Tribunal de première instance, 19 juin 2009 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance 19 juin 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance, 19 juin 2009Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-turnhout-2009-06-19-e220

Juridiction
Tribunal de première instance
Date
19 juin 2009

Parcours procédural

2 étapes · 1 an 5 mois
  1. Décision affichéeTribunal de première instance19.06.2009
  2. Décision sur appelCour d'appel d'Anvers30.11.2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

71 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance du 19.06.2009

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te TURNHOUT., op VRIJDAG NEGENTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN NEGEN

in de Openbare zitting van de TIENDE BlS KAMER, van de RECHTBANK van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Turnhout

K. P., Enig Rechter, Voorzitter

J. T., Griffier.

INZAKE :

DE BVBA B. EN B. D. C., ingeschreven in het handelsregister te Turnhout onder het nummer …, waarvan de vennootschapszetel gevestigd is te …, …;

eiseres,

alhier ter zitting vertegenwoordigd door Mr. Fr. V., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Administratie der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Heer Gewestelijk Directeur der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Hasselt, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Turnhout, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat nr. 22;

verweerster,

alhier ter zitting vertegenwoordigd door Mr. L. R., advocaat te …, …;

Gezien de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder;

De gedinginleidende dagvaarding in verzet tegen het dwangbevel Reg. 127/776 uitgevaardigd op 10/12/1998, betekend op 31/12/1998 ten verzoeke van D. C. B. EN B. BVBA door het ambt van gerechtsdeurwaarder L. H., met standplaats te …, lastens de BELGISCHE STAAT, BTW-Ontvangkantoor Turnhout;

- De beschikking van 19/09/2008 tot toepassing van artikel 747, par. 2 van het Gerechtelijk Wetboek tot bepaling van conclusietermijnen en rechtsbepaling;

- De besluiten voor eisende partij;

- De besluiten voor verwerende partij;

Gehoord partijen bij monde van hun raadslieden in hun middelen en besluiten ter openbare zitting van 22 mei 2009.

Gezien de stukken van partijen.

FEITEN

Op 15 februari 1996 werd BVBA B. EN B. D. C. door de heer A. C., verificateur-accountant verbonden aan het BTW-controlekantoor te Herentals, overgegaan tot nazicht inzake de juiste toepassing van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen reglementering wat betreft de inkomende en uitgaande facturen, factuurboeken, inventarisboeken alsmede van alle comptabiliteitsboeken, registers en bescheiden waarvan de BTW-wetgeving het houden, opmaken. ontvangen, uitreiken, bewaren en voorleggen, voorschrijft en dit voor de periode van 1 januari 1992 tot en met 1994.

Op 18 maart 1997 werd de BTW-controle uitgebreid met de boekhouding over het jaar 1995.

Op 12 mei 1997 heeft de heer C. P.V. van vaststelling opgesteld waarin hij de door hem gedane vaststellingen en tegenover hem afgelegde verklaringen geacteerd heeft.

Bij brief van 28 oktober 1998 werd BVBA B. EN B. D. C. het PV van 12 mei 1997 meegedeeld alsmede het gegeven dat de aangegeven omzet zou worden verhoogd met de gefactureerde goederen.

De aangegeven omzet over de periode van 1 oktober 1993 tot en met 31 december 1995 werd hierbij verhoogd met de bedragen van de uitgaande facturen, met uitzondering van de facturen uitgereikt aan BVBA S.-V.. Aldus werd een meeromzet van 322.278 BEF weerhouden voor het jaar 1993, een meeromzet van 1.085.749 BEF voor 1994 en een meeromzet van 1.559.574 BEF voor 1995. De hierop verschuldigde BTW bedraagt 178.374 BEF of 4.421,78 euro.

Op 9 november 1998 werd BVBA B. EN B. D. C. betalingsbericht toegezonden waarbij betaling gevorderd werd van een bedrag van 178.374 BEF als BTW in hoofdsom, meer boete en intresten.

Op 10 december 1998 werd een dwangbevel uitgevaardigd, reg. 1271776, dat geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd op 14 december 1998 en op 17 december 1998 bij gerechtsdeurwaardersexploot aan BVBA B. EN B. D. C. betekend werd.

Bij dagvaarding van 31 december 1998 werd tegen voormeld dwangbevel verzet aangetekend.

VORDERINGEN

BVBA B. EN B. D. C. vordert dat het dwangbevel reg. 1271776 van 10 december 1998, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14 december 1998, van nul en generlei waarde wordt verklaard alsmede dat de teruggave bevolen wordt van de bedragen die door BVBA B. EN B. D. C. ten onrechte zijn betaald of ingehouden, meer intresten en kosten.

De BELGISCHE STAAT besluit tot de ongegrondheid van de vordering van eiseres met veroordeling van deze laatste tot de procedurekosten.

TEN GRONDE

1. De vordering van eiseres werd regelmatig en tijdig gesteld.

Zij wordt ontvankelijk verklaard.

2. De BELGISCHE STAAT is van oordeel dat over de periode van 1 oktober 1993 tot 31 december 1995 de door BVBA B. EN B. D. C. gefactureerde goederen, behoudens deze gefactureerd aan de firma S.-V. niet opgenomen werden in de BTW-aangiftes.

Eiseres wordt aldus vermoed een meeromzet te hebben gerealiseerd over voormelde jaren van 2.967.601 BEF ten gevolge waarvan een bedrag van 178.374 BEF in hoofdsom ten titel van BTW verschuldigd is.

BVBA B. EN B. D. C. is van oordeel dat de navordering van de BELGISCHE STAAT de resultante is van arbitraire vaststellingen.

De BTVv-navordering is gesteund op een proces-verbaal van 28 oktober 1998 van de heer C. waarin wordt verwezen naar een Proces-Verbaal van vaststelling van 12 mei 1997. Dit laatste PV is aan het PV van 28 oktober 1998 gehecht.

De geldigheid van een bestreden dwangbevel dient te worden beoordeeld aan de hand van het Proces-Verbaal dat er de motivering van vormt ter gelegenheid van de uitvaardiging van het bestreden dwangbevel (Gent 15 mei 1999, F.J. F. nr. 99/146).

Processen-Verbaal hebben bewijskracht wat betreft de vaststellingen die de verbalisant zelf deed. Deducties, opgenomen in een proces-verbaal genieten niet van die bijzondere bewijswaarde (DIERICK, W., De problematiek van het bewijs inzake BTW en inzake inkomstenbelastingen, BTW-Revue, 1990, 436).

In casu heeft de heer C. vastgesteld dat eiseres onder meer beschikte over een dagontvangstenboek en een boek voor uitgaande facturen. Eiseres erkende dat zij niet meer beschikte over de kasrollen van het kasregister vermits deze tot dan niet bewaard werden. De heer C. stelde tevens vast dat de uitgaande facturen aan de firma S.­V. werden betaald via bankoverschrijving.

De rechtbank treedt eiseres bij dat de loutere vaststelling dat de facturen aan één aannemer via bank werden betaald. geenszins het vermoeden rechtvaardigt dat alle facturen aan alle andere afnemers over drie boekjaren in het geheel niet zouden zijn aangegeven.

Niettegenstaande het ruime tijdsverloop dat verweerster zich toegemeten heeft, werd geen enkel onderzoek verricht aangaande de wijze van betaling van de facturen gericht aan de andere afnemers. De identiteit van deze afnemers was evenwel bij verweerster gekend.

Het staat vast dat de uitgaande facturen, waarvan door de BELGISCHE STAAT wordt voorgehouden dat ze niet zouden zijn aangegeven, werden opgenomen in het boek voor uitgaande facturen.

Gelet op de opname van deze afnemers met vermelding van de gefactureerde bedragen acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de gefactureerde bedragen niet reeds effectief in de respectieve BTW-aangiftes verwerkt werden.

De bewijslast van een BTW-navordering berust ten alle tijde bij verweerster.

De rechtbank is echter van oordeel dat deze laatste niet afdoende bewijs levert van de voorgehouden meeromzet.

Gelet hierop dienen de overige middelen van verweer niet nader onderzocht De vordering van eiseres wordt gegrond verklaard.

3. Gelet op de gegrondheid van de vordering van eiseres worden verweerders veroordeeld tot de procedurekosten.

Eiseres vordert de vernietiging van een dwangbevel in de mate dat de betaling van 4.843.20 euro, inclusief boete, als BTW in hoofdsom, meer intresten wordt nagevorderd.

Het basisbedrag inzake RPV bedraagt aldus 650.00 euro.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

en de rechtspleging geschied zijnde in het Nederlands,

conform art.2, 34, 36, 37 en 41 der wet van 15 juni 1935 op het gebruik der landstalen

in gerechtszaken.

DE RECHTBANK, vonnissend op tegenspraak en in eerste aanleg

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond als volgt onder afwijzing van het anders- en of meergevorderde.

Verklaart het dwangbevel reg. 1271776. uitgevaardigd op 10 december 1998 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14 december 1998, van nu! en generlei waarde;

Beveelt de teruggave aan eiseres van de bedragen die door haar ten onrechte zijn betaald en/of ingehouden. meer de verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de datum van betaling en/of inhouding tot op heden en meer de gerechtelijke intresten vanaf heden tot op datum van volledige betaling;

Veroordeelt verweerster tot betaling van de procedurekosten.

Begroot deze kosten als volgt :

- in hoofde van BVBA B. EN B. D. C. 194,60 euro kosten betekening dagvaarding;

- 650,00 euro RPV

- 844.60 euro totaal

- in hoofde van de BELGISCHE STAAT :

- 650,00 euro RPV

J. T. K. P.