Tribunal de première instance de Bruges, 26 février 2008 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 26 février 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Bruges, 26 février 2008Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-bruges-2008-02-26-93fe

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
26 février 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

59 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 26.02.2008

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 06/1254/A Rep.nr.2008/3082

de NV S., (Ondernemingsnr. …), met zetel te …, …,

eiseres,

voor wie optreedt Meester F. S., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De FOD FINANCIËN, in de persoon van Rekenplichtige van het 1e BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, met burelen te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

verweerder,

voor wie optreedt Meester Francis Werbrouck, advocaat met kantoor te 8800 Roeselare, Schierveldestraat 33,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie de dato 19 april 2006.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 29 januari 2008.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, voor de geregelde activiteit van groot- en kleinhandel in schoeisel. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Door Mevrouw V. P., fiscaal deskundige bij het FOD-Financiën, werd een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2002 tot 30 november 2003.

Door Mevrouw V. P. voornoemd werd op 29 november 2005 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.

Op 2 december 2005 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ontvanger van de BTW, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 9 december 2005 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door A. B., directeur bij een fiscaal bestuur, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge.

Bij verzoekschrift van 19 april 2006 werd verzet aangetekend tegen voormeld dwangbevel.

2.2. Eiseres vraagt dat het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd. In subsidiaire orde vraagt zij dat de opgelegde boeten worden verminderd of kwijtgescholden. Verder vraagt zij dat de terugbetaling wordt bevolen van alle sommen die op grond van het dwangbevel zouden zijn geïnd, meer de moratoire rente. Tenslotte vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van … EUR.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, zijnde … EUR.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kan leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. Eiseres is eigenaar van een aantal onroerende goederen. De meerderheid van deze goederen wordt verhuurd. Eén onderdeel van die onroerende goederen, nl. de bovenverdieping van het pand gelegen aan de … te … wordt door eiseres gratis ter beschikking gesteld van haar gedelegeerd bestuurder, mevrouw T. V..

Tijdens de jaren 2002 en 2003 werden werken uitgevoerd aan de diverse onroerende goederen van eiseres. Op die facturen werd telkenmale BTW aangerekend. Eiseres heeft in haar BTW-aangifte alle betaalde BTW opgenomen als aftrekbare BTW.

Huidig geschil gaat over de vraag of verweerder het recht op aftrek van de facturen die betrekking hebben op de aan haar gedelegeerd bestuurder gratis ter beschikking gestelde bovenverdieping van het gebouw aan de … te … terecht heeft geweigerd.

3.2.2. De gratis ter beschikkingstelling aan de gedelegeerd bestuurder is zonder twijfel een dienst zoals bedoeld in artikel 19, § 1 W.BTW. Hierover is er geen discussie.

Partijen zijn het echter niet eens omtrent het feit of deze principieel belastbare handeling onder de vrijstelling valt van artikel 44, § 3, 2° W.BTW of het daarmee equivalente artikel13, B, sub b van de Zesde BTW-richtlijn.

3.2.3. Artikel 44, § 3, 2° W.BTW bepaalt dat van de BTW is vrijgesteld: de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen, alsook het gebruik van dergelijke onroerende goederen onder de voorwaarde van artikel 19, § 1 W.BTW.

In de Zesde richtlijn wordt echter gesteld dat Lidstaten enkel vrijstelling kunnen verlenen voor verpachting en verhuur van onroerende goederen. Van een vrijstelling voor gebruik van .dergelijke onroerende goederen onder de voorwaarde van artikel 19, § 1 W.BTW is er geen sprake.

De vrijstellingsbepaling zoals opgenomen in artikel 44, § 3, 2° W.BTW dient dan ook wegens schending van de Europese regelgeving voor niet gelezen te worden in de mate dat er tevens in een vrijstelling wordt voorzien voor "het gebruik van dergelijke onroerende goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1 W.BTW (arrest Seeling, H.V.J. 8 mei 2003, T.F.R. 2003, afl. 251, p. 1032 e.v.).

3.2.4. Volgens het Hof van Justitie moet de vrijstelling van BTW voor onroerende verhuur beperkend worden geïnterpreteerd en kan zij enkel worden toegepast bij onroerende verhuur sensu stricto. Het gratis ter beschikking stellen van een onroerend goed vertoont niet de kenmerken van een onroerende verhuur sensu stricto aangezien er geen prijs wordt betaald, de duur van het genot niet is vastgelegd en niet contractueel is bepaald dat derden worden uitgesloten van het genot.

Deze stelling van het Europees Hof inzake de beperkende interpretatie van het begrip onroerende verhuur geldt niet alleen wanneer er sprake is van een ter beschikkingstelling door een natuurlijk persoon, maar ook wanneer de ter beschikkingstelling gebeurt door een rechtspersoon.

3.2.5. In tegenstelling met wat verweerder voorhoudt valt deze principieel belastbare BTW-handeling dus niet onder de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2° W.BTW of het daarmee equivalente artikel 13, B, sub b van de Zesde BTW-richtlijn.

Bij gebreke aan enige rechtsgeldige vrijstelling of aftrekbeperking kan dan ook niet anders dan worden besloten dat het recht op aftrek van de voorbelasting met betrekking tot de bovenverdieping van het gebouw gelegen aan de … te … niet wordt beperkt en aldus volledig moet worden toegestaan.

Alle verdere argumentatie is vanaf dan niet langer dienend.

3.3. nopens de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen. Aangezien de zaak niet zeer complex is, worden zij in hoofde van eiseres begroot op het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding en aldus gebracht op … EUR.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.

Zegt voor recht dat dein het bestreden dwangbevel gevorderde BTW en boete ongegrond is in de mate ze betrekking heeft op de weigering van het recht op aftrek van de facturen die betrekking hebben op de aan de gedelegeerd bestuurder van eiseres gratis ter beschikking gestelde eerste verdieping van het gebouw aan de … te ….

Veroordeelt dienvolgens verweerder tot terugbetaling van het bedrag dat door hem reeds zou geïnd zijn ten nadele van eiseres boven het gedeelte dat gegrond werd bevonden, vermeerderd met de moratoire interest overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW en dit te rekenen vanaf de inning ervan tot op datum van volledige terugbetaling.

Veroordeelt verweerder tot het betalen van de gerechtskosten, in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en begroot deze aan de zijde van eiseres op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag zesentwintig februari tweeduizend en acht.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. N. H.

Textes cités

1

Décisions similaires

8