Tribunal de première instance de Bruges, 9 février 2004 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 9 février 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Bruges, 9 février 2004Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-bruges-2004-02-09-8d04

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
9 février 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

62 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 09.02.2004

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 02/96/A Rep. nr. 2004/1799

de heer R. V. D. V., leraar Frans en geschiedenis. wonende te …, …,

eiser,

voor wie is opgetreden Meester H. C. loco Meester P. A., beiden advocaat te …

tegen :

De FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Administratie van BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te 8800 ROESELARE, woonst kiezende bij zijn ambtsgenoot te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerder,

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat te …

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de gedinginleidende dagvaarding van 28 december 2001 met verzet tegen het dwangbevel van 5 november 2001.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 12 januari 2004.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiser is niet-belastingplichtige particulier.

Op 12 april 2001 werd lastens eiser proces-verbaal opgemaakt omdat bij nazicht van zijn bouwdossier werd vastgesteld dat hij ten onrechte het verlaagd tarief van 12 % had toegepast op de verrichte bouwwerkzaamheden.

Aangezien eiser de verschuldigde bedragen niet betaalde, werd op 5 november 2001 een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 6 november 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door L. V., e.a. inspecteur van de technische cel te Torhout, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge.

Op 13 november 2001 werd het dwangbevel aan eiser betekend door middel van een deurwaardersexploot.

2.2. Eiser vraagt dat de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd, minstens dat hij met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, wordt toegelaten het bewijs te leveren van de besprekingen die werden gevoerd tussen hemzelf, de architecten de BTW-administratie waarbij het dossier in functie van het BTW-tarief werd herwerkt en waarbij het herwerkte dossier werd ingediend en mondeling werd goedgekeurd door de heer L. op 14 februari 1997. Tevens vordert hij dat verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de door hem betaalde sommen meer de gedingkosten, in zijn hoofde begroot op de dagvaardingskosten ten bedrage van 83,66 EUR en de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 334,66 EUR.

2.3. Verweerder vordert dat het verzet en de vraag tot teruggave ontvankelijk, en ongegrond worden verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding; in zijn hoofde begroot op 334,66 EUR rechtsplegingsvergoeding.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. de beginselen van behoorlijk bestuur

3.2.1.1. Eiser stelt ten onrechte dat verweerder op 14 februari 1997 een gunstig attest heeft afgeleverd waarbij gesteld werd dat de geplande woning voldeed om van het verlaagd tarief van 12 % te kunnen genieten. Het zogenaamde gunstig attest van 14 februari 1997 is immers niets anders dan de verklaring nr. 121 voorgeschreven door artikel 1quater, § 1, A), 3), b) van het KB nr. 20 van 20 juli 1970, waarin de bouwheer zelf attesteert dat het gebouw dat hij laat oprichten de 190 m2 niet overschrijdt en bestemd is om, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, te worden gebruikt als vaste privé-woning.

Voormeld attest is m.a.w. een éénzijdige verklaring van de bouwheer waarin verweerder noch een uitspraak doet noch zijn goedkeuring geeft betreffende de toepassing van het verlaagd tarief.

Verder is het duidelijk dat de datum en de handtekening die op het document werden aangebracht door de hoofdcontroleur enkel een ontvangstmelding en zeker geen goedkeuring betreft aangezien onderaan het attest in voetnoot (1) het volgende vermeld staat : "deze ontvangstmelding geldt niet als erkenning door de administratie dat de grondvoorwaarden voor de toepassing van de gunstregeling vervuld zijn".

De bewering dat de hoofdcontroleur L. of een andere ambtenaar hem zouden verzekerd hebben dat de geplande bouwwerkzaamheden voldeden aan de voorwaarden om te kunnen genieten van het verlaagd tarief van 12 % wordt verder met geen enkel stuk aangetoond.

In het licht van die overwegingen en gelet op de voorliggende stukken, is de rechtbank voldoende ingelicht en is er geen reden om in te gaan op het aanbod van eiser om een getuigenverhoor te houden.

3.2.1.2. Verder stelt eiser dat verweerder bij hem het vertrouwen en de zekerheid heeft gewekt dat de op 14 februari 1997 ingediende bouwplannen en berekeningen van de oppervlaktes werden aanvaard om te kunnen genieten van het verlaagde BTW-tarief aangezien verweerder méér dan 4 jaren het stilzwijgen heeft bewaard en pas op 12 april 2001 een proces-verbaal heeft opgemaakt.

Verweerder stelt dienaangaande terecht dat hij pas een doeltreffende controle op de juiste heffing van de BTW kan verrichten na de uitvoering van de werken aangezien hij pas dan over een volledig bouwdossier beschikt (plans, bestekken, prijsoffertes en facturen). aangezien hij pas dan kan vaststellen of de werken werden uitgevoerd overeenkomstig de plannen en aangezien pas dan de belasting opeisbaar wordt.

Aangezien eiser de kwestieuze woning heeft gebouwd in de periode van 1997 tot 2000 (zie conclusie eiser d.d. 7.05.2003 en 30.09.2003), is het stilzwijgen gedurende méér dan 4 jaren (pas controle in 2001) niet van dien aard dat ze bij eiser het rechtmatig vertrouwen heeft gewekt dat de op 14 februari 1997 ingediende bouwplannen en berekeningen van de oppervlaktes werden aanvaard om te kunnen genieten van het verlaagd BTW-tarief.

3.2.1.3. De beginselen van behoorlijk bestuur werden niet geschonden

3.2.2. de oppervlakte

3.2.2.1. Het verlaagd tarief voor de werken in onroerende staat, is onder strikte voorwaarden toepasselijk overeenkomstig artikel 1quater van het KB nr. 20 van 20 juli 1970. Onder § 1, A°, eerste streepje wordt gesteld dat de maximale oppervlakte voor huizen 190 vierkante meter niet mag overschrijden en dit "berekend volgens criteria vastgesteld door de Minister Van Financiën". In het MB van 22 december 1995 wordt verduidelijkt welke de criteria in kwestie zijn. In wezen gaat het om de buitenafmetingen van de bouwwerken die in aanmerking worden genomen. Bovendien wordt verduidelijkt wat niet in aanmerking wordt genomen : naast de kelderverdieping, kruipruimten, de laagste gedeelten van dakkamers (minder dan 1 meter vanaf onderkant draagvloer tot dak timmerwerk), de lage gedeelten van de zolder (minder dan 2 meter vanaf onderkant draagvloer tot dak timmerwerk van het dak), de platte daken, terrassen en balkons, moeten "de ingebouwde garages en de losse of aangebouwde garage, bergplaats of kleine werkplaats" niet worden meegerekend.

Het woord 'en' in deze laatste zinsnede maakt duidelijk een onderscheid tussen enerzijds de ruimten die niet worden meegeteld als 'ingebouwd' en anderzijds de andere ruimten die slechts buiten de berekening vallen als ze 'los of aangebouwd zijn'. De komma tussen 'garage' en 'bergplaats' geeft weer dat de woorden 'garage', 'bergplaats' en 'kleine werkplaats' deel uitmaken van een opsomming. Waar voor garages uitdrukkelijk vermeld is dat ze zowel in ingebouwde als in losse en in aangebouwde vorm buiten de oppervlakteberekening vallen, geldt voor de bergplaatsen en kleine werkplaatsen dat ze in de berekening alleen dan niet meegeteld worden wanneer ze los of aangebouwd zijn (zie Rb. Brugge, 14.10.2003, AR nr. 02/0360/A, niet gepubliceerd).

3.2.2.2. In tegenstelling met wat eiser voorhoudt betreft de ruimte onder het dak op de eerste verdieping geen losse of aangebouwde berging of kleine werkplaats. Uit de voorliggende stukken blijkt immers dat de werkplaats/berging een geïntegreerd deel uitmaakt van de woning. Voormelde ruimte bevindt zich binnen de dragende buitenmuren van de woning, waarop het dak steunt. De toegang tussen de werkplaats/berging en het overige deel van de woning gebeurt langs deuropeningen in de muren die zich onder het woningdak zelf bevinden. De betrokken werkplaats/berging is dus 'ingebouwd'.

Verweerder heeft dan ook terecht de oppervlakte van de berging/werkplaats meegerekend in de totale in aanmerking te nemen oppervlakte.

3.2.2.3. Verder blijkt uit de voorliggende stukken dat de hoogte van de zolder, te rekenen vanaf de onderkant van de draagvloer tot de schuine helling van het dak timmerwerk (en niet tot de horizontale dakspanten), over een breedte van ongeveer 1,95 meter, de 2 meter overschrijdt zodat de oppervlakte van de zolder eveneens dient meegerekend te worden voor 24,55 m2. Dat de zolder niet als nuttige woonruimte kan worden benut is hierbij van geen belang.

3.2.2.4. Wanneer men voormelde ruimtes opneemt in de totale oppervlakteberekening is het maximum van 190 m2 ruim overschreden, zelfs indien de volledige oppervlakte van de garage niet wordt meegerekend.

Alle verdere argumentatie met betrekking tot het feit of verweerder al dan niet terecht een stuk van de garage als leefruimte heeft meegeteld (ongeveer 5 m2), is dan ook niet langer dienend.

3.2.2.5. Op basis. van de voorliggende stukken bedraagt de totale in aanmerking te nemen oppervlakte meér dan 190 m2. Eiser had derhalve geen recht op het verlaagd tarief. Verweerder moet worden bijgetreden in zijn standpunt dat de vordering van eiser ongegrond is.

3.3. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 342,09 EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op negen februari tweeduizend en vier.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter,

L. N., e.a. adjunct-griffier.

N. L. N. H.

Textes cités

1

Décisions similaires

8