Preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 29 septembre 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-tribunal-gand-2009-09-29-64f9

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
29 septembre 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

63 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Gand du 29.09.2009

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZESDE FISCALE KAMER – OPENBARE TERECHTZITTING VAN 29 SEPTEMBER 2009

AR nr. 01/3602/A

In de zaak van :

V. D. B. E., wonende te …, … en met ondernemingsnummer …

eiser,

hebbende als raad Mter V. D., advocaat te …, …

tegen :

1. DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12,

2. DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Rekenplichtige Ontvanger van het BTW-kantoor te Sint-Niklaas, met kantoren te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 2

3. DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Inspecteur van het Controlekantoor Beveren, met kantoren te 9120 Beveren-Waas, Stationsplein 3

verweerder,

hebbende als raad Mter Ph. V., advocaat te …, …

Vonnist de rechtbank als volgt :

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de dagvaardingsexploten de dato 26 september 2001 in verzet en teruggaaf en de dato 28 september 2001.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 30 juni 2009 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad genomen.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

2.1. Eiser is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE … voor de activiteit van handelaar in brandstoffen. Hij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving ende ten uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 3 mei 1993 werd door L. H., verificateur bij de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, verbonden aan het BTW-controle kantoor te Beveren, een controle gestart over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de jaren 1990 en 1991.

Op 20 april 1995 werden de overtredingen en vaststellingen voor de jaren 1990 en 1991 opgenomen in een proces-verbaal door voornoemde ambtenaar. Volgens verweerder was eiser in gebreke gebleven om de periodieke aangiften voor het tijdvak van 1 januari 1990 tot 31 december 1991 in te dienen.

Bij brief de dato 29 juli 1993 zou aan eiser kennis gegeven zijn van het voornemen van de BTW-administratie om een ambtshalve aanslag te vestigen. Eiser stelt geen weet te hebben van voormelde kennisgeving.

Eiser diende vooralsnog zijn aangiften in. Op 5 april 1995 ging verweerder over tot het vestigen van een ambtshalve aanslag overeenkomstig artikel 66 W.BTW.

Op 28 augustus 1995 werd een dwangbevel uitgevaardigd door A. V. d. B., ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Sint-Niklaas, dat op 30 augustus 1995 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door W. H., hoofdcontroleur BTW-Beveren. Dit dwangbevel werd op 13 september 1995 aan eiser betekend. Tegen dit dwangbevel tekende eiser verzet aan.

2.2. Eiser vraagt dat : de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, dienvolgens dat het bestreden dwangbevel en de bestreden ambtelijke aanslag vernietigd worden en dat gezegd wordt voor recht dat eiser de met het bestreden dwangbevel van hem gevorderde bedragen niet verschuldigd is en dat teruggaaf bevolen wordt van alle bedragen die door de administratie werden toegerekend of ingehouden op voornoemde schuld inclusief de moratoriuminteresten en dat verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

2.3. Verweerder vraagt dat : de vordering onontvankelijk minstens ongegrond verklaard wordt, minstens dat de vordering tot teruggaaf van het bedrag van 1005,63 EUR ongegrond verklaard wordt, rekening houdende met de verjaring en dat eiser veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van deze vordering kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

a. Eiser stelt dat in casu geen voorafgaande kennisgeving van ambtshalve aanslag verzonden is geworden zodat de ambtelijke aanslag nietig is.

b. Verweerder voert desaangaande geen verweer.

c. Krachtens artikel 1, lid 1 van het KB nr. 9 de dato 12 maart 1970 dient de administratie, alvorens de in artikel 66 W.BTW bedoelde ambtelijke aanslag op te leggen, de schuldenaar van de belasting bij ter post aangetekende brief in kennis te stellen van de feiten die de aanslag rechtvaardigen, van het tijdvak waarop de ambtshalve aanslag betrekking heeft, van het vermoedelijk bedrag van de beoogde handelingen, van het bedrag van de terzake van die handelingen opeisbare belasting, van de verantwoording van de wijze waarop die belasting werd berekend en van het bedrag van de verbeurde geldboeten.

Blijkens de ambtshalve aanslag de dato 7 april 2005 werd op 29 juli 1993 aan eiser het voornemen om een ambtshalve aanslag te vestigen door verweerder ter kennis gebracht bij aangetekend bericht (stuk 2 - eiser).

Eiser stelt geen kennis gekregen te hebben van dit aangetekend bericht.

De Rechtbank stelt samen met eiser vast dat de door verweerder overlegde voorafgaandelijke kennisgeving de dato 29 juli 1993 geen briefhoofd heeft. Ook werd het kwestieuze voorgelegde stuk niet ondertekend zodat het niet voldoet aan de gestelde vereiste van ondertekening (Antwerpen, 9 september 2003, Njw nr. 35, p. 16 e.v.) (stuk 6 - eiser).

Door verweerder wordt geen bewijs voorgelegd van een aangetekende verzending van de kwestieuze voorafgaande kennisgeving.

Het feit dat verweerder respectievelijk ongeveer vijf en zeven maanden na de kwestieuze kennisgeving de BTW aangiften indienen, leidt er niet toe te besluiten dat de aangiften ingediend werden na verzending van de kwestieuze voorafgaande kennisgeving.

Verweerder toont derhalve niet aan dat eiser voorafgaandelijk aangetekend in kennis werd gesteld van de kwestieuze aanslag van ambtswege.

In die omstandigheden moet aangenomen worden dat deze procedurevorm niet werd nageleefd en de beslissing tot ambtelijke aanslag de dato 7 april 2005 nietig is. Het bestreden dwangbevel is op zijn beurt nietig daar het steunt op deze nietige ambtshalve aanslag.

De vordering van eiser is gegrond.

De overige grieven dienen niet onderzocht te worden daar een eventueel gegrond verklaren ervan niet tot een groter voordeel van eiser zou kunnen leiden.

3.3. nopens de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld en moet overeenkomstig artikel 1017, lid 1 Ger.W. de gerechtskosten dragen. De gerechtskosten belopen het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding van 2.500,00 EUR, zoals gevorderd, gelet op het feit dat de waarde van de vordering valt in de schijf van 40.000,00 tot 60.000,00 EUR.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt het bestreden dwangbevel uitgevaardigd op 28 augustus 1995 door A. V. d. B., ontvanger van het BTW-Ontvangkantoorte Sint-Niklaas en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 30 augustus 1995 door W. H., hoofdcontroleur bij het BTW-Ontvangkantoor te Beveren en aan eiser ter kennis gebracht bij gerechtsdeurwaardersexploot de dato 13 september 1995;

Vernietigt de bestreden ambtelijke aanslag de dato 5 april 1995 uitgaande van de gewestelijke directeur a.i. bij de toenmalige Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen.

Zegt voor recht dat eiser de met het bestreden dwangbevel van hem gevorderde bedragen niet verschuldigd is.

Beveelt teruggaaf van alle bedragen die door de Administratie werden toegekend of ingehouden op de voornoemde schuld inclusief de moratoriumintresten.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eiser begroot op 2.500,00. EUR basisrechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op dinsdag negenentwintig september tweeduizend en negen, waar aanwezig waren :

Mevrouw A. H., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw G. L., griffier.

G. L. A. H.

Textes cités

1
AR no 9 art. 11 occurrence