Taxe sur la valeur ajputée, champ d'application · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 15 janvier 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Taxe sur la valeur ajputée, champ d'applicationTaxe sur la valeur ajputée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/taxe-valeur-ajputee-champ-application-tribunal-anvers-2003-01-15-bcb0

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
15 janvier 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

141 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 15.01.2003

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op vijftien januari tweeduizend en drie in openbare zitting van de 2F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., rechter, voorzitter van de kamer,

P. W., rechter,

N. V., rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR nr. 01/4239/A

NV R. H., met BTW-nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester W. H., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCH STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de heer ontvanger-rekenplichtige van het eerste BTW-ontvankantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

In zake : AR nr. 01/4464/A

NV R. H., met BTW-nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester W. H., advocaat, kantoorhoudende te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT,

A. in de persoon van de Minister van Financiën, van wie het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12.

B. Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige Ontvanger van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, wiens kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat. kantoorhoudende te …, ….


Gezien.de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :

In zake : AR nr. 01/4239/A

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 20 juni 2001,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 6 februari 2002,

- de besluiten van partijen.

In zake : AR nr. 01/4464/A

- het exploot van rechtsingang betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder C. E. in vervanging van gerechtsdeurwaarder R. D. M. te … op 22 juni 2001 voor wat betreft verwerende partij sub A en betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder M. B. te Antwerpen op 22 juni 2001 voor wat betreft verwerende partij sub B.

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 11 december 2002.


Inzake AR 01/4239/A en AR 01/4464/A

De vorderingen strekken ertoe het dwangbevel Reg. 127/2357, uitgevaardigd op 19 juni 1996, te vernietigen in de mate dat ermee niet verschuldigde bedragen worden gevorderd, dienvolgens te zeggen voor recht dat eiseres de met het bestreden dwangbevel van haar gevorderde bedragen niet verschuldigd is in de mate zoals gevorderd, eiseres te ontslaat van betaling van de in het bestreden dwangbevel van haar ten onrechte gevorderde bedragen en verweerder te verplichten alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de met bestreden vordering aangerekende bedragen aan eiseres terug te betalen, meer de moratoriumintresten en de kosten van het geding.

Bij conclusies, neergelegd op 3 september 2002. heeft eiseres in meest ondergeschikte orde gevorderd de terugbetaling te bevelen van alle BTW door eiseres aangerekend over de uitbatingsvergoedingen aan eiseres betaald door de NV D. H. en de BVBA V. voor de uitbating van respectievelijk R. I en II en de linkervleugel van het domein S. te …, meer de moratoriumintresten, en eveneens de boete die verweerder van eiseres vordert als niet verschuldigd aan te rekenen.

Samenvoeging

Deze 2 zaken, gekend onder AR 01/4239/A en AR 01/4464/A, hebben betrekking op identiek dezelfde betwisting en zijn dan ook nauw samenhangend en worden omwille van een goede rechtsbedeling samengevoegd zodat de rechtbank uitspraak doet in één vonnis.

Relevante feiten

Eiseres is eigenares van het onroerend goed en handelsfonds genaamd Kasteel S., gelegen te ….

Bij overeenkomst van 5 juni 1991 heeft eiseres de uitbating en het management van de linkse annex van het complex toevertrouwd aan de BVBA V.; deze linkse annex heeft als bestemming taverne en feestzaal.

Verder is eiseres eigenares van het gebouw en het handelsfonds van het R. H. 1, gelegen te …, …, en van het R. H. 2, gelegen te …, ….

Bij overeenkomsten van 23 mei 1990 en 7 mei 1993 heeft eiseres de uitbating en het management van voornoemde hotels toevertrouwd aan de NV D. H..

Bij eiseres werd een BTW controle uitgevoerd voor de periode van 1 januari 1989 tot 30 september 1993, waarvan op 19 juni 1996 een proces-verbaal werd opgesteld.

Volgens-dit proces-verbaal worden - ingevolge voornoemde overeenkomsten - zowel roerende als onroerende goederen ter beschikking gesteld en valt het ter beschikking stellen tegen een vergoeding van zowel onroerende als lichamelijke roerende goederen (inbegrepen de onroerende goederen door bestemming) buiten de werkingssfeer van de BTW in de mate waarin dit betrekking heeft op de onroerende goederen uit hun aard en de roerende goederen die door de eigenaar blijvend aan het onroerend goed zijn verbonden; vanaf 1 januari 1993 is de verhuur van onroerende goederen een handeling die vrijgesteld is door artikel 44, § 3, 2° W.BTW.

Aangezien de BTW geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privé- of andere dan met BTW belastbare beroepsdoeleinden in geen geval in aanmerking komen voor aftrek, werd volgens de administratie de hierna volgende BTW met betrekking tot de hierna vermelde investeringen ten onrechte in aftrek gebracht, namelijk :

- voor domein S. 4.457.574 BEF

- voor hotel gelegen te … 19.331.901 BEF

Anderzijds werd het hotel, gelegen te …, dat begin augustus 1988 geopend werd, aanvankelijk door eiseres zelf uitgebaat en vanaf 1 januari 1990 door de NV D. H.; volgens de administratie heeft eiseres :

- de BTW op de verrichte investeringen met betrekking tot dit hotel volledig in aftrek gebracht en ten onrechte niet herzien naar aanleiding van deze nieuwe situatie,

- de aangerekende BTW op investeringen verricht aan dit hotel, vanaf de dag dat dit gebouw enkel maar gebruikt werd voor het verrichten van andere dan met BTW belastbare beroepsdoeleinden, ten onrechte afgetrokken, namelijk 413.975 BEF,

- de aangerekende BTW van kosten die betrekking hebben op de "verhuurde eigendommen" ten onrechte afgetrokken, namelijk : 84.977 BEF + 3.458 BEF + 25.391 BEF + 3.173 BEF, zijnde in totaal 116.999 BEF,

- de BTW op facturen waarvan niet kon worden aangeduid dat ze bestemd waren voor het verrichten van met BTW belastbare handelingen ten onrechte afgetrokken, namelijk : 77.880 BEF + 5.387 BEF, zijnde in totaal 83.267 BEF.

Volgens het proces-verbaal van 19 juni 1996 is eiseres de hierna vermelde bedragen verschuldigd, namelijk :

- BTW 24.628.494 BEF

- geldboete 2.462.000 BEF

- intresten

Verder werd op 19 juni 1996 een dwangbevel uitgevaardigd waardoor eiseres de hierna vermelde bedragen verschuldigd werd, namelijk :

- BTW 24.628.494 BEF

- geldboete 3.693.000 BEF

- intresten

Beoordeling

Betreffende de toelaatbaarheid van de vordering ingeleid bij verzoekschrift (AR 01/4239/A)

Krachtens artikel 700 Ger. W. worden hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift. De artikelen 860 en 861 Ger. W. kunnen niet worden toegepast op de schending van deze regel die onder de rechterlijke organisatie ressorteert (Cass. 27 mei 1994, R.W. 1994-95, 1017).

Bijgevolg moet een vordering in de regel door middel van een dagvaarding bij gerechtsdeurwaarderexploot worden ingesteld en mag het verzoekschrift slechts gebruikt worden wanneer de wet het toelaat of voorschrijft.

Wanneer geen wettelijke afwijking is voorzien, is een gedinginleiding anders dan via dagvaarding of vrijwillige verschijning ongeldig en is de vordering aldus ontoelaatbaar.

Het oude artikel 89, lid 2 en 3 W.BTW, dat in voege was vóór de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalde dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding en dat de vordering aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank waaronder het kantoor van de ambtenaar, die het dwangbevel heeft uitgevaardigd, ressorteert.

Artikel 59 van voornoemde wet van 15 maart 1999 (in werking getreden op 6 april 1999) bepaalt dat voornoemd artikel 89, lid 2 en 3 wordt vervangen door de volgende bepaling : "De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte."

Verder werd ingevolge artikel 9 van voornoemde wet van 23 maart 1999 (eveneens in werking getreden op 6 april 1999) in het Gerechtelijk Wetboek onder meer artikel 1385decies ingevoegd, luidend als volgt : "Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, lid 1, 32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak..."

Krachtens artikel 3 Ger. W. is een nieuwe wet op de rechtspleging onmiddellijk van toepassing behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald.

Bijgevolg wordt vanaf 6 april 1999 in de regel de vordering tegen de belastingadministratie bij verzoekschrift op tegenspraak ingesteld.

In artikel 97, lid 1 van voornoemde wet van 15 maart 1999 is echter een uitzondering bepaald op de onmiddellijke toepassing van deze nieuwe wet op de rechtspleging, namelijk : Voor zover zij de procedureregels wijzigen is voornoemd artikel 59, dat artikel 89, lid 2 en 3 W.BTW wijzigt, slechts van toepassing op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.

In casu heeft de oorzaak van eisbaarheid zich ontegensprekelijk voorgedaan voor 1 januari 1999 zodat het oude artikel 89, lid 2 en 3 W.BTW van toepassing is en de vordering dan ook diende ingesteld te worden door middel van een dagvaarding.

Aangezien de vordering echter bij verzoekschrift werd ingesteld en aangezien de wet het in casu niet toeliet of voorschreef het verzoekschrift te gebruiken, is deze vordering dan ook ontoelaatbaar.

Betreffende de kwalificatie van de overeenkomsten tussen eiseres enerzijds en de NV D. H. en de BVBA V. anderzijds

Deze betwisting heeft betrekking op de vraag of de overeenkomsten tussen eiseres enerzijds en de NV D. H. en de BVBA V. anderzijds moeten beschouwd worden als een onroerende verhuur (stelling van de administratie).

De rechtbank is niet gebonden door de juridische kwalificatie welke de partijen zelf aan de overeenkomsten hebben gegeven, maar zij moet nagaan welke de gemeenschappelijke bedoeling was van de contracterende partijen.

Krachtens artikel 18, § 1, 6° W.BTW wordt onder meer als een dienst beschouwd "de overdracht van of het verlenen van al dan niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen."

Uit het gebruik van de woorden "onder meer" moet worden afgeleid dat de opsomming van voornoemd artikel 18 niet limitatief is, zodat niet mag uitgesloten worden dat andere handelingen diensten zijn in de zin van het wetboek van BTW en derhalve belastbaar zijn.

Als algemeen beginsel stelt artikel 2 van het wetboek van BTW dat "de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen zijn wanneer ze in België plaatsvinden."

Voor het onderzoek van het huidig geschil dient derhalve niet onderzocht te worden of voornoemde overeenkomsten beantwoorden aan alle vereisten van artikel 18, § 1, 6° W.BTW, maar wel of deze overeenkomsten moeten beschouwd worden als een onroerende verhuur.

Noch de zesde BTW-richtlijn noch het wetboek van BTW geven een definitie van het begrip "onroerende verhuur" zodat moet worden teruggegrepen naar het gemeen recht.

Volgens artikel 1709 BW moet onder verhuur verstaan worden de overeenkomst “waarbij de ene partij zich verbindt om de andere het genot van een zaak te doen hebben gedurende een zekere tijd, en tegen een bepaalde prijs, die de laatstgenoemde zich verbindt te betalen."

De onroerende verhuur en de overdracht van of het verlenen van al dan niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen verschillen door hun essentieel voorwerp.

Wanneer het essentiële voorwerp bestaat in het genot van een uit zijn aard onroerend goed, is de handeling een verhuur; wanneer het essentieel voorwerp daarentegen bestaat in de overdracht of het verlenen van een recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen, is de handeling een dienstverlening.

In casu werden in de overeenkomsten onder meer de hierna volgende bepalingen overeengekomen, namelijk :

- eiseres heeft de uitbating en het management van de hotels enerzijds en de taverne en feestzaal anderzijds toevertrouwd aan respectievelijk de NV D. H. en de BVBA V.,

- de NV D. H. en de BVBA V. verbinden zich ertoe de hotels en de taverne en feestzaal naar behoren uit te baten en de hen toevertrouwde taak zorgvuldig en te goeder trouw uit te voeren,

- de NV D. H. en de BVBA V. verbinden zich ertoe een bediening te verzekeren met een zekere standing,

- de NV D. H. en de BVBA V. hebben ervaring en deskundigheid op het vlak van de horeca,

- eiseres verleent aan de NV D. H. en de BVBA V. een voorkeurrecht voor het geval zij een recht van genot (huur, handelshuur, leasing, e.a.) met betrekking tot de hotels, de taverne en de feestzaal zou wensen toe te kennen aan een derde in de loop van de overeenkomsten,

- de NV D. H. moet de hotels 24 uur op 24 en 365 dagen per jaar openhouden,

- eiseres heeft op ieder jaareind recht op controle van de uitvoering van het mandaat en de NV D. H. is dan ook rekenschap verschuldigd,

- de BVBA V. moet de taverne alleszins openhouden op de dagen en uren dat het park toegankelijk is.

Aangezien als algemeen beginsel BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, moeten de woorden "verhuur van onroerende goederen" strikt worden uitgelegd (HvJ 9 oktober 2001, F.J.F. 2002/3).

Gelet op voornoemde bepalingen in de overeenkomsten is het geenszins bewezen dat het genot van de onroerende goederen het essentiële voorwerp is, zodat de overeenkomsten·niet beschouwd kunnen worden als een onroerende verhuur, te meer nu volgens het Hof van Justitie de woorden "verhuur van onroerende goederen" strikt moeten worden uitgelegd.

Bijgevolg is de dienst aan de belasting onderworpen en verleent deze recht op aftrek van BTW.

Betreffende de verjaring inzake de verschuldigde BTW ten bedrage van 77.880 BEF

Volgens eiseres heeft dit bedrag betrekking op het jaar 1988 zodat dit verjaard is.

Eiseres heeft deze BTW ten bedrage van 77.880 BEF slechts in 1990 in aftrek gebracht zodat dat jaar in aanmerking dient genomen te worden om na te gaan of de verjaring ingetreden is.

Bijgevolg is er geen sprake van verjaring zodat eiseres dit bedrag verschuldigd is.

Betreffende de door eiseres verschuldigde BTW

Eiseres erkent de hierna vermelde BTW verschuldigd te zijn, namelijk :

- domein S., eerste verdieping van annex rechts 980.666 BEF

- schatten van een grond 3.458 BEF

- matrassen 5.387 BEF

- voertuigen : cassette radio 1.697 BEF

- voertuigen : huur 825 BEF

- spijzen en dranken : pralines 4.024 BEF

- spijzen en dranken : champagne 9.428 BEF

- regelmatige factuur of invoerdocument 47.900 BEF

- aangegeven omzet 133.512 BEF

- voordelen van alle aard 27.772 BEF

Bij gebreke aan verjaring is eiseres ook verschuldigd 77.880 BEF

TOTAAL 32.042,94 EUR of 1.292.609 BEF

Nu voornoemde overeenkomsten niet beschouwd kunnen worden als een onroerende verhuur, blijkt uit geen enkel objectief element dat eiseres meer dan 32.042,94 EUR BTW verschuldigd is.

Betreffende de verhoging van de geldboete met 50 % ingevolge het uitvaardigen van het dwangbevel

Eenieder heeft in beginsel recht om een geding door de rechter te laten beslissen en de uitoefening van dit recht mag niet gehinderd worden door een regel waarbij de loutere uitoefening van dit recht gesanctioneerd wordt met een verhoging van de geldboete. Dit recht mag wel beperkt worden om vormen van misbruik te bestrijden. Bijgevolg strekt deze verhoging van de geldboete ertoe om procedures te vermijden vanwege de belastingplichtigen die geen voldoende redenen hebben om niet vrijwillig de belastingschuld te betalen (Cass. 25 april 2002 inzake rolnummer C000464N, www.cass.be en Fiscoloog nr. 849, 7).

Eiseres had geen voldoende redenen om niet vrijwillig voornoemde belastingschuld van 32.042,94 EUR te betalen, te meer nu het grootste gedeelte van deze schuld zelfs niet wordt betwist, zodat er ontegensprekelijk sprake is van misbruik en de geldboete op 32.042,94 EUR BTW terecht werd verhoogd met 50 % ingevolge het uitvaardigen van het dwangbevel.

Anderzijds had eiseres wel voldoende redenen om de belastingschuld boven dit bedrag van 32.042,94 EUR niet vrijwillig te betalen.

Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Na erover beraadslaagd te hebben.

Voegt de beide zaken, gekend onder AR 01/4239/A en AR 01/4464/A, samen wegens samenhang en in het belang van een goede rechtsbedeling en doet uitspraak in één vonnis.

Verklaart de vordering inzake AR 01/4239/A ontoelaatbaar.

Verklaart de vordering inzake AR 01/4464/A toelaatbaar en als volgt gegrond.

Verklaart het dwangbevel, Reg. 127/2357, uitgevaardigd op 19 juni 1996, van nul en generlei waarde in de mate dat meer dan 32.042,94 EUR BTW wordt nagevorderd, in de mate dat op meer dan 32.042,94 EUR BTW een geldboete en intresten worden gevorderd en in de mate dat de gevorderde geldboete op meer dan 32.042,94 EUR BTW werd verhoogd .met 50 % ingevolge het uitvaardigen van het dwangbevel.

Beveelt de herberekening van het dwangbevel.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle dientengevolge ingehouden en/of toegerekende bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding tot op heden door eiseres begroot op 316,83 EUR dagvaardingskosten en op tweemaal 334,67 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 316,83 EUR dagvaardingskosten en op éénmaal 167,33 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Wijst het meer en/of anders gevorderde af.

N. D. N. V. P. W. L. B.