Assujetti, immeuble neuf-transformation, droit à déduction · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 17 décembre 2018

Rechercher
Texte en néerlandais

Assujetti, immeuble neuf-transformation, droit à déductiontaxe sur la valeur ajoutée- assujetti- immeuble neuf-transformation- droit à déduction- régularisation du droit à déduction- délai de régularisation- TVA historique

https://juriel.be/fr/jurisprudence/taxe-valeur-ajoutee-assujetti-immeuble-tribunal-bruges-2018-12-17-9a3b

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
17 décembre 2018

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

84 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 17.12.2018

WF708-15-17/001739

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Assujetti – Immeuble neuf – Transformation – Droit à déduction – Régularisation du droit à déduction – Délai de la régularisation – TVA historique

Dispositions légales

Article 9, § 1er, et article 21bis, § 1er, de l’arrêté royal n° 3, du 10 décembre 1969, relatif aux déductions pour l'application de la taxe sur la valeur ajoutée

Résumé

Les faits et les antécédents de procédure

L’assujettie (une SPRL) exerce une activité d’avocat assujettie à la TVA. Elle a acquis un droit d’usufruit sur un bien immobilier constitué d’un espace commercial et de deux appartements. Après travaux, cet immeuble a été transformé en un immeuble de bureaux. La question qui se pose est de savoir s’il s’agit d’un immeuble neuf pour l’application de la TVA.

Le 28 octobre 2016, lors d’un contrôle, des infractions ont été constatées. Elles ont été consignées dans un procès-verbal qui a motivé une contrainte. L’administration a estimé que, lors de la déduction de la TVA historique, l’assujetti avait à tort retenu le délai de régularisation de 15 ans au lieu de celui de 5 ans.

L’assujettie a introduit une action en justice contre la contrainte.

2. Le jugement

a) Transformation d’un immeuble ou immeuble neuf

Après travaux, la différence entre une immeuble neuf et un immeuble ancien est une question de faits qui, en l’espèce, doit être jugée.

Au vu des travaux effectués et des matériaux facturés, le tribunal constate que les éléments essentiels de la structure de l’immeuble n’ont pas été modifiés par les travaux réalisés. Le changement d’affectation du bâtiment n’est pas suffisant pour pouvoir parler d’un nouvel immeuble. L’assujettie invoque à tort que le prix de revient des travaux atteint au moins 60% de la valeur vénale de l’immeuble après travaux notamment parce que sont repris dans la valeur vénale des éléments tels que les équipements de bureaux et les appareils de cuisine, frais qui ne concernent pas les éléments essentiels ou la structure de l’immeuble.

b) La TVA historique

En obtenant la qualité d’assujetti à la TVA avec droit à déduction à partir du 1er janvier 2014, l’assujettie a le droit d’exercer son droit à déduction de la TVA historique (article 21bis de l’arrêté royal n° 3). Lors de l’exécution des travaux en 2012, l’assujetti n’avait pas le droit de déduire la TVA. A partir du 1er janvier 2014 est né un droit à déduction de cette TVA historique pour les années restant à courir du délai de régularisation.

L’assujettie a supposé à tort qu’il y avait un délai de régularisation de 15 ans pour un immeuble neuf. Comme il a déjà été jugé, l’immeuble après l’exécution des travaux ne peut pas être considéré comme un bâtiment neuf. Dès lors, le délai de la régularisation est seulement de 5 ans (article 9, § 1er, de l’A.R. n° 3).

Le tribunal déclare la demande de l’assujettie recevable mais non fondée.

Texte du jugement

Corps de la décision

Ce jugement est uniquement publié dans la langue originale

Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, afdeling Brugge

Vonnis sectie burgerlijke rechtbank, tiende-kamer

Datum van levering: . 17/12/2018

Rolnummer: 17/1938/A

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke recht­ bank, tiende kamer, heeft het hiernavolgend vonnis verleend:

In de zaak 17/1938/A

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid S., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer …,

eiseres,

hebbende als raadsman meester D. M. (N. Advocaten), advocaat, met kantoor te …, …,

tegen

De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal - Centrumdirecteur van het Centrum Kleine en Middelgrote Ondernemingen Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardin-straat 4, en van de Adviseur - invordering - ontvanger van het team Invordering Brugge 1, met kantoor te 8000 Brugge, Gustave Vincke-Dujardinstraat 4,

verweerder,

vertegenwoordigd door M. C., adviseur, verbonden aan het Centrum Kleine en Middelgrote Ondernemingen Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, Gustave Vincke-Dujardinstraat 4. &,

I. PROCEDURE

Gelet op de het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 22 juni 2017.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 26 november 2018.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van advocaat. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 01 maart 2016 werd door M. C., adviseur bij de algemene administratie van de fiscaliteit en verbonden aan het centrum KMO te Brugge, een controle gestart over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde tijdens de periode 2014.

Op 28 oktober 2016 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie heeft eiseres bij de aftrek van de historische BTW betreffende het pand gelegen te …, … onterecht rekening gehouden met een herzieningstijdvak van 15 jaar. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is ingevolge deze inbreuk als BTW … EUR, als proportionele geldboete … EUR en intresten.

Op 08 november 2016 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 30 november 2016 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door J. L., adviseur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge. Het dwangbel werd aan eiseres betekend de dato 13 december 2016.

Door eiseres werd fiscaal verhaal aangetekend met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 22 juni 2017.

2. Eiseres vraagt dat:

- het dwangbevel de dato 08 november 2016 nietig wordt verklaard;

- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling aan eiseres van het reeds betaalde of ingehouden bedragen, te vermeerderen met de moratoire intresten;

- voor recht wordt gezegd dat het herzieningstijdvak van 15 jaar van toepassing is vermits het onroerend goed als een nieuw gebouw dient beschouwd te worden;

- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding.

3. Verweerder vraagt dat:

- de vordering ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard;

- eiseres wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van het geding.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. Verbouwing of nieuwbouw

Ingevolge een notariële akte van 27 november 2009 heeft eiseres het vruchtgebruik verworven van een onroerend goed gelegen te …, …. Het betreft een herenhuis gebouwd in 1895. Het onroerend goed bestond uit een handelsruimte (gelijkvloers) met daarboven 2 appartementen. Het onroerend goed is gelegen binnen het gewestplan Brugge-Oostkust in een woongebied met cultureel, historische en/of esthetische waarde. In 2011 en 2012 heeft eiseres werken laten uitvoeren aan het onroerend goed. Het gebouw werd hierbij omgevormd tot een kantoorgebouw.

De vraag is of het gebouw na uitvoering van de werken in 2011 en 2012 een nieuw gebouw betreft in het kader van de BTW-wetgeving of niet.

Volgens verweerder betreft het geen nieuw gebouw en hij verwijst hiervoor naar de BTW-handleiding, punt 152/2 betreffende de criteria die in aanmerking worden genomen om te beoordelen of een oud gebouw, na de uitvoering van de werken, al dan niet moet worden beschouwd als een nieuw gebouw.

Het is duidelijk dat voormelde handleiding en criteria geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve richtlijnen geen bindend karakter.

De wettekst is evenwel veel beperkter dan de administratieve invulling in de handleiding waarop de controleambtenaar zich gebaseerd heeft. De rechtbank kan een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen.

Het onderscheid tussen, na uitvoering van werken, een nieuw gebouw of een oud gebouw, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden.

Vast staat dat eiseres vóór of tijdens de uitvoering van de werken geen stedenbouwkundige vergunning heeft aangevraagd. Pas op 28 juni 2017 (na neerlegging van het verzoekschrift) wordt door eiseres een regularisatie dossier ingediend bij de stedenbouwkundige dienst. Eiseres legt tekeningen neer opgemaakt door architectenbureau Dugardyn waaruit blijkt dat de grootste wijziging betreft de ommuring van de binnenkoer, een toilet op de binnenkoer wordt verplaatst en de veranda die wordt omgevormd tot een keuken. De facturen betreffen opruimwerken, pleisterwerken, levering 1 houten raam, beton en stabilisé, binnendeuren, valse plafons, parket, stijlmuren, spanplafonds, verwarmingsinstallatie, sanitair, roofing voor plat dak, koepel, nieuwe elektriciteit en verlichtingsmateriaal, schilderwerken, nieuwe beglazing, keukens, kantoorinrichting, rolgordijnen, cilindersloten, inbraakbeveiliging, architect (… EUR exclusief BTW), buizen, hout tegels, belettering, bureauverlichting, en configuratie netwerk. Het totaal gefactureerde bedrag bedroeg … EUR exclusief BTW. Het kadastraal inkomen van het gebouw werd niet gewijzigd na de werken. Pas in 2018 werd op vraag van eiseres het kadastraal inkomen herschat.

De rechtbank stelt op basis van de uitgevoerde werken en de gefactureerde materialen (rioleringsmateriaal … EUR, snelbouwbaksteen … EUR, klinkers … EUR, gevelstenen … EUR, beton 500 kg., stabilisé 500 kg., roofing … EUR, ...) vast dat de wezenlijke elementen van het gebouw door de werken niet werden gewijzigd. De werken werden voornamelijk uitgevoerd aan de binnenkant van het gebouw en hebben tot doel het comfort te verbeteren en het gebouw geschikt te maken als kantoorruimte. De wezenlijke elementen en de structuur van het gebouw zijn niet gewijzigd. De bestemmingswijziging van het gebouw is niet voldoende om te kunnen spreken van een nieuw gebouw in de zin van de BTW-wetgeving. Eiseres stelt ten onrechte dat de kostprijs van de werken ten minste 60 % bedraagt van de verkoopwaarde van het gebouw na de werken. Eiseres bewijst de verkoopwaarde van het gebouw na uitvoering van de werken niet. Bovendien zitten in de kostprijs van de werken de kosten voor inrichting van het kantoor (rolgordijnen … EUR, kantoorinrichting … EUR, keukens met toestellen … EUR en verlichtingsmateriaal) en deze kosten hebben geen betrekking op de wezenlijke elementen of de structuur van het gebouw.

Het gebouw na de uitvoering van de werken in 2011 en 2012 betreft derhalve geen nieuw gebouw in de zin van de BTW-wetgeving.

Volgens eiseres werden er na 2012 nog structurele werken uitgevoerd. De rechtbank stelt evenwel vast dat de maatschappelijke zetel van eiseres vanaf 01 februari 2012 werd overgebracht naar het adres van het gebouw en dat vanaf dan het gebouw effectief gebruikt werd als kantoorruimte. Het lijkt dan ook onwaarschijnlijk dat eiseres later nog werken heeft later uitvoeren die wijzigingen hebben aangebracht aan de wezenlijke elementen van het gebouw en aan de structuur van het gebouw.

2. Historische BTW

Bij het verkrijgen van de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige met recht op BTW-aftrek vanaf 01 januari 2014, heeft eiseres recht om een historische BTW-aftrek uit te oefenen op basis van artikel 21bis §1 K.B. nr. 3 van 10 december 1969. Op het ogenblik van de in 2011 en 2012 uitgevoerde werken had eiseres nog geen recht op BTW-aftrek. Vanaf 01 januari 2014 ontstond voor deze historische BTW recht op aftrek voor de nog te lopen jaren van het herzieningstijdvak. Hieromtrent is er geen betwisting.

Eiseres is verkeerdelijk uitgegaan van een herzieningstijdvak van 15 jaar voor een nieuw gebouw. Zoals reeds geoordeeld betreft het gebouw na uitvoering van de werken in 2011 en 2012 geen nieuw gebouw (zie punt 1). Zodoende bedraagt het herzieningstijdvak slechts 5 jaar (artikel 9 §1 K.B. nr. 3 van 10 december 1969).

Het tijdvak van 5 jaar begint te lopen vanaf 01 januari van het jaar waarin het recht op aftrek ontstaat (artikel 9 §1 K.B. nr. 3 van 10 december 1969). Verweerder heeft evenwel rekening gehouden met het jaar van ingebruikneming van de woning bij toepassing van E.T. nr. 121.450 van 27 maart 2012.

C. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017,1° lid van het Gerechtelijk Wetboek de gerechtskosten dragen.

Verweerder werd niet bijgestaan door een advocaat, zodat hij geen recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze ten haren laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge op zeventien december tweeduizend achttien.

Aanwezig zijn…

Textes cités

2
AR no 3 art. 21bis4 occurrences
AR no 3 art. 93 occurrences