Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 22.12.2011
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTINGHOUDENDE TE HASSELT 11A KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE AR. 11/104/A
V. S., wonende te …, ….
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. K. G., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12 vertegenwoordigd door de gewestelijk directeur van de BTW-directie te Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40.
verweerder,
vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde de heer R. V., fiscaal deskundige, dienstdoend e.a. inspecteur.
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
• het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 07.01.2011;
• de conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;
• de conclusies en stukken van eiseres.
I. FEITEN EN VOORGAANDEN
Eiseres was ingevolge de door haar uitgeoefende werkzaamheid van recreatie- en ontspanningsactiviteiten (begeleiden van kinderfeestjes) geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTWnummer …) en zodoende onderworpen aan de BTWwetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.
Op 30.04.2008 diende eiseres haar jaarlijkse lijst van BTW-plichtige afnemers in voor het jaar 2008.
Daar er op deze lijst geen bedrag was vermeld van de gerealiseerde omzet voor het jaar 2008 werd aan eiseres op 19.06.2009, door de administratie schriftelijk verzocht om deze omzet mee te delen.
Eiseres houdt voor dat zij dit bericht aan haar boekhouder bezorgde dewelke op 26.06.2009 per mail aan de administratie zou hebben meegedeeld dat er geen omzetcijfer werd ingevuld omdat eiseres geen inkomsten had genoten en omdat er geen facturaties werden uitgevoerd naar derden. Eiseres overlegt aan de rechtbank een mailbericht gericht aan mevr. R. V., Ministerie van Financiën (zie stuk 1, bundel eiseres).
De administratie stelt dat zij op 03.07.2009 en 29.07.2009 een herinnering van dit schrijven van 19.06.2009 aan eiseres zou verstuurd hebben, doch zij overlegt deze stukken niet aan de rechtbank.
Op 01.09.2009 werd er door de administratie een herinneringsbrief verzonden aan eiseres waarbij de administratie wederom verzocht aan eiseres om haar omzet mee te delen (zie stuk 1, bundel verweerder).
De boekhouder van eiseres bevestigde aan haar dat hij op 09.09.2009 dezelfde mail van 26.06.2009 tesamen met het voorblad van de aanmaning van eiseres aan de betrokken diensten heeft gefaxt. Hij bezorgde hiervan een faxbevestiging aan eiseres (zie stuk 2, bundel eiseres).
Op 06.10.2009 werd er een proces-verbaal opgesteld waarin onder meer werd gesteld :
"(...) Op 19/06/2009 een verzoek tot inlichtingen aangaande de klantenlisting van het jaar 2008 te hebben verstuurd aan MW V. S. M., … te …, geregistreerd onder het BTW-nr. … voor de activiteit van: overige recreatie- en ontspanningsactiviteiten.
Op 03/07/2009 werd een herinnering verstuurd. Mw. V., voornoemd, heeft hierop niet geantwoord.
Op 29/07/2009 en op 01/09/2009 werd aan Mw V., voornoemd, een herinneringsbericht gestuurd met het verzoek om hierop te reageren teneinde een boete te vermijden.
Tot op heden heeft zij hierop niet gereageerd (...)"
In het proces-verbaal werd overeenkomstig art. 70, § 4 W.BTW en volgens de bepalingen van de eerste afdeling, XVI van de bijlage van het KB nr. 44 van 21.10.1993 wegens inbreuk op art. 62, § 1 W.BTW een geldboete van … euro opgelegd (zie stuk 2, bundel verweerder).
Op 17.02.2010 ging D. S., waarnemend e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor van Hasselt, over tot de opstelling van het dwangbevel gesteund op het proces-verbaal van 06.10.2009. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de waarnemend e.a. inspecteur van de BTW te Leopoldsburg daartoe aangewezen door de gewestelijk directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt (zie stuk 5, bundel verweerder).
In dit dwangbevel werden de hierna volgende bedragen gevorderd :
- een wettelijke geldboete in toepassing van art. 70, § 4 W.BTW ten bedrage van … euro;
- de intresten over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van art. 91, § 4 W.BTW;
- de vervolgingskosten.
Bij exploot van gerechtsdeurwaarder M. D., vervanger van gerechtsdeurwaarder J. K., van 19.03.2010 werd het dwangbevel van 17.02.2010 en het proces-verbaal van 06.10.2009 ter kennis gebracht (zie stuk 5, bundel eiseres).
Op 25.03.2010 diende eiseres een verzoekschrift in tot kwijtschelding van de boete (zie stuk 6, bundel verweerder).
Op 08.10.2010 besliste de gewestelijke directeur om geen kwijtschelding van de boete toe te staan daar eiseres niet voldoende bewijskrachtige elementen kan overleggen die de gemaakte overtreding konden weerleggen (zie stuk 7, bundel verweerder).
Inmiddels werd door het huidige boekhoudkantoor de BTW-listing nog eens ingediend op 26.11.2010 (zie stuk 3, bundel eiseres).
Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter zitting van deze rechtbank op 07.01.2011, heeft eiseres een vordering in rechte ingeleid.
ll. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde
Eiseres streeft de kwijtschelding van de opgelegde geldboete na.
Verweerder wijst erop dat de in art. 70 W.BTW opgelegde administratieve boeten van rechtswege worden opgelopen door het loutere feit van de overtreding, ongeacht of er goede of kwade trouw aanwezig was.
In zijn arrest nr. 22/99 van 24 februari 1999 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de interpretatie van de voorheen geldende wettelijke bepalingen, als zou de burgerlijke rechter geen volheid van rechtsmacht hebben om over de administratieve geldboetes te oordelen, ongrondwettelijk is. Het Hof oordeelde het onverenigbaar met de G.W. dat een burgerlijke rechter die een repressieve fiscale boete moet beoordelen, geen rekening zou kunnen houden met bepaalde omstandigheden, terwijl een strafrechter wel verzachtende omstandigheden in rekening kan brengen. Deze rechtspraak impliceert dat de belastingplichtigen de mogelijkheid moeten hebben om door een rechter te laten beoordelen of de repressieve fiscale boete in rechte en in feite verantwoord is, en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen, die de administratie in acht moet nemen, werden geëerbiedigd. Eén van deze beginselen is het evenredigheidsbeginsel. Verder impliceert deze rechtspraak eveneens dat indien de administratie de mogelijkheid heeft de sanctie te moduleren (in de zin van een gedeeltelijke vermindering of kwijtschelding), niets wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter mag ontsnappen (Grondwettelijk Hof 24 februari 1999, A.A. 1999, 257; B.S. 30 april 1999; Fiscoloog 1999, afl. 697, 5; F.J.F. 1999, 489; J.L.M.B. 1999, 532; J.T. 1999, 45; T.F.R. 1999, 385, met noot B.
COOPMAN en G. STESSENS, "Mensenrechtelijke waarborgen toepasselijk op de administratieve fiscale boete : reflecties bij de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Arbitragehof').
In drie arresten van 24 januari 2002 oordeelde het Hof van Cassatie dat de rechtbanken en hoven de wettelijkheid van de administratieve boetes mogen onderzoeken en mogen nagaan of de feitelijke en wettelijke voorwaarden vervuld zijn voor die sancties, en of die sancties verzoenbaar zijn met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, waaronder de evenredigheid met de inbreuk (zie Cass. 24 januari 2002, T.F.R. 2002, 765, met noot B. COOPMAN en K. LAMMENS).
Het Hof van Cassatie aanvaardt alleen een evenredigheidstoetsing, waarbij de rechtbanken en hoven inzonderheid acht mogen slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Binnen het kader van deze evenredigheidstoetsing neemt het Hof van Cassatie wel aan dat de rechtbanken en hoven de administratieve boetes kunnen verminderen tot onder het wettelijk bepaald minimum in geval van vastgestelde onevenredigheid (zie VANDENBERGHE, L. "De rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten : een stand van zaken", Fisc. Act. 2003, nr. 14, 10 april 2003, nrs. 3 en 4, p. 10).
Daarentegen meent het Hof van Cassatie dat het toetsingsrecht van de rechtbanken en hoven niet inhoudt dat zij om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke voorschriften in de opgelegde boetes kunnen verminderen of kwijtschelden (zie VANDENBERGHE, L. "De rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten een stand van zaken', o.c. 9 e.v.).
Op 4 maart 2004 werd voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie van 24 januari 2002 kritisch benaderd door het E.H.R.M., dat oordeelde dat het Hof van Cassatie op te algemene wijze had beslist dat motieven van billijkheid en opportuniteit niet mogen meespelen in de rechterlijke beoordeling (zie COOPMAN, B. "Rechterlijke toetsing van fiscale boetes : cassatie teruggefloten door Straatsburg", noot onder E.H.R.M. 4 maart 2004, T.F.R. 2004, 642).
Toch bleef het Hof van Cassatie bij zijn weigering om de rechterlijke opportuniteitscontrole toe te laten naar analogie met het Regentsbesluit van 18 maart 1831, het zg. Organiek besluit van het bestuur van 's lands middelen. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het toetsingsrecht van de rechtbanken en hoven niet inhoudt dat deze op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boetes kunnen verminderen of kwijtschelden ( zie Cass. 21 januari 2005, Fiscoloog nr. 969, p. 7; Cass. 30 november 2006, R.G.C.F. 2007, 363, met noot M. MORIS, "Le pouvoir d'appréciation du juge en matière d'amendes fiscales"; Cass. 16 februari 2007 (4 arresten), T.F.R. 2007, 934, met noot G. GOOSSENS, "Redelijkheid, evenredigheid en proportionaliteit. Het standpunt van het Hof van Cassatie inzake de rechterlijke toetsing van fiscale geldboetes". Zie ook : B. COOPMAN, "Hof van Cassatie vindt verzachtende omstandigheden te "subjectief"', Fisc. Act. 2005, nr. 7, 24 februari 2005, 5).
Op 15 mei 2008 besliste het Grondwettelijk Hof evenwel dat, wanneer bij de rechter een beroep wordt ingesteld tegen een beslissing die de minister van Financiën of diens gedelegeerde op grond van art. 9 van voornoemd Regentsbesluit heeft genomen, die rechter, zoals de minister van Financiën of diens gedelegeerde, de moet kunnen kwijtschelden of verminderen (zie Grondwettelijk Hof 15 mei 2008, T.F.R. 2008, 1027, met noot B. COOPMAN, "Rechtsmacht over fiscale boetes reikt volgens Grondwettelijk Hof zo ver als Regentsbesluit").
Het Hof van Cassatie heeft zich in de arresten van 12 december 2008 en 13 februari 2009 opnieuw uitgesproken over de draagwijdte van de rechterlijke beoordeling van fiscale administratieve sancties (zie Cass., 12 december 2008 en vier arresten van 13 februari 2009, www.cass.be ). Drie van de vijf arresten bevestigen de eerdere rechtspraak. In twee andere arresten verfijnt het Hof zijn interpretatie van evenredigheidstoetsing. Het Hof bevestigt dat een evenredigheidstoetsing is toegestaan, ook al beschikt de administratie over een gebonden bevoegdheid bij het opleggen van de sanctie. In het laatste arrest van 13 februari 2009 wordt voor het eerst erkend dat de feitenrechter, mits voldoende motivering, een proportionele BTWboete kan verminderen. De feitenrechter mag binnen het kader van de evenredigheidstoetsing rekening houden met bepaalde omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige.
De rechtbank is van oordeel dat er in onderhavig geval elementen zijn aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete onevenredig is en niet in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.
De rechtbank stelt vast dat eiseres niet éénduidig het bewijs kan leveren dat de administratie tijdig de gegevens heeft "ontvangen", doch de rechtbank heeft geen enkele reden om aan de waarachtigheid te twijfelen van het mailbericht dat eiseres overlegt van haar boekhouder, gericht aan een ambtenaar van de FOD Financiën van de betrokken dienst met de nodige gegevens. Hieruit kan alleszins afgeleid worden dat eiseres het nodige heeft gedaan om de gegevens "mee te delen".
Eiseres heeft hooguit onnauwkeurig gehandeld door de gegevens per mail te verzenden en niet per aangetekend schrijven; hetgeen haar een bewijs zou verschaffen.
Bovendien stelt de rechtbank vast dat de administratie verwijst naar herhaalde herinneringsbrieven die zij zou hebben verzonden, zonder deze evenwel aan de rechtbank te overleggen. Dit gegeven overstijgt derhalve ook het loutere niveau van de bewering niet.
Nu de geldboete werd opgelegd voor een niet-intentioneel begane fout (kwade trouw wordt immers niet vermoed en wordt te dezen ook niet bewezen) maar voor een fout welke is te wijten aan een onvoorzichtigheid van eiseres, sluit in de gegeven omstandigheden het opleggen van een zware financiële geldboete van … euro niet aan bij de feiten.
De motivering in besluiten van verweerder dat eiseres in het verleden nog boetes zou gekregen hebben wegens laattijdig indienen van BTWlistings werd bij het opleggen van de boete niet in overweging genomen, zodat deze bijkomende gegevens, weergegeven in besluiten, thans de opgelegde boete niet kunnen schragen.
De boete dient dan ook te worden kwijt gescholden.
De vordering van eiseres is dan ook ongegrond.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art 13 en 14).
De vordering is in geld waardeerbaar.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond,
Verleent kwijtschelding van de opgelegde geldboete en kosten vermeld in het proces-verbaal van 06.10.2009 en het dwangbevel van 17.02.2010.
Beveelt de terugbetaling van alle sommen die wederrechtelijk op grond het dwangbevel van 17.02.201O zouden zijn geïnd of ingehouden, bestaande uit de geldboete, invorderingskosten en intresten, vermeerderd met de nalatigheidsintresten zoals voorzien in het W.BTW.
Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding en begroot deze in hoofde van eiseres op … euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A op het gerechtshof te Hasselt op 22.12.2011 alwaar aanwezig waren :
Mevrouw M. C., rechter,
Mevrouw M. C., griffier.
M. C. M. C.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.