Remboursement de la taxe, poursuite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 29 mai 2007

Rechercher
Texte en néerlandais

Remboursement de la taxe, poursuiteTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/remboursement-taxe-poursuite-tribunal-bruges-2007-05-29-33a7

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
29 mai 2007

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

54 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 29.02.2007

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 05/3820/A Rep. nr. 2007/7598

de heer K. V., advocaat, kantoorhoudend te …, …, handelend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement BVBA W. and S. A. and C. (ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …,

eiser,

voor wie is opgetreden Meester R. D., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, Belasting en Invordering, Sector BTW, in de persoon van de e.a. Inspecteur van de BTW-Controle Veurne, met kantoren te 8630 Veurne, Peter Benoitlaan 4,

verweerder,

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het verzoekschrift ter griffie neergelegd d.d. 29 december 2005.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 24 april 2007.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. BVBA W. and S. A. and C. (WSAC) was sedert 1 april 2001 ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van drankgelegenheid met snacks. Zij was derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 2 januari 2002 werd BVBA WSAC door de Rechtbank van Koophandel te Veurne in staat van faillissement verklaard en werd Mr. K. V. aangesteld als curator.

Op 27 december 2005 diende eiser 2 BTW-aangiften in, respectievelijk voor het 4° kwartaal 2001 en het 1° kwartaal 2002. Hierbij werd overeenkomstig artikel 76, § 1 W.BTW aanvraag gedaan tot terugbetaling van respectievelijk 2.856,87 EUR en 9,02 EUR

Veiligheidshalve heeft eiser huidige procedure gestart teneinde de vordering en de belangen van de failliete boedel te vrijwaren.

2. Eiser vraagt dat :

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- verweerder wordt veroordeeld tot betaling van 2.865,89 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intresten;

- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding;

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiser onontvankelijk minstens ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. Eiser steunt zijn vordering tot teruggave van het BTW-tegoed op artikel 76 W.BTVV en artikel 14 KB nr. 4 met betrekking tot de teruggaven van de belasting over de toegevoegde waarde.

2. Volgens verweerder is de vordering tot teruggave van het BTW-tegoed verjaard. Hij verwijst hieromtrent naar artikel 82 en 82bis W.BTW.

3. Conform artikel 82 W.BTW. begint de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de intresten en van de administratieve boete te verjaren de dag dat deze vordering ontstaat.

Conform artikel 82bis W.BTW is er verjaring van de betreffende vordering, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, intresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

4. De oorzaak van teruggaaf van het BTW-tegoed met betrekking tot de beroepshandelingen van het 4° kwartaal 2001 en het 1° kwartaal 2002 vindt plaats op het moment dat deze beroepshandelingen worden gesteld. De vordering tot teruggaaf van het verschil tussen de aftrekbare BTW en de verschuldigde BTW daarentegen ontstaat op het tijdstip waarop de aangifte is ingediend samen met de aanvraag tot terugbetaling van het BTW-tegoed.

Dit betekent dat conform artikel 82 en 82bis W.BTW de vordering tot teruggaaf van de belasting m.b.t. de beroepshandelingen verricht in het 4° kwartaal 2001 verjaarde op 31 december 2004. De aanvraag tot teruggaaf van het BTW-tegoed overeenkomstig artikel 76, § 1 W.BTW moest dus ingediend zijn ten laatste op 31 december 2004. De aanvraag werd pas ingediend op 27 december 2005 zodat de vordering tot teruggaaf van het BTW-tegoed verjaard is.

Eiser diende ook een aanvraag tot teruggaaf van het BTW-tegoed in voor het 1° kwartaal 2001. Reeds op 2 januari 2001 werd BVBA WSAC failliet verklaard zodat de beroepshandelingen die zijn opgenomen in de BTW-aangifte van het 1° kwartaal 2002 wel moeten verricht zijn in het 4° kwartaal 2001. Conform artikel 82 en 82bis W.BTW verjaarde de vordering dan ook op 31 december 2004. De aanvraag tot teruggaaf van het BTW-tegoed overeenkomstig artikel 76, § 1 W.BTW moest dus ingediend zijn ten laatste op 31 december 2004. De aanvraag werd pas ingediend op 27 december 2005 zodat de vordering tot teruggaaf van het BTW-tegoed verjaard is.

5. Artikel 14 van het KB nr.4 met betrekking tot de teruggaven van de belasting over de toegevoegde waarde is niet van toepassing daar dit enkel betrekking heeft op de termijn om de vordering tot teruggave voor de rechtbank in te stellen en niet op de termijn binnen dewelke de aanvraag tot teruggave moet gebeuren.

6. De eis is zodoende ongegrond.

C. Betreffende de kosten

Gezien eiser in het ongelijk wordt gesteld, moet hij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger. W. de gerechtskosten dragen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op 364,40 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op dinsdag negenentwintig mei tweeduizend en zeven.

Aanwezig zijn :

D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. L. D. P.

Textes cités

1
AR no 4 art. 142 occurrences