Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 03.10.2007
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op drie oktober tweeduizend en zeven in openbare zitting van de 2F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
L. B., rechter, voorzitter van de kamer,
P. W., rechter,
M. G., rechter,
N. D., griffier.
In zake: AR Nr. 98/5562/A
NV P., ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met ondernemingsnummer …, voorheen met maatschappelijke zetel gevestigd te …, … thans gevestigd te …, ….
eisende partij,
verschijnende bij meester L. G., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT,
1. vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Antwerpen I, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen (eerste district), Italiëlei 4 bus 4.
2. vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer Hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor Kontich, met kantoor gevestigd te 2550 Kontich, Mechelsesteenweg 83.
3. vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, hebbende zijn kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12.
verwerende partij,
verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder D. V. M. in vervanging van gerechtsdeurwaarder M. B. te … o9 21 september 1998 voor wat betreft verwerende partij sub·1 en 2 en betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder L. A. te … op 21 september 1998 voor wat betreft verwerende partij sub 3,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 28 januari 2002,
- het tussenvonnis van de 2F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 9 april 2003,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 28 juni 2006,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 5 september 2007.
In het tussenvonnis van 9 april 2003 werd de zaak niet in staat van behandelen beoordeeld tot er einduitspraak kwam in het geschil met betrekking tot verschuldigdheid zelf van de BTW.
Die einduitspraak is er dan gekomen op 11 april 2005 door de 4F Kamer (afschrift onder de stukken van verweerder).
Niet in betwisting staat dat dit vonnis, betekend op 4 mei 2005, naderhand definitief werd.
De tot huidige rechtsvordering aangewende rechtsgrond is artikel 1382 'e.v.' Burgerlijk Wetboek.
Eiseres heeft na het tussenvonnis nog tweemaal geconcludeerd en heeft kort daarop nog een 'aanvullende korte conclusie' gedeponeerd, deze laatste louter om tijdigheid van haar tweede conclusie te onderbouwen.
Verweerder heeft na het tussenvonnis geconcludeerd en naderhand nog een syntheseconclusie neergelegd.
Niet in betwisting staat dat eiseres de bewijslast draagt van haar vordering.
In juni 1993 is BTW-inhouding gebeurd aan de hand van een proces-verbaal van maart 1993.
De beslagrechter heeft middels beschikking van 15 juli 1993 geoordeeld dat er om reden van onwettigheid van artikel 8-1, § 3 van KB nr. 4 inzake BTW, geen wettelijke grond voorhanden was om inhouding te doen.
In dezelfde beschikking werd eiseres afgewezen van haar nevenvordering tot vergoeding van schade uit oorzaak van onrechtmatig beslag (lees aldus : onrechtmatige inhouding).
Deze beschikking blijkt vrijwillig te zijn uitgevoerd, wat nog door de raadsman van eiseres is bevestigd in een later faxbericht van augustus 1995 (met onderstreping, stuk 7 verweerder).
In juli 1996 is inhouding gebeurd aan de hand van hetzelfde proces-verbaal van maart 1993.
Toen heeft eiseres zich voorzien voor de kortgedingrechter, die alsdan oordeelde dat van hem niet werd gevraagd een feitelijkheid te doen ophouden en die zich onbevoegd verklaarde over de vordering tot teruggave (lees aldus : vrijgave) van de inhouding.
Eiseres stapte daarop naar de beslagrechter, en deze heeft in beschikking van 9 januari 1997 vastgesteld dat de inhouding van juli 1996 op dezelfde oorzaak was gestoeld als die van juni 1993 en dat er geen beroep was ingesteld tegen de beschikking van 15 juli 1993.
Aldus werd geoordeeld tot opheffing van de nieuwe inhouding van juli 1996.
De Ontvanger schreef toen enerzijds dat hij opheffing verleende op bevel van de rechter, maar anderzijds stelde hij samen met de hoofdcontroleur hoger beroep in.
Kort daarop dagvaardde de hoofdcontroleur eiseres voor de beslagrechter om ziet gerechtigd te horen verklaren het bedrag van het BTW-krediet van 30 april 1996 (waarop inhouding was geschied) te kantonneren bij de Deposito- en Consignatiekas.
De beslagrechter beoordeelde deze vordering ongegrond, omdat de eiser als derde beslagene niet in de voorwaarden was 'om te worden toegelaten tot kantonnement' (beschikking 31 juli 1997).
Naderhand werd het hoger vermelde hoger beroep tegen de beschikking van 9 januari 1997 ongegrond verklaard door het Hof van Beroep (arrest van 13 oktober 1997), zulks om reden van rechterlijk gewijsde van de beschikking van 15 juli 1993.
De beroepen beschikking van 9 januari 1997 werd aldus bevestigd.
Het blijkt dat eiseres reeds in die beschikking van de beslagrechter van 9 januari 1997 nul op het rekwest had gekregen op haar ook toen gestelde nevenvordering tot schadevergoeding.
Huidige vordering van eiseres tot schadevergoeding stoot daarom op het gezag van gewijsde van de beschikking van de beslagrechter van 9 januari 1997, bevestigd door het arrest van 13 oktober 1997 waaruit overigens naar voren treedt dat huidig eiseres (toen geïntimeerde) zelf had geconcludeerd tot bevestiging van de beschikking a quo (van aldus 9 januari 1997).
Daaraan verandert in huidig geding de inhoud van het tussenvonnis van 9 april 2003 niets.
Tenslotte brengt de onwettig verklaring van het dwangbevel van 17 mei 1993 door het vonnis van 11 april 2005 inzake de BTW-vordering ten gronde geen eigen aansprakelijkheidsoorzaak mede.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,
Na erover beraadslaagd te hebben,
Verklaart de reeds in het tussenvonnis toelaatbaar verklaarde vordering ongegrond,
Veroordeelt eiseres tot de kosten, deze aan elke zijde begroot in conclusie, en door de rechtbank in hoofde van verweerder vereffend op 364,40 EUR rechtsplegingvergoeding.
N. D. M. G. P. W. L. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.