Parcours procédural
2 étapes · 1 an 5 mois- Décision attaquéeTribunal de première instance19.06.2009
- Décision affichéeCour d'appel d'Anvers30.11.2010
Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Anvers du 30.11.2010
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, zesde bis kamer, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :
In zake : 2009/AR/2327
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën van wie het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12 en die woonstkeuze doet bij de Administratie van de BTW-ontvangkantoor Turnhout, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2300 Turnhout, Spoorwegstraat 22,
appellant,
tegen het vonnis gewezen door de 10de bis kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Turnhout de dato 19 juni 2009,
vertegenwoordigd door Mr. V. L. d. J. A., advocaat te …, …
tegen :
De BVBA B.- EN B. D. C., ingeschreven in het kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer … met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …,
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Mr. D. B. E. loco Mr V. F., advocaat te …, …
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 19 juni 2009, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 13 augustus 2009, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting
BVBA B.- en B. D. C. is voor zijn activiteit als bakker geregistreerd als BTW-belastingplichtige en als dusdanig onderworpen aan de BTW-wetgeving.
Op 15 februari 1996 vond ter plaatse bij de belastingplichtige een BTW-controle plaats voor wat betreft de periode van 1 januari 1992 tot en met 1994. Op 18 maart 1997 werd de controle uitgebreid tot het jaar 1995. Tijdens die controle werd inzage gevraagd van al de inkomende facturen, het boek voor inkomende facturen, alsmede van alle boekhoudkundige stukken en bescheiden waarvan het BTW-wetboek en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten het houden, opmaken, ontvangen, uitreiken, bewaren en voorleggen voorschrijft en die betrekking hebben op de handels- en beroepswerkzaamheden door de belastingplichtige uitgeoefend tijdens de onderzochte periode. Er werd aan de verantwoordelijken van de vennootschap tevens gevraagd om de kassarollen voor te leggen.
De volgende stukken werden voorgelegd :
- de dagontvangsten op losse bladen;
- het boek voor in- en uitgaande facturen;
- de in- en uitgaande facturen;
- de bankuittreksels van de rekening bij C.;
Op 12 mei 1997 werd een proces-verbaal van vaststelling opgesteld. Er werd eveneens proces-verbaal opgesteld op 28 oktober 1998, waaraan het proces-verbaal van 12 mei 1997 werd gehecht.
De verificateur stelde de volgende inbreuken vast :
- de kassarollen werden niet bewaard;
- het bedrag van de uitgaande facturen werd niet opgenomen in de aangegeven omzet. Volgens de belastingplichtige was deze omzet begrepen in de dagontvangsten, behalve voor wat betreft de facturen aan de BVBA S.-V., die via de bank werden betaald;
- voor de dagontvangsten van de jaren 1992 tot en met 1995 werd slechts één ontvangstcijfer per dag vermeld, zonder verdere specificatie;
- het dagontvangstenboek werd bijgehouden op losse bladen.
Op grond van hetgeen voorafgaat werd door de administratie voorgehouden dat een bedrag van de omzet niet werd vermeld in de BTW-aangiftes. Het betrof de uitgaande facturen, met uitzonderingen van de facturen uitgereikt aan BVBA S.-V.. De meeromzet bedroeg volgens de administratie … BEF (… EUR) voor 1993, … BEF (… EUR) voor 1994 en … BEF (… EUR) voor 1995.
Op basis daarvan was volgens de administratie verschuldigd :
- aan BTW : … BEF (… EUR)
- aan boeten : … BEF (… EUR)
- aan interesten : 0,8 % per maand op … BEF vanaf 21 januari 1996.
Er werd een dwangbevel uitgevaardigd op 10 december 1998, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14 december 1998, en betekend op 17 december 1998. Daarin werd, bovenop het hiervoor gevorderde, tevens gevorderd :
- de moratoire interesten over de nog verschuldigde geldboete vanaf de betekening van het dwangbevel;
- de vervolgingskosten.
1.2. Procedure voor de eerste rechter
De belastingplichtige tekende verzet aan tegen dit dwangbevel met dagvaarding van de Belgische Staat voor de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout.
De belastingplichtige vorderde om het dwangbevel van nul en generlei waarde te verklaren en om de teruggave te bevelen van alle bedragen die door, de belastingplichtige ten onrechte werden betaald of ingehouden, meer interesten en kosten,
De eerste rechter oordeelde in zijn vonnis van 19 juni 2009 dat de loutere vaststelling dat de facturen aan één afnemer via de bank werden betaald, niet het vermoeden rechtvaardigt dat alle facturen aan alle andere afnemers over drie boekjaren in het geheel niet zouden zijn aangegeven. De eerste rechter stelde vast dat geen onderzoek werd verricht naar de wijze van betaling van de facturen, gericht aan de andere afnemers, hoewel deze afnemers wel bij de administratie gekend waren. De facturen in kwestie werden wel opgenomen in het boek voor uitgaande facturen. De eerste rechter achtte het niet aannemelijk dat die gefactureerde bedragen niet reeds in de respectieve BTW-aangiftes waren vermeld. Volgens de eerste rechter leverde de administratie aldus niet het bewijs van de voorgehouden meeromzet.
De vordering van de belastingplichtige werd gegrond verklaard en de Belgische Staat werd veroordeeld tot de kosten van het geding, waaronder een rechtsplegingsvergoeding van … EUR.
1.3. Procedure voor het hof van beroep
Voor het hof van beroep vordert appellante om haar beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren :
"Het vonnis van de 10bis Kamer van de Rechtbank van eerste Aanleg te Turnhout d.d.19 juni 2009 (...) te vernietigen en opnieuw recht doende, doende wat de eerste rechter had moeten doen, de door geïntimeerde gestelde vordering bij dagvaarding d.d.31 december 1998 ongegrond te verklaren en haar ervan af te wijzen.
Geïntimeerde in haar eisen af te wijzen en haar te veroordelen tot de kosten van het geding, zowel in graad van hoger beroep als in graad van eerste aanleg met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in beide aanleggen telkens begroot op … EUR."
De belastingplichtige vordert de bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van … EUR.
2. Bespreking
2.1. Argumenten van partijen
De administratie verwijst ten bewijze van de niet aangegeven meeromzet naar de bevindingen die hun weerslag hebben gevonden in de betrokken processen-verbaal.
De administratie stelt dat haar vordering gesteund is op artikel 51, § 1, 3° W.BTW op basis waarvan degene die BTW aanrekent op een factuur geacht wordt schuldenaar te zijn van de BTW op het tijdstip van het uitreiken van de factuur, zelfs indien men geen goed geleverd heeft. De belastingplichtige levert volgens de administratie niet het bewijs van het feit dat de BTW zou zijn opgenomen in de BTW-aangiftes.
Er is volgens de administratie geen sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. De administratie stelt bovendien dat het legaliteitsbeginsel in deze primeert.
Volgens de belastingplichtige betreft de bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal enkel de feitelijke vaststellingen door de ambtenaar en kunnen de gegevens die in de processen-verbaal werden vermeld niet gelden als vaststaande gegevens waarop een vermoeden kan worden gebouwd. De bestreden navordering is arbitrair.
Uit de vaststelling dat één afnemer via de bank betaalde, kan niet worden afgeleid dat de omzet van alle andere afnemers niet werd aangegeven.
Het feit dat de boekhouding niet bewijskrachtig zou zijn, neemt niet weg dat de administratie het bewijs van een eventuele meeromzet moet leveren. Bovendien werden alle facturen vermeld in het uitgaand facturenboek. De administratie liet na het nodige onderzoek te doen.
Volgens de belastingplichtige werden bovendien de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, doordat de administratie voorheen nooit opmerkingen maakte bij deze werkwijze. De boekhouding werd voorheen wel bewijskrachtig bevonden.
2.2. Beoordeling
Overeenkomstig artikel 59, § 1 W.BTW kan de administratie elke overtreding of misbruik van de bepalingen van het wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, bewijzen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen doch met uitzondering van de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën.
Wanneer de administratie beweert dat de aangifte in de BTW onjuist is, is het aan haar om het bewijs daarvan te leveren. In onderhavig geval dient de administratie hard te maken dat de BTW, vermeld op de uitgaande facturen, met uitzondering van de facturen aan BVBA S.-V., niet werd opgenomen in de aangiftes in de onderzochte periodes.
De administratie houdt in deze voor dat de boekhouding van de belastingplichtige niet bewijskrachtig is. Om bewijskrachtig te zijn moet een boekhouding gestaafd worden door verantwoordingsstukken en moet zij kunnen beschouwd worden als voldoende controleerbaar, oprecht en juist om een nauwkeurige omzetberekening te kunnen maken. In onderhavig geval wordt niet betwist dat de dagontvangsten globaal per dag werden ingeschreven, dat van die dagontvangsten geen kassarollen konden worden voorgelegd en dat het dagontvangstenboek op losse bladen werd gehouden. Het hof oordeelt, samen met de administratie dat een dergelijk systeem onvoldoende controle toelaat en onvoldoende waarborgen van juistheid biedt.
Dit gegeven op zich volstaat evenwel niet om ervan uit te gaan dat geen van de uitgaande facturen, behalve die aan BVBA S.-V., werden verwerkt in de BTW-aangiftes. De verwerping van de boekhouding als niet bewijs krachtig heeft immers geen omkering van de bewijslast tot gevolg.
De vermelding van artikel 51, § 1, 3° W.BTW is hierbij irrelevant. Overeenkomstig deze bepaling is de belasting verschuldigd door eenieder die op een factuur of een als zodanig geldend stuk de BTW vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk. De belastingplichtige ontkent immers niet dat hij schuldenaar is geworden van de belasting, vermeld op de facturen, doch de vennootschap stelt dat hij de BTW in zijn periodieke aangiftes heeft opgenomen op basis van de dagontvangsten, en derhalve de verschuldigde belasting heeft voldaan. Artikel 51, § 1, 3° W.BTW laat niet toe dat de belasting twee maal wordt geheven.
Opdat een bewijs door vermoedens wordt geleverd is vereist dat de administratie, vertrekkende van bekende en vaststaande feiten, door een normale en logische redenering, tot een bepaald besluit komt met betrekking tot de fiscale toestand van de belastingplichtige.
Hoewel het feit dat het dagontvangstenboek niet volgens de wettelijke voorschriften werd bijgehouden een vaststaand feit is, evenals het feit dat de kassarollen niet werden bijgehouden, kan op basis van deze gegevens niet worden afgeleid dat deze omzet niet werd aangegeven. Het is immers mogelijk dat de bestellingen, die werden verwerkt voor de klanten, waarvoor een factuur werd opgemaakt, cash werden betaald en periodiek globaal werden gefactureerd. Het kan dan ook niet worden uitgesloten dat deze ontvangsten zoals de belastingplichtige beweert, reeds opgenomen zijn in de dagontvangsten en als zo aangegeven. De administratie, op wie de bewijslast rust, toont niet dat deze bestellingen door middel van overschrijving werden betaal dus buiten de dagontvangsten werden gehouden.
Bovendien dient te worden vastgesteld dat de belastingplichtige facturen opmaakte en bijhield en ze opnam in een facturenboek en de betrokken klanten een jaarlijkse listing maakte. Het zou vreemd dat de belastingplichtige de BTW op basis van de aldus gekende stukken helemaal niet zou hebben aangegeven. De belastingplichtige maakt haar stelling bijkomend hard door een vergelijking te maken tussen de omzet van de opeenvolgende jaren en aan te tonen dat aangegeven omzet van de betwiste jaren 1992 tot en met 1995 drastisch verschilt van de aangegeven omzet van de periodes ervoor of erna. Vooral de vergelijking van het jaar 1995 en 1996 is hierbij relevant vermits de belastingplichtige verklaard had dat het systeem van aanslagjaar 1996 werd gewijzigd in die zin dat de aangegeven om vanaf dan werd bepaald op basis van het bedrag van de uitgaande facturen en de dagontvangsten.
De administratie, op wie de bewijslast rust, toont aldus niet aan dat BTW-aangiftes onjuist zouden zijn.
Dispositif
OM DEZE REDENEN
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis,
Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding, aan de zijde van BVBA B.- en B. D. C. begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van DERTIG NOVEMBER TWEE DUIZEND EN TIEN
waar aanwezig waren :
M. G. Alleenzetelend Raadsheer
F. H. Griffier.
F. H. M. G.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.