Tribunal de première instance de Bruxelles, 18 octobre 2002 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 18 octobre 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Bruxelles, 18 octobre 2002Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-bruxelles-2002-10-18-01f7

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
18 octobre 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

107 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 18.10.2002

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste KAMER

AR : 2001/12473/A

- BTW

- eindvonnis op tegenspraak

IN DE ZAAK :

…, zelfstandige, wonende te …, …, HR …

eiser,

vertegenwoordigd door mr. W. H. loco mr. B. A., advocaat te …, …;

tegen :

de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen voorheen, nu de Administratie van de Ondernemings-en Inkomensfiscaliteit, op vervolging en benaarstiging van de met de invordering belaste ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Halle, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32;

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. F. S.; advocaat te …, …;

In deze zaak, in beraad genomen op 20 september 2002, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

- het exploot van dagvaarding van H. C., gerechtsdeurwaarder te …, betekend op 4 oktober 2001, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

- de besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 22 januari 2002;

- de besluiten van eiser, neergelegd ter griffie op 6 juni 2002.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 20 september 2002, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

II. FEITEN EN RETROACTEN

…, huidig eiser, oefende destijds een activiteit uit als zelfstandig schrijnwerker.

Dit was een eerste keer het geval in de periode 1982-1987. Hij was toen bedrijvig onder het BTW-nummer BE ….

Op 22 mei 1987 werd lastens een eerste dwangbevel uitgevaardigd, blijkens hetwelk hij als BTW de som van 21.863,84 euro (881.985 BEF), als geldboete wegens het niet tijdig betalen van de BTW de som van 43.727,67 euro (1.763.970 BEF) en als geldboete wegens het niet tijdig indienen van de aangifte de som van 49,58 euro (2.000 BEF) verschuldigd was, onverminderd de interesten. Dit eerste dwangbevel werd op 15 juni 1987 bij gerechtsdeurwaardersexploot aan … betekend.

Op 12 oktober 1990 werd lastens … een tweede dwangbevel uitgevaardigd, blijkens hetwelk hij als BTW de som van 2.208,01 euro (89.071 BEF), dis geldboete wegens het niet tijdig betalen van de BTW de som van 330,94 euro (13.350 BEF) en als geldboete wegens het niet tijdig indienen van de aangifte de som van 61,97 euro (2.500 BEF) verschuldigd was, onverminderd, de interesten. Dit tweede dwangbevel werd op 24 oktober 1990 bij ter post aangetekende brief aan … ter kennis gebracht.

De voormelde verschuldigde bedragen spruiten voort uit twee bijzondere rekeningen opgemaakt lastens de heer A. ingevolge art. 8, § 1 van het KB nr. 24 van 23 oktober 1970. Deze rekeningen betreffen respectievelijk het RCIV-nummer … en het RCIV-nummer ….

…, zette zijn activiteit van schrijn- en timmerwerk stop en op 16 november 1987 werd zijn handelsregisternummer geschrapt.

Op 1 september 1986 richtte …, een BVBA op onder de naam 'G. …’, waarbij hij als zaakvoerder werd aangeduid.

Vanaf 1 november 1998 begon … een nieuwe zelfstandige activiteit, bestaande uit timmer- en schrijnwerk voor gebouwen. Hij werd daarvoor geregistreerd onder een nieuw handelsregisternummer en onder een nieuw BTW-nummer (BE …).

Op 5 oktober 1999 werd … bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel failliet verklaard.

Op 18 oktober 1999 diende het BTW-ontvangkantoor te Halle in voornoemd faillissement een verklaring van schuldvordering in. Deze schuldvordering bevatte alle uit het W.BTW voortspruitende schulden van de gefailleerde, d.w.z. zowel zijn belastingschulden onder het BTW-nummer …, als onder het BTW­nummer ….

Op 20 oktober 1999 vertoonde de BTW-rekening-courant van … een saldo van 488,47 euro (19.705 BEF) in voordeel van de BTW-administratie. Deze schuld werd geregistreerd onder het RCIV­nummer ….

Op 22 februari 2002 werd het faillissement van … bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel afgesloten en werd … verschoonbaar verklaard.

Sedert 1 mei 2000 is de heer A. opnieuw geregistreerd onder zijn oude BTW-nummer BE … voor de activiteit van schrijnwerk.

…, wenste opnieuw een activiteit als zelfstandig schrijnwerker aan te vallen, maar ontving op 8 september 2000 een aangetekend schrijven van het Ministerie van Financiën, provinciale registratiecommissie, waarin zijn aanvraag tot registratie als aannemer werd geweigerd. Deze beslissing werd gemotiveerd op de overwegingen dat hij schuldenaar was van in te vorderen belastingen op het ontvangkantoor der directe belastingen te Ternat en op het BTW-ontvangkantoor te Halle, en dat hij failliet werd verklaard.

Op 27 september 2000 stelde de raadsman van … beroep in tegen deze beslissing.

Op 20 november 2000 meldde de registratiecommissie Vlaams-Brabant dat het verzoek van … tot registratie als aannemer op 10 november 2000 werd ingewilligd.

Inmiddels had … tevens een schrijven ontvangen van het BTW-ontvangkantoor Ternat, waarin vermeld stond dat op 31 oktober 2000 zijn BTW­rekening-courant voor het nummer BE … een saldo in zijn voordeel vertoonde van 3.874,90 euro (156.313 BEF). Het ging om een tegoed dat werd toegekend naar aanleiding van zijn nieuwe activiteiten. In hetzelfde schrijven stelde het BTW-ontvangkantoor Ternat niet te kunnen overgaan tot storting van dit saldo op de rekening van …, en werd gemeld dat het saldo zou worden over gemaakt aan het BTW­ontvangkantoor Halle. Dit laatste had immers op 18 oktober 1999 een aangifte van schuldvordering ingediend in het faillissement van …

Meer bepaald werd verwezen naar de volgende belastingschulden :

- voor het BTW-nummer BE ... :

- het RCIV-nummer … :

- BTW : 484,51 euro (19.545 BEF)

- int. : 34,11 euro (1.376 BEF)

- voor het BTW-nummer BE … :

- het RCIV-nummer … :

- BTW : 3.099,19 euro (125.021 BEF)

- int. : 3.941,51 euro (159.000 BEF)

- kosten·: 1.248,66 euro (50.371 BEF)

- het RCIV-nummer … :

- BTW : 2.208,01 euro (89.071 BEF)

- boete : 392,91 euro (15.850 BEF)

- Int. : 2.700,45 euro (108.936 BEF)

- mor. int. : 27,49 euro (1.109 BEF)

Op 19 februari 2001 stelde de raadsman van … bij aangetekend schrijven een verhaal in tegen de beslissing tot weigering van de teruggave, en werd aldus de herziening van deze beslissing gevraagd.

Op 6 en op 18 juni 2001 april 2001 stuurde de raadsman van … rappelbrieven.

Op 11 juni 2001 beoordeelde de BTW-directie Mechelen deze vraag negatief en bevestigde zij niet te zullen overgaan tot teruggave van het positief saldo in het voordeel van ….

Het BTW-ontvangkantoor Halle legde vervolgens bewarend beslag onder derden bij het BTW­ontvangkantoor Ternat ten belope van het saldo in rekening-courant in het voordeel van ….

Op 4 oktober 2001 ging … over tot dagvaarding.

III. IN RECHTE

A. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Eiser vraagt verweerder te horen veroordelen om aan hem de som te betalen van 3.874,90 euro (156.313 BEF), te vermeerderen met de gerechtelijke interesten. Verder vraagt hij het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borg en niettegenstaande elk aanbod tot consignatie met bijzondere besteding.

Verweerder vraagt de vordering van eiser ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en hem in zijn eis af te wijzen.

B. BEOORDELING

1) Wat de vordering van eiser betreft

1.1. Eiser wijst erop dat, aangezien hij verschoonbaar werd verklaard, hij overeenkomstig art. 82 Faill. W. niet meer kan worden vervolgd door zijn schuldeisers. Door het sluitingsvonnis van 22 februari 2000 werden aldus alle schulden van voor deze datum kwijtgescholden. Deze immuniteit geldt naar zijn oordeel voor alle schulden van voor 22 februari 2000, dus ook voor fiscale schulden. Enkel de toekomstige schulden, ontstaan na het vonnis waarbij de gefailleerde verschoonbaar is verklaard, dienen te worden voldaan.

Derhalve meent eiser dat verweerder ten onrechte weigert om het saldo in de BTW-rekening-courant in zijn voordeel op zijn rekening te storten.

Eiser meent verder dat verweerder ten onrechte voorhoudt dat, niettegenstaande de verschoonbaarheid, er alsnog wettelijke compensatie dient plaats te vinden tussen de (oude) BTW-schuld en de BTW-tegoeden voortkomende uit zijn nieuwe activiteit.

Eiser is van oordeel dat niet aan alle in art. 1291 B.W. bepaalde voorwaarden voor de wettelijke compensatie is voldaan. Zo is de voorwaarde dat beide schulden opeisbaar zijn niet vervuld, nu zijn openstaande schuld aan de BTW-administratie Halle niet meer opeisbaar is, gezien de uitgesproken verschoonbaarheid, Daardoor zijn de in het faillissement ingediende schuldvorderingen natuurlijke verbintenissen geworden, en deze zijn niet opeisbaar.

Eiser stelt dat een natuurlijke verbintenis slechts zou kunnen worden omgezet in een juridische verbintenis als de schuldenaar ze vrijwillig geheel of gedeeltelijk uitvoert of belooft na te komen, en wijst erop dat het eenzijdig inhouden van een BTW-tegoed door de BTW­administratie niet kan worden gelijkgesteld met een vrijwillige betaling.

Ook met de zienswijze van verweerder dat de rechtsfiguur van de schuldvergelijking niet kan worden beschouwd als een maatregel van individuele vervolging, zodat deze nog kan worden toegepast niettegenstaande de verschoonbaarheid, gaat eiser niet akkoord. Niet alleen toont verweerder, naar zijn oordeel, niet aan de schuldvergelijking geen maatregel van individuele vervolging uitmaakt, maar bovendien kan er naar zijn oordeel in casu geen sprake zijn van een geldige schuldvergelijking.

Ten slotte verwijst verweerder naar de eigenheid van het BTW-regime, die naar zijn oordeel met zich meebrengt dat de BTW-schulden uit het verleden niet mogen worden uitgesloten en dat aldus geen rekening dient te worden gehouden met de verschoonbaarheid van eiser.

Meer bepaald verwijst verweerder naar de artikelen 8, 1, § 3 en 8, 2 van het KB nr. 4 van 29 december 1969, op grond waarvan terugbetalingen ten gunste van de gewezen gefailleerde van na de sluiting van het faillissement steeds kunnen worden aangerekend op belastingschulden die zijn ontstaan voor de faillietverklaring, ongeacht het bedrag van de terugbetaling.

In dat verband merkt eiser op dat de toepassing van de schuldvergelijking in het publiek recht onderworpen blijft aan de grondregelen zoals gesteld in het B.W. Ook in die context is bijgevolg vereist dat de schuldvorderingen opeisbaar zijn. Verder merkt eiser op dat het toekennen van een 'bijzondere eigenheid' aan het BTW-regime een inbreuk uitmaakt op de regel van de gelijkheid van de schuldeisers bij het openvallen·van het faillissement en bovendien haaks staat op de ratio legis van de verschoonbaarheid, nl. het toekennen van een nieuwe start aan de gefailleerde.

1.2. De rechtbank stelt vast dat eiser verwijst naar art. 82 Faill. W., dat letterlijk het volgende bepaalt :

"Wanneer de gefailleerde verschoonbaar is verklaard kan hij niet meer vervolgd worden door zijn schuldeisers".

In dit verband rijst de vraag op welke schulden deze bepaling betrekking heeft.

Ter zake kan niet akkoord worden gegaan met de stelling dat het gaat om alle schulden die zijn ontstaan voor of tijdens het faillissement, d.w.z. voor de verschoonbaarheid (in die zin, zie : Rb. Kh. Nijvel, 30 oktober 2000, T.B.H.;2001,·130).

De rechtbank is van oordeel dat enkel de schulden in de massa ('dettes dans la masse) warden beoogd (in dezelfde zin, zie : DAL, G. -A, "L'excusabilité ( 1998-2001)", J.T., 2002, 59; WINDEY, J., "L'excusabilité du failli", T.B.H., 1999, 174).

In dat verband stelt de rechtbank vast dat het BTW­ontvangkantoor te Halle op 18 oktober 1999 in het faillissement van eiser een verklaring van schuldvordering heeft ingediend, die alle uit het W.BTW voortspruitende schulden van de gefailleerde bevatte, d.w.z. zowel zijn belastingschulden onder het BTW-nummer …, als onder het BTW­nummer ….

Dit betekent dat verweerder zelf aanneemt dat al deze schulden dienen te worden beschouwd als schulden in de massa waarvoor, zoals gezegd, de verschoonbaarheid geldt.

Met reden doet eiser opmerken dat de regel volgens dewelke de schuldeisers geen betaling meer kunnen afdwingen van hun schulden voor alle schulden geldt, dus ook voor fiscale schulden, en dat het blijven beslaan van deze schulden enkel voor gevolg heeft dat, indien de ex-gefailleerde deze vrijwillig betaalt, hij deze niet kan terugvorderen op basis van de onverschuldigde betaling op grond van art. 1376 B.W., nu er een natuurlijke verbintenis in de plaats is gekomen.

De rechtbank gaat met eiser akkoord dal de betaling die via een fiscale schuldvergelijking is gebeurd, geenszins als een vrijwillige betaling door eiser kan worden beschouwd, maar dat het hier gaat om een gedwongen betaling.

Bovendien is deze fiscale schuldvergelijking strijdig met de ratio leg is van art. 82. Faill. W., die erin bestaat aan de verschoonbaar verklaarde gefailleerde een 'fresh start' toe te kennen (zie : VEROUGSTRAETE, I., Manuel de la faillite et du concordat, Diegem, Kluwer Editions Juridiques Belgique, 1998, nr. 974, p. 537).

Nu de Faill. W. geen enkele uitzondering bepaalt voor geen enkele schuldeiser, ook niet voor de fiscus (zie : DE WILDE, A., ""Fresh start" en geldboeten", R.W., 2000-2001, nr. 5, p. 70; DIRIX, E., "Posities van schuldeisers en hun zekerheidsrechten", in BRAECKMANS, H., DIRIX, E. en WYMEERSCH, E. (eds.), Faillissement en Gerechtelijk Akkoord : het nieuwe recht, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen België, 1998, nr. 87, p. 418; VEROUGSTRAETE, I., op. cit., nr. 979, p. 539), kan de fiscale schuldvergelijking daaraan geen afbreuk doen, zoniet zou de door de wetgever gewilde gelijkheid van de schuldeisers worden doorbroken.

2) Wat de gevraagde uitvoerbaarheid bij voorraad van het tussen te komen vonnis betreft, niettegenstaande alle verhaal en zonder borg en niettegenstaande elk aanbod tot consignatie met bijzondere besteding

Aangezien onderhavige zaak reeds geruime tijd aansleept, meent de rechtbank dat het verantwoord is om in te gaan op het verzoek van eiser om het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borg.

Wat de gevraagde uitsluiting van kantonnement betreft, dient te worden aangenomen dat het door de schuldeiser gevorderde verbod tot kantonnement door hem voldoende moet worden gemotiveerd, door aan te tonen dat hij dringend de beschikking over de gelden nodig heeft. Enkel indien de vertraging in de regeling hem blootstelt aan een ernstig nadeel, kan het kantonnement worden verboden (zie : Brussel, 25 april 1997, P. & B., 1997, 224; Brussel, 8 juli 1998, J.T., 1998, 796; DIRIX, E. en BROECKX, K., Beslag, in A.P.R., Brussel, E. Story-Scientia, 1992, nr. 360, p. 196).

De rechtbank dient vast te stellen dat eiser vordering ter zake geenszins motiveert.

Aangezien het kantonnement een recht is voor de debiteur, onder voorbehoud van toepassing van art. 1406 Ger. W. (zie : Brussel, 25 april 1997, voormeld), dient het door eiser gevraagde kantonnementsverbod te worden afgewezen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd,

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond,

Veroordeelt de Belgische Staat om aan … de som te betalen van 3.874,90 euro (156.313 BEF), te vermeerderen met de gerechtelijke interesten,

Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding, begroot ten aanzien van … op 427,22 euro (92,56 euro dagvaarding + 334,66 RPV), en ten aanzien van hemzelf op 334,66 euro (RPV),

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borg.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van 18 oktober 2002,

waar aanwezig waren en zitting namen :

de heer V., alleenrechtsprekend rechter,

mevrouw C., afgevaardigd adjunct-griffier.

C. V.

Textes cités

2
AR no 4 art. 11 occurrence
AR no 4 art. 81 occurrence