Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 17.12.2018
WF708-15-17/001739
[gunstig voor administratie ]
Belasting over de toegevoegde waarde – belastingplichtige – nieuwbouw – verbouwing - recht op aftrek – herziening van het recht op aftrek – herzieningstermijn – historische btw-aftrek
Wettelijke bepalingen
Art. 9 § 1 en art. 21bis § 1 van het Koninklijk Besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde
Samenvatting
1)Feiten en voorgaande
De belastingplichtige is btw-belastingplichtige advocaat en had in 2009 het vruchtgebruik verworven van een onroerend goed, bestaande uit een handelsruimte en 2 appartementen. Dit gebouw werd na werkzaamheden in 2012 omgevormd tot een kantoorgebouw. De vraag is of het gebouw nieuw is in het kader van de btw-wetgeving.
Op 28 oktober 2016 werden bij controle overtredingen vastgesteld en opgenomen in een proces-verbaal, waarna een dwangbevel werd betekend. De administratie stelde dat de belastingplichtige bij aftrek van de historische btw, onterecht rekening gehouden heeft met een herzieningstijdvak van 15 jaar in plaats van 5 jaar.
De belastingplichtige stelde tegen het dwangbevel een vordering in rechte.
2)Procedure in eerste aanleg
a)Verbouwing of nieuwbouw
Het onderscheid tussen, na uitvoering van de werken, een nieuw gebouw of een oud gebouw, is een feitenkwestie die geval moet beoordeeld worden.
De rechtbank stelt op basis van de uitgevoerde werken en gefactureerde materialen vast dat de wezenlijke elementen van het gebouw door de werken niet werden gewijzigd. De bestemmingswijziging is niet voldoende om te kunnen spreken van een nieuw gebouw. De belastingplichtige stelt ten onrechte dat de kostprijs van de werken ten minste 60% bedraagt van de verkoopwaarde van het gebouw na de werken, bovendien zitten in de verkoopwaarde elementen zoals kantoorinrichting en keukentoestellen, kosten die geen betrekking hebben op de wezenlijke elementen of structuur van het gebouw.
b) Historische btw
Bij het verkrijgen van de hoedanigheid van btw-belastingplichtige met recht op aftrek vanaf 1 januari 2014 heeft de belastingplichtige het recht om een historische btw-aftrek uit te oefenen (art. 21bis, KB nr. 3). Na de uitgevoerde werken in 2012 had de belastingplichtige nog geen recht op aftrek. Vanaf 1 januari 2014 ontstond voor deze historische btw recht op aftrek voor de nog te lopen jaren van het herzieningstijdvak.
De belastingplichtige is verkeerdelijk vanuit gegaan van een herzieningstijdvak van 15 jaar voor een nieuw gebouw. Zoals reeds geoordeeld betreft het gebouw na uitvoering van de werken geen nieuw gebouw. Zodoende bedraagt het herzieningstijdvak slechts 5 jaar (art. 9 §1 KB nr. 3).
De rechtbank verklaart de eis van belastingplichtige toelaatbaar doch ongegrond.
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, afdeling Brugge
Vonnis sectie burgerlijke rechtbank, tiende-kamer
Datum van levering: . 17/12/2018
Rolnummer: 17/1938/A
De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke recht bank, tiende kamer, heeft het hiernavolgend vonnis verleend:
In de zaak 17/1938/A
De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid S., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer …,
eiseres,
hebbende als raadsman meester D. M. (N. Advocaten), advocaat, met kantoor te …, …,
tegen
De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal - Centrumdirecteur van het Centrum Kleine en Middelgrote Ondernemingen Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardin-straat 4, en van de Adviseur - invordering - ontvanger van het team Invordering Brugge 1, met kantoor te 8000 Brugge, Gustave Vincke-Dujardinstraat 4,
verweerder,
vertegenwoordigd door M. C., adviseur, verbonden aan het Centrum Kleine en Middelgrote Ondernemingen Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, Gustave Vincke-Dujardinstraat 4. &,
I. PROCEDURE
Gelet op de het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 22 juni 2017.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 26 november 2018.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van advocaat. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 01 maart 2016 werd door M. C., adviseur bij de algemene administratie van de fiscaliteit en verbonden aan het centrum KMO te Brugge, een controle gestart over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde tijdens de periode 2014.
Op 28 oktober 2016 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie heeft eiseres bij de aftrek van de historische BTW betreffende het pand gelegen te …, … onterecht rekening gehouden met een herzieningstijdvak van 15 jaar. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is ingevolge deze inbreuk als BTW … EUR, als proportionele geldboete … EUR en intresten.
Op 08 november 2016 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 30 november 2016 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door J. L., adviseur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge. Het dwangbel werd aan eiseres betekend de dato 13 december 2016.
Door eiseres werd fiscaal verhaal aangetekend met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 22 juni 2017.
2. Eiseres vraagt dat:
- het dwangbevel de dato 08 november 2016 nietig wordt verklaard;
- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling aan eiseres van het reeds betaalde of ingehouden bedragen, te vermeerderen met de moratoire intresten;
- voor recht wordt gezegd dat het herzieningstijdvak van 15 jaar van toepassing is vermits het onroerend goed als een nieuw gebouw dient beschouwd te worden;
- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding.
3. Verweerder vraagt dat:
- de vordering ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard;
- eiseres wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van het geding.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. Verbouwing of nieuwbouw
Ingevolge een notariële akte van 27 november 2009 heeft eiseres het vruchtgebruik verworven van een onroerend goed gelegen te …, …. Het betreft een herenhuis gebouwd in 1895. Het onroerend goed bestond uit een handelsruimte (gelijkvloers) met daarboven 2 appartementen. Het onroerend goed is gelegen binnen het gewestplan Brugge-Oostkust in een woongebied met cultureel, historische en/of esthetische waarde. In 2011 en 2012 heeft eiseres werken laten uitvoeren aan het onroerend goed. Het gebouw werd hierbij omgevormd tot een kantoorgebouw.
De vraag is of het gebouw na uitvoering van de werken in 2011 en 2012 een nieuw gebouw betreft in het kader van de BTW-wetgeving of niet.
Volgens verweerder betreft het geen nieuw gebouw en hij verwijst hiervoor naar de BTW-handleiding, punt 152/2 betreffende de criteria die in aanmerking worden genomen om te beoordelen of een oud gebouw, na de uitvoering van de werken, al dan niet moet worden beschouwd als een nieuw gebouw.
Het is duidelijk dat voormelde handleiding en criteria geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve richtlijnen geen bindend karakter.
De wettekst is evenwel veel beperkter dan de administratieve invulling in de handleiding waarop de controleambtenaar zich gebaseerd heeft. De rechtbank kan een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen.
Het onderscheid tussen, na uitvoering van werken, een nieuw gebouw of een oud gebouw, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden.
Vast staat dat eiseres vóór of tijdens de uitvoering van de werken geen stedenbouwkundige vergunning heeft aangevraagd. Pas op 28 juni 2017 (na neerlegging van het verzoekschrift) wordt door eiseres een regularisatie dossier ingediend bij de stedenbouwkundige dienst. Eiseres legt tekeningen neer opgemaakt door architectenbureau Dugardyn waaruit blijkt dat de grootste wijziging betreft de ommuring van de binnenkoer, een toilet op de binnenkoer wordt verplaatst en de veranda die wordt omgevormd tot een keuken. De facturen betreffen opruimwerken, pleisterwerken, levering 1 houten raam, beton en stabilisé, binnendeuren, valse plafons, parket, stijlmuren, spanplafonds, verwarmingsinstallatie, sanitair, roofing voor plat dak, koepel, nieuwe elektriciteit en verlichtingsmateriaal, schilderwerken, nieuwe beglazing, keukens, kantoorinrichting, rolgordijnen, cilindersloten, inbraakbeveiliging, architect (… EUR exclusief BTW), buizen, hout tegels, belettering, bureauverlichting, en configuratie netwerk. Het totaal gefactureerde bedrag bedroeg … EUR exclusief BTW. Het kadastraal inkomen van het gebouw werd niet gewijzigd na de werken. Pas in 2018 werd op vraag van eiseres het kadastraal inkomen herschat.
De rechtbank stelt op basis van de uitgevoerde werken en de gefactureerde materialen (rioleringsmateriaal … EUR, snelbouwbaksteen … EUR, klinkers … EUR, gevelstenen … EUR, beton 500 kg., stabilisé 500 kg., roofing … EUR, ...) vast dat de wezenlijke elementen van het gebouw door de werken niet werden gewijzigd. De werken werden voornamelijk uitgevoerd aan de binnenkant van het gebouw en hebben tot doel het comfort te verbeteren en het gebouw geschikt te maken als kantoorruimte. De wezenlijke elementen en de structuur van het gebouw zijn niet gewijzigd. De bestemmingswijziging van het gebouw is niet voldoende om te kunnen spreken van een nieuw gebouw in de zin van de BTW-wetgeving. Eiseres stelt ten onrechte dat de kostprijs van de werken ten minste 60 % bedraagt van de verkoopwaarde van het gebouw na de werken. Eiseres bewijst de verkoopwaarde van het gebouw na uitvoering van de werken niet. Bovendien zitten in de kostprijs van de werken de kosten voor inrichting van het kantoor (rolgordijnen … EUR, kantoorinrichting … EUR, keukens met toestellen … EUR en verlichtingsmateriaal) en deze kosten hebben geen betrekking op de wezenlijke elementen of de structuur van het gebouw.
Het gebouw na de uitvoering van de werken in 2011 en 2012 betreft derhalve geen nieuw gebouw in de zin van de BTW-wetgeving.
Volgens eiseres werden er na 2012 nog structurele werken uitgevoerd. De rechtbank stelt evenwel vast dat de maatschappelijke zetel van eiseres vanaf 01 februari 2012 werd overgebracht naar het adres van het gebouw en dat vanaf dan het gebouw effectief gebruikt werd als kantoorruimte. Het lijkt dan ook onwaarschijnlijk dat eiseres later nog werken heeft later uitvoeren die wijzigingen hebben aangebracht aan de wezenlijke elementen van het gebouw en aan de structuur van het gebouw.
2. Historische BTW
Bij het verkrijgen van de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige met recht op BTW-aftrek vanaf 01 januari 2014, heeft eiseres recht om een historische BTW-aftrek uit te oefenen op basis van artikel 21bis §1 K.B. nr. 3 van 10 december 1969. Op het ogenblik van de in 2011 en 2012 uitgevoerde werken had eiseres nog geen recht op BTW-aftrek. Vanaf 01 januari 2014 ontstond voor deze historische BTW recht op aftrek voor de nog te lopen jaren van het herzieningstijdvak. Hieromtrent is er geen betwisting.
Eiseres is verkeerdelijk uitgegaan van een herzieningstijdvak van 15 jaar voor een nieuw gebouw. Zoals reeds geoordeeld betreft het gebouw na uitvoering van de werken in 2011 en 2012 geen nieuw gebouw (zie punt 1). Zodoende bedraagt het herzieningstijdvak slechts 5 jaar (artikel 9 §1 K.B. nr. 3 van 10 december 1969).
Het tijdvak van 5 jaar begint te lopen vanaf 01 januari van het jaar waarin het recht op aftrek ontstaat (artikel 9 §1 K.B. nr. 3 van 10 december 1969). Verweerder heeft evenwel rekening gehouden met het jaar van ingebruikneming van de woning bij toepassing van E.T. nr. 121.450 van 27 maart 2012.
C. Betreffende de kosten
Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017,1° lid van het Gerechtelijk Wetboek de gerechtskosten dragen.
Verweerder werd niet bijgestaan door een advocaat, zodat hij geen recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze ten haren laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge op zeventien december tweeduizend achttien.
Aanwezig zijn…
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.