Preuve, mesure de contrôle, exportation, importation, opération intracommunautaire, poursuite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 21 janvier 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Preuve, mesure de contrôle, exportation, importation, opération intracommunautaire, poursuiteTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-exportation-importation-tribunal-anvers-2004-01-21-a983

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
21 janvier 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

104 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 21.01.2004

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op éénentwintig januari tweeduizend en vier in openbare zitting van de 2F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., rechter, voorzitter van de kamer,

P. W., rechter,

N. V., rechter,

N. D., adjunct-griffier.

Inzake : A.R. Nr. 99/7147/A

S. BVBA

met Btw-nummer, ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …,

EISENDE PARTIJ

- niet verschijnend.

tegen :

DE BELGISCHE STAAT,

Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van

-de eerstaanwezend inspecteur van het derde Btw-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

VERWERENDE PARTIJ

-verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

En inzake : A.R. Nr. 99/7335/A

S. BVBA.,

met Btw-nummer, ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

EISENDE PARTIJ

- niet verschijnend.

tegen :

DE BELGISCHE STAAT,

Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van

-de eerstaanwezend inspecteur van het derde Btw-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

VERWERENDE PARTIJ

-verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :

Inzake : A.R. Nr. 99/7147/A

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 8 december 1999,

- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 31 maart 2003,

Inzake : A.R. Nr. 99/7335/A

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder M. B. te … op 13 december 1999,

- de conclusie van verwerende partij neergelegd ter griffie op 31 maart 2003.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord verwerende partij in haar middelen en gezegden ter zitting van 5 november 2003.

Overwegende dat eisende partij, alhoewel behoorlijk opgeroepen bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek, niet is verschenen, noch iemand voor haar.

Overwegende dat het voordeel van artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek werd gevorderd.


Inzake A.R. 99/7147/A

De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg. …, uitgevaardigd op 9 augustus 1999 en uitvoerbaar verklaard op 11 augustus 1999, te vernietigen, dienvolgens te zeggen voor recht dat eiseres de door verweerder gevorderde bedragen niet verschuldigd is, verweerder te veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of door eiseres betaalde bedragen aan eiseres terug te betalen, meer de intresten en de kosten van het geding.

Inzake A.R. 99/7335/A

De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg. …, uitgevaardigd op 9 augustus 1999 en uitvoerbaar verklaard op 11 augustus 1999, te vernietigen, dienvolgens te zeggen voor recht dat eiseres de gevorderde bedragen niet verschuldigd is, verweerder te veroordelen ,om alle ten onrechte ingehouden en/of door eiseres betaalde bedragen aan eiseres terug te betalen, meer de intresten en de kosten van het geding.

Samenvoeging

Deze 2 zaken, gekend onder A.R. 99/7147/A en A.R. 99/7335/A, zijn nauw samenhangend en worden omwille van een goede rechtsbedeling samengevoegd zodat de rechtbank uitspraak doet in één vonnis.

Relevante feiten

Eiseres heeft een groothandel in kleding en kledingaccessoires en zou intracommunautaire leveringen verricht hebben.

Volgens de administratie werden echter geen bewijzen met betrekking tot het intracommunautair vervoer en de uitvoer voorgelegd.

Beoordeling

Betreffende de toelaatbaarheid van de vordering ingeleid bij verzoekschrift inzake A.R. 99/7147/A

Krachtens artikel 700 Ger.W. worden hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift. De artikelen 860 en 861 Ger.W. kunnen niet worden toegepast op de schending van deze regel die onder de rechterlijke organisatie ressorteert (Cass. 27 mei 1994, R.W. 1994-95, 1017).

Bijgevolg moet een vordering in de regel door middel van een dagvaarding bij gerechtsdeurwaarderexploot worden ingesteld en mag het verzoekschrift slechts gebruikt word::n wanneer de wet het toelaat of voorschrijft.

Wanneer geen wettelijke afwijking is voorzien, is een gedinginleiding anders dan via dagvaarding of vrijwillige verschijning ongeldig en is de vordering aldus ontoelaatbaar.

Het oude artikel 89, lid 2 en 3 W.BTW, dat in voege was ,·vóór de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalde dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding en dat de vordering aanhangig wordt gemaakt bij de rechtbank waaronder het kantoor van de ambtenaar, die het dwangbevel heeft uitgevaardigd, ressorteert.

Artikel 59 van voornoemde wet van 15 maart 1999 (in werking getreden op 6 april 1999) bepaalt dat voornoemd artikel 89, lid 2 en 3 wordt vervangen door de volgende bepaling : "De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte."

Verder werd ingevolge artikel 9 van voornoemde wet van 23 maart 1999 (eveneens in werking getreden op 6 april 1999) in het Gerechtelijk Wetboek onder meer artikel 1385decies ingevoegd, luidend als volgt : "Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569 ,lid 1 ,32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak..."

Krachtens artikel 3 Ger.W. is een nieuwe wet op de rechtspleging onmiddellijk van toepassing, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald.

Bij gevolg wordt vanaf 6 april 1999 in de regel de vordering tegen de belastingadministratie bij verzoekschrift op tegenspraak ingesteld.

In artikel 97, lid 1 van voornoemde wet van 15 maart 1999 is echter een uitzondering bepaald op de onmiddellijke toepassing van deze nieuwe wet op de rechtspleging, namelijk : Voor zover zij de procedureregels wijzigen is voornoemd artikel 59, dat artikel 89, lid 2 en 3 W.BTW wijzigt, slechts van toepassing op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.

Te dezen heeft de oorzaak van eisbaarheid zich ontegensprekelijk voorgedaan vóór 1 januari 1999 zodat het oude artikel 89, lid 2 en 3 W.BTW van toepassing is en de vordering dan ook diende ingesteld te worden door middel van een dagvaarding.

Aangezien de vordering echter bij verzoekschrift werd ingesteld en aangezien de wet het in casu niet toeliet of voorschreef het verzoekschrift te gebruiken, is deze vordering dan ook ontoelaatbaar.

Betreffende de intracommunautaire leveringen

Krachtens artikel 39bis, lid 1, 1° W.BTW zijn de leveringen van goederen vrijgesteld van de belasting indien :

- de leveringen worden verricht door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, §2,

- de leveringen worden verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die aldaar ertoe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen,

- de leveringen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van de belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, §4,

- de goederen worden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap door de verkoper, de koper of voor hun rekening.

Artikel 39bis,lid 2 W.BTW heeft aan de Koning opgelegd de beperkingen en voorwaarden te bepalen die voor de toepassing van deze vrijstelling moeten worden nageleefd, hetgeen hij deed bij KB nr. 52 van 29 december 1992.

Krachtens voornoemd KB nr. 52 is de vrijstelling van artikel 39bis,lid 1, 1° W.BTW afhankelijk van de volgende voorwaarden :

- het bewijs dient geleverd te worden dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap (artikel 1) en de verkoper, te dezen eiseres, moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; die stukken zijn ondermeer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken (artikel 3),

- het bewijs dient geleverd te worden dat de levering is geschied voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat (artikel 2).

Bijgevolg heeft eiseres, die :zich beroept op de vrijstelling, de bewijslast en dient zij dan ook het bewijs te leveren dat zij voldoet aan alle voorwaarden van de vrijstelling, bij gebreke waaraan de belasting verschuldigd is.

Vooreerst dient te worden nagegaan of de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap.

Eiseres dient het bewijs van het bestaan van de echtheid van het vervoer of de verzending van de goederen buiten België maar binnen de Gemeenschap te leveren via een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende handelsstukken die aantonen dat aan de voorwaarden 'voor de vrijstelling is voldaan waarbij elk bewijsstuk is toegelaten, doch waarbij geen enkel bijzonder stuk op zich voldoende of noodzakelijk is; de opsomming van mogelijke bewijsstukken in artikel 3 van het KB nr. 52 is immers niet exhaustief.

Bijgevolg kan eiseres deze vrijstellingsvoorwaarde bewijzen met alle middelen van het gemeen recht, uitgezonderd de eed, zonder strikte, formele vereisten zodat deze voorwaarde dan ook niet strikt, doch integendeel ruim wordt toegepast.

De Btw-administratie moet zich door middel van een sluitend geheel van bewijselementen immers kunnen vergewissen van het feit dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat

Krachtens het KB nr. 52 blijft eiseres verantwoordelijk voor de betaling van de BTW met betrekking tot de leveringen en is zij hiervan pas ontslagen wanneer zij kan bewijzen dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap.

Het bewijs door de leverancier van de werkelijkheid van het vervoer der goederen is uiteraard veel gemakkelijker te leveren wanneer hij het vervoer regelt, ofwel zelf, ofwel via een transportonderneming die voor zijn rekening optreedt, daar de leverancier in zulk. Geval (onmiddellijk over de benodigde (transport)documenten kan beschikken.

In geval het vervoer wordt verricht door de koper met eigen vervoermiddelen, is het voor de leverancier moeilijker om te beschikken over documenten die het vervoer zelf bevestigen.

Wanneer het twijfelachtig is dat de goederen werkelijk door de koper worden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat, dient de leverancier dan ook voorzichtig te werk te gaan.

Zo nodig diende eiseres aan de koper dan ook BTW aan te rekenen en hem die BTW terug te betalen op het ogenblik dat het door middel van een geheel van overeenstemmende stuk, ken zeker was dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat zodat aan eiseres dan ook een werkbare oplossing wordt aangeboden.

Indien eiseres niet in staat is om documenten voor te leggen die het vervoer van de goede­ ren naar een andere Lid-Staat bewijzen, loopt zij immers het risico dat zij met eigen fondsen de Belgische BTW zal dienen te voldoen, alsmede desgevallend boetes en nalatigheidsintresten.

Eiseres, die zich beroept op de vrijstelling, heeft de bewijslast om aan te tonen dat zij voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarde en dat de goederen bijgevolg werkelijk werden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap.

Bij gebreke aan dit bewijs is de administratie gerechtigd de vrijstelling te verwerpen ondanks het bestaan van onder meer bestelbons en facturen. Er anders over oordelen zou immers de administratie elke werkelijkheid tot controle op het vervuld zijn van de vrijstellingsvoorwaarde ontnemen.

Eiseres· levert niet het minste bewijs dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat

Eiseres faalt in haar bewijslast en bewijst dit evenmin door middel van feitelijke vermoedens.

Aangezien eiseres niet voldoet aan deze vrijstellingsvoorwaarde, dient dan ook niet verder te worden nagegaan of de leveringen zijn geschied voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat.

Bijgevolg was de Btw-administratie dan ook gerechtigd de vrijstelling te verwerpen zodat de belastingen dan ook verschuldigd zijn door eiseres.

De geldboete is wettig en voldoende gemotiveerd.

Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.

Dispositif

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak ten opzichte van verweerder en rechtdoende bij vonnis dat overeenkomstig artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen ten opzichte van eiseres.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Na erover beraadslaagd te hebben.

Voegt de beide zaken, gekend onder A.R. 99/7147/A en A.R. 99/1335/A, samen wegens samenhang en in het belang van een goede rechtsbedeling en doet uitspraak in één vonnis.

Verklaart de vordering inzake A.R. 99/7147/A ontoelaatbaar.

Verklaart de vordering inzake A.R. 99/7335/A toelaatbaar, doch ongegrond en wijst ze af.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op tweemaal … EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op éénmaal … EUR rechtsplegingsvergoeding voor beide samengevoegde zaken.

Textes cités

1
AR no 52 art. 31 occurrence