controles — controle BTW eenheid, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50/3352 (derde verweerster), nietig te verklaren, minstens ongegrond te verklaren;

minstens te zeggen voor recht dat eiseres de voornoemde fiscale schuld niet (integraal) verschuldigd is, noch alle sommen in het bestreden proces-verbaal van 19 november 2021, minstens een eventuele boete gepaard laten gaan met uitstel, of minstens substantieel te willen matigen;

De Belgische Staat te veroordelen tot de terugbetaling van de eventuele ten onrechte betaalde en/of ingehouden sommen, te verhogen met moratoriuminteresten te rekenen vanaf de betaling of de inhouding;

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, in hoofde van concluante geraamd op de

basisvergoeding voor vorderingen tussen 10,000,00 € en 20.000,00 €, m.n. 1.650,00 €.

In ondergeschikte orde, [eiseres] toe te laten de echtheid van de verklaringen en beweringen van de heer R.H. te bewijzen met alle middelen van recht, inclusief het getuigenverhoor, en desgevallend om, conform artikel 915 e.v. Gerechtelijk Wetboek, de heer R.H. op te roepen en te verhoren."

Verweerster vordert in synthesebesluiten de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren en eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding.

III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

1.Eiseres is in de KBO geregistreerd voor haar activiteit van algemene reiniging van gebouwen. Omwille van deze handelingen heeft zij de hoedanigheid van btw-belastingplichtige en is zij onderworpen aan de wetgeving inzake btw en aan de ter uitvoering van die wetgeving genomen uitvoeringsbesluiten.

2.Sinds 1 februari 2019 is zij, samen met de leden S. (BE …), I. (BE …) en n.v. E.L. (BE …) onder de vorm van de btw-eenheid E. geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het btw-nummer BE…. Voorheen waren zij volledig vrijgestelde belastingplichtigen zonder actief btw-nummer.

3.De btw-eenheid werd in de loop van het jaar 2021 gecontroleerd voor de periode 1 februari 2019 tot en met 31 december 2020. Door de vastgestelde onregelmatigheden die zich al voor de opstart van de btw-eenheid voordeden, volgens verweerster, werd de controle van de leden uitgebreid tot de periode 1 januari 2018 tot en met 31 januari 2019.

4.Op 13 augustus 2021 werd een vraag om inlichting verstuurd naar de heer P.V. (boekhouder) met de vermelding dat over de vergoeding aan M. Belgische btw was verschuldigd. Als reactie hierop heeft de heer V., na uitstel gevraagd te hebben, uiteindelijk op 15 oktober 2021 de toelichting van de heer H. en het contract met M. voorgelegd.

5.Eiseres verklaarde zich niet akkoord met de vastgestelde onregelmatigheden van de taxatieagent en bijgevolg was deze gehouden om op basis van artikel 59, §1 W.BTW. processen-verbaal op te stellen.

6.De vermeende onregelmatigheden van voor de opstart van de btw-eenheid (1 februari 2019) werden afzonderlijk opgenomen in een proces-verbaal per lid. Deze processen-verbaal werden verzonden op 19 november 2021 naar eiseres zowel via e-mail als aangetekend. De vastgestelde onregelmatigheden, volgens verweerster, na 1 februari 2019, werden opgenomen in een proces-verbaal en dit werd verzonden op 30 november 2021.

7.De onregelmatigheden, die verweerster zou hebben vastgesteld, die het voorwerp uitmaakten van deze processen-verbaal kunnen als volgt worden samengevat:

 De vennootschap M. (vennootschap naar Luxemburgs recht) factureerde maandelijks aan de vennootschappen S., X. en E.L. de door haar als zaakvoerder geleverde prestaties. De door de medecontractanten verschuldigde btw werd niet aan de Schatkist afgedragen;

 Op de tantièmes die door de vennootschappen E.L., X. en S. aan de vennootschap M. verschuldigd waren, werd geen btw afgedragen aan de Schatkist;

 De vennootschappen Dienstenbedrijf E.L. en I. waren op basis van artikel 51, §2, 1' van het Btw-Wetboek gehouden om als medecontractant voor een aantal intracommunautaire diensten de verschuldigde btw op deze prestaties te voldoen;

 De vennootschappen X., Dienstenbedrijf E.L. en S. hebben niet voldaan aan de meldingsplicht met betrekking tot hun btw-identificatienummer.

8.Op 22 februari 2022 heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend tegen

voornoemd proces-verbaal.

9.Bij administratieve beslissing van 30 juni 2022 werd het bezwaarschrift afgewezen o.a. omdat eiseres niet heeft kunnen aantonen dat een bepaalde prestatie kan gelinkt worden aan een welbepaalde vergoeding.

Eiseres kon zich niet vinden in deze afwijzende beslissing zodat zij op 15

september 2022 een verzoekschrift neerlegde ter griffie van deze rechtbank.

IV. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.

2. Ten gronde

Inzake de kwalificatie van een deel van de vergoeding als vergoeding voor het uitoefenen van een onderzoeks- en controlebevoegdheid

2.1.

Eiseres werpt op dat de vergoeding die de Luxemburgse vennootschap M. SA, optredend als holdingvennootschap van de heer R.H. en als aandeelhouder, factureert als tegenprestatie voor de uitoefening van een individuele onderzoeks- en controlebevoegdheid, niet is onderworpen aan de btw om redenen dat het uitoefenen van een individuele onderzoeks- en controlebevoegdheid in de gegeven omstandigheden geen economische activiteit is.

Eiseres stelt dat de Luxemburgse vennootschap M. optrad als aandeelhouder en holdingvennootschap en dat hieraan de vergoedingen: "Remuneration par site" (vrij vertaald: vergoeding per vestiging) en "Participation frais de deplacement et frais de voiture" (vrij vertaald: verplaatsingsvergoeding) dienen gekoppeld te worden.

2.2.

De rechtbank merkt op dat bij gebrek aan een commissaris iedere aandeelhouder op grond van artikel 3:101 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, de individuele onderzoeks- en controlebevoegdheid heeft van een commissaris, waarbij deze aandeelhouder ook het recht heeft zich te laten vertegenwoordigen of bijstaan door een externe accountant.

2.3.

De rechtbank stelt vast dat de heer R.H. via zijn holdingvennootschap naar Luxemburgs recht, M. SA, sinds juli 2011 deelnemingen heeft verworven in achtereenvolgens E.L. BV, X. BV en S. BV, om ze vervolgens opnieuw van de hand te doen uiterlijk op 30 september 2020.

Gedurende deze periode dat de Luxemburgse holdingvennootschap van de heer R.H. deelnemingen aanhield in respectievelijk E.L. BV, X. BV en S. BV, was er in voornoemde vennootschappen geen commissaris aangesteld.

2.4.

De rechtbank is van oordeel dat een onderneming deel uitmaakt van het

economisch verkeer wanneer zij ondersteunende diensten levert binnen een groep van vennootschappen. De hoedanigheid van belastingplichtige wordt aan M. SA al toegekend van zodra deze belastbare prestaties verricht voor de met haar verbonden ondernemingen.

De individuele onderzoeks- en controlebevoegdheden dienen dan ook gekwalificeerd te worden als een economische activiteit binnen het geheel van geleverde diensten. Het zijn intellectuele dienstprestaties die deel uitmaken van het tussen twee rechtspersonen afgesloten contract onder bezwarende titel.

2.5.

De rechtbank stelt verder vast dat naast het aanhouden van de deelnemingen M. onder bezwarende titel eveneens een aantal prestaties verrichtte zoals de overdracht van intellectuele rechten (artikel 18, §1, 2de lid, 7° W.BTW) en de terbeschikkingstelling van bedrijfsspecifieke software (artikel 18, §1, 2de lid, 16° W.BTW). Deze prestaties zijn opgenomen in het contract en de facturen.

De beschrijving van deze prestaties zijn eveneens terug te vinden in de toelichting van de heer H. met betrekking tot de "Remuneration fixe" (vrije vertaling: vaste vergoeding). Deze vaststellingen wijzen op het actief aanhouden van deelnemingen. Des te meer daar de Luxemburgse vennootschap werd benoemd als statutair zaakvoerder van haar dochteronderneming.

2.6.

De loutere bewering dat de aandeelhouder/zaakvoerder door de niet aanstelling van een commissaris over geen enkele bedrijfsgerelateerde controle over haar dochteronderneming beschikt, kan dan ook niet worden gevolgd. M. had trouwens meer dan 99% van de aandelen van eiseres in haar bezit tijdens de controleperiode. De Luxemburgse vennootschap M. is dan ook wel degelijk opgetreden als bestuurder. De verklaring van de heer H. dat het een louter passief bestuursmandaat betreft staat haaks op de boekhouding die hij controleerde, de jaarverslagen die hij indiende, het contract en addenda dat hij ondertekende en de facturen die hij maandelijks opmaakte.

2.7.

De rechtbank deelt niet de zienswijze van eiseres die voorhoudt dat de opgemaakte facturen de opsplitsing aantonen. De facturen verwijzen enkel naar een opsplitsing van de vergoeding in een vast en een variabel gedeelte. Uit deze facturen en uit de berekening van de vergoeding kan niet afdoende worden afgeleid in welke mate zij betrekking hebben op de verschillende opgesomde diensten, deze worden immers niet uitdrukkelijk omschreven op de factuur.

2.8.

De rechtbank merkt wel op, hierin gevolgd door eiseres, dat gedurende de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 januari 2019 (tot de oprichting van de btw-eenheid), door eiseres de volgende "vergoedingen" aan M. SA zijn betaald, inclusief deelname in reis- en autokosten, in uitvoering van de individuele onderzoeks- en controlebevoegdheden door de Luxemburgse holdingvennootschap bij eiseres waarin zij deelnemingen aanhield:

 periode 01/01/2018 tot 31/12/2018: 27.000,00 EUR (9.000,00 + 18.000,00)

 periode 01/01/2019 tot 31/01/2019 : 2.250,00 EUR (750,00 + 1.500,00)

Totaal: 29.250,00 x 21% = 6.142,50 EUR aan btw.

Deze "vergoedingen" kaderen uitsluitend in de uitvoering van de individuele onderzoeks- en controlebevoegdheden van M. SA, en betreffen niet het totaal aan "vergoedingen" ontvangen in de desbetreffende periode waar verweerster naar verwijst.

De gevorderde btw moet aldus verminderd worden met 6.142,50 EUR, zijnde het bedrag dat betrekking heeft op de individuele onderzoeks- en controlebevoegdheden van M. SA, alsook de boeten en interesten verhoudingsgewijs.

2.9.

De rechtbank besluit in deze dan ook dat verweerster bij gebrek aan een duidelijke opsplitsing de gehele vergoedingterecht heeft onderworpen aan het gewone btw-tarief van 21%. Onder voorbehoud van een bedrag van 6.142,50 EUR (zoals in randnummer 2.8. hierboven beschreven).

Inzake het verschaffen van financiële middelen: al of niet economische activiteit

2.10.

Eiseres werpt op dat het louter beheer van vermogen, zoals een particulier investeerder, geen economische activiteiten uitmaakt. Het verschaffen van financiële middelen betreft dan ook een niet-economische activiteit.

Voor het inbrengen van kapitaal en/of voor het beleggen van geldmiddelen in de dochtervennootschappen, werden meer concreet uitkeringen gefactureerd van 0,20 EUR per gepresteerd arbeidsuur door het personeel van de dochtervennootschap onder het regime van dienstencheques. De uitkering is louter afhankelijk van haar winstrealisatie. Het betreft een variabele vergoeding die M. verkreeg in haar hoedanigheid van aandeelhouder en als een vergoeding voor het kapitaal en die moet gezien worden als een `dividend'.

De door de holdingvennootschap naar Luxemburgs recht, M. SA gefactureerde uitkeringen voor het inbrengen van kapitaal en/of voor het beleggen van geldmiddelen in de dochtervennootschappen, a rato van 0,20 EUR per gepresteerd arbeidsuur door het personeel van de dochtervennootschap onder het regime van dienstencheques, bij de facturatie omschreven als "Remuneration sur le chiffre d'affaires" (uitkeringen op basis van omzet), vallen dus buiten het toepassingsgebied van de btw, en zijn dus niet onderworpen aan de btw.

2.11.

Artikel 44, §3, 5° W.BTW bepaalt dat een aantal diensten zijn vrijgesteld van

btw:

"5° verlening van kredieten en bemiddeling inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die ze heeft verleend;"

2.12.

De rechtbank stelt vast dat, hetgeen hierboven reeds werd geoordeeld, de M. SA wet degelijk handelingen van bestuurder stelde. De rechtbank kan niet op afdoende wijze afleiden welk gedeelte van de vergoeding gelinkt is aan welke prestatie.

Uit de interne jaarrekening van eiseres kan de rechtbank niet afdoende afleiden dat M. SA belangrijke bijkomende financiële prestaties verstrekt aan eiseres. De jaarrekening vertoont geen financiële vaste activa en geen geldbeleggingen, wel een financiële vordering ten belope van 4.269 EUR (lening op korte termijn van M.). Daarenboven had eiseres een vordering van 40.000 EUR (rekening 416) op M. in datzelfde jaar.

Door de jaren heen zijn de liquide middelen van eiseres sterk toegenomen. In het jaar 2016 bezat zij voor 100.000 EUR liquide middelen en dit bedrag was in 2020 reeds gegroeid tot een bedrag van meer dan 700.000 EUR.

Uit het voorgaande kan de rechtbank niet afleiden dat de vennootschap M. SA, aandeelhouder, aan eiseres belangrijke bijkomende financiële prestaties verstrekt.

2.13.

De rechtbank is van oordeel dat bij gebrek aan bewijs niet wordt aangetoond dat de moederonderneming bijkomende financiële prestaties verricht. De vergoeding van de belofte om in voorkomend geval de nodige kredieten te verstrekken is op zich geen van de btw vrijgestelde prestatie.

Inzake de proportionele geldboete

2.14.

Eiseres betwist de opgelegde proportionele geldboete voor een bedrag van 4.090,00 EUR omdat deze in eerste instantie werd begaan door de vennootschap M. SA, terwijl eiseres de gevolgen ervan moet dragen.

Volgens vaststaande rechtspraak van het EHRM en het Hof van Cassatie, hebben boetes op basis van artikel 70 W.BTW een strafrechtelijk karakter zodat de rechter niet alleen de wettelijkheid maar ook de evenredigheid ervan kan beoordelen.

In ondergeschikte orde vraagt eiseres de opgelegde proportionele geldboete te verminderen, minstens een uitstel van tenuitvoerlegging toe te staan.

2.15.

Overeenkomstig de artikelen 70, §1 en §1bis W.BTW werden geldboeten opgelegd gelijk aan het dubbel van de belasting. De geldboeten werden verminderd op grond van artikel 1, eerste lid van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde juncto tabel H en G van de bijiage bij dat besluit.

2.16.

De rechter die gevraagd wordt een administratieve sanctie te controleren die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM moet de wettigheid van die sanctie nagaan en kan meer bepaald onderzoeken of die sanctie verenigbaar is met de dwingende vereisten van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dat controlerecht biedt de rechter de mogelijkheid om, met in aanmerkingneming van alle omstandigheden van de zaak, te onderzoeken of de straf niet buiten verhouding staat tot de overtreding, zodat hij kan onderzoeken of de administratie redelijkerwijs een administratieve sanctie van die omvang mocht opleggen. In dat opzicht kan de rechter inzonderheid rekening houden met de ernst van het misdrijf, het bedrag van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop uitspraak is gedaan in soortgelijke

zaken.

Dit controlerecht houdt niet in dat de rechter, !louter om

opportuniteitsredenen en in strijd met de wettelijke regels, geldboeten kan kwijtschelden of verminderen (zie ook Cass. 18 april 2013, F.11.0142.F, www.cass.be).

Gelet op de volle rechtsmacht die deze rechtbank heeft inzake administratieve boetes die een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM, is deze rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om de opgelegde geldboete te

verminderen of zelfs kwijt te schelden.

Artikel 70 W.BTW moet in grondwettelijke zin worden geïnterpreteerd (zie ook GwH 15 mei 2008, nr. 79/2008).

2.17.

De rechtbank stelt vast dat een proportionele geldboete voor een bedrag van 4.090,00 EUR werd opgelegd. In het voorliggende geschil is deze geldboete van 20% disproportioneel.

2.18.

De rechtbank is van oordeel dat de verminderde proportionele geldboete van 10% wel degelijk redelijk is en in verhouding staat met de vastgestelde btw-overtreding en met het doel van de administratieve geldboete. Deze werd bovendien in feite en in rechte verantwoord.

Zelfs indien de wet zou voorzien in de mogelijkheid om de geldboete met uitstel op te leggen, dan nog zijn er volgens de rechtbank geen redenen om dit uitstel te verlenen. Alleen een werkelijke sanctie, geldboete aan 10%, kan het gewenste doel bereiken.

Besluit

2.19.

De rechtbank besluit dat verweerster terecht de gehele vergoeding heeft onderworpen aan het gewone btw-tarief van 21%. Onder voorbehoud van een teruggave (of verrekening) van een bedrag van 6.142,50 EUR (zoals in randnummer 2.8. hierboven beschreven).

De proportionele geldboete dient verminderd te worden tot 10%.

Voor het overige wordt het proces-verbaal van 19 november 2021 bevestigd.

Alle meeromvattende en strijdige argumenten worden verworpen als niet ter zake dienend.

De vordering van eiseres is gedeeltelijk gegrond.

V. GERECHTSKOSTEN - RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

1. De kosten omvatten in de voorliggende zaak onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 6' Gerechtelijk Wetboek).

In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

2

Wanneer de partijen wederzijds lastens elkaar in het ongelijk werden gesteld, kan de rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

Gelet op de bovenstaande beoordeling, waarbij eiseres deels in het gelijk wordt gesteld en deels in het ongelijk, komt het passend voor te zeggen voor recht dat elk van de partijen de eventuele kosten, gevallen aan de eigen zijde, definitief voor eigen rekening zal dragen, derwijze dat partijen uit dien hoofde aan elkaar niets meer verschuldigd zullen zijn.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

BESLIST DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,

met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

alle meeromvattende en strijdige argumenten te verwerpen als niet ter zake dienend;

de vordering van eiseres ontvankelijk en (deels) gegrond te verklaren in volgende mate:

 Dat de gehele vergoeding dient te worden onderworpen aan het gewone btw-tarief van 21%. Onder voorbehoud van een teruggave (of verrekening) van een bedrag van 6.142,50 EUR (zoals in randnummer 2.8. hierboven beschreven);

 De proportionele geldboete te verminderen tot 10%;

 Voor het overige het proces-verbaal van 19 november 2021 te bevestigen;

de herberekening te bevelen van de bedragen opgenomen in het proces-verbaal van 19 november 2021 rekening houdend met de hierboven vermelde elementen;

voor het overige de herberekende btw-invordering d.d. 28.12.2021 met artikelnummer 500.2480.33824 te bevestigen;

de terugbetaling te bevelen van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geinde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest;

- de vordering van eiseres voor het overige ongegrond te verklaren;

te zeggen voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt, in hoofde van eiseres te begroten op de kosten voor het bijdragefonds voor een bedrag van 22,00 EUR en in hoofde van verweerster te begroten op 00,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op maandag 15 september 2025, waar aanwezig waren :

 T.L., rechter, voorzitter van deze kamer,

 T.D., griffier.

Textes cités

1
AR no 41 art. 11 occurrence