Preuve, mesure de contrôle, disposition pénale, amende administrative, poursuite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 22 avril 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Preuve, mesure de contrôle, disposition pénale, amende administrative, poursuiteTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/preuve-mesure-controle-disposition-penale-cour-appel-bruxelles-2010-04-22-e034

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
22 avril 2010

Parcours procédural

2 étapes · 6 ans 3 mois
  1. Décision attaquéeTribunal de première instance de Bruxelles02.01.2004
  2. Décision affichéeCour d'appel de Bruxelles22.04.2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

121 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 22.04.2010

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer

Nr. van de zaak : 2004/AR/1718

IN ZAKE VAN :

De heer M. M. W., wonende te …, …,

appellant,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester L. D.B., advocaat, met kantoor gevestigd te …, ….

TEGEN :

De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de minister van de Federale Overheidsdienst Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51/57,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester J. B. loco meester J. H., advocaat, met kantoor gevestigd te …, ….


EIND ARREST - ongegrond

In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit.

PROCEDURE

Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 2 januari 2004, waarvan geen betekeningakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij gerechtsdeurwaarderexploot van 28 juni 2004.

FEITEN EN BESTREDEN VONNIS

Appellant tekende voor de eerste rechter verzet aan tegen het dwangbevel van 18 december 2001, hem betekend bij aangetekend schrijven van 19 december 2001, welk dwangbevel een BTW­bedrag in hoofdsom van … EUR en een geldboete van … EUR tot voorwerp had.

Het dwangbevel waartegen verzet volgde op een controle bij appellant, die een Chinees restaurant uitbaat, betreffende de periode van 1 januari 1997 tot 31 december 1998.

Die controle kwam na een controle bij een derde, de N.V. M., bij wie beroepsmatige aankopen zouden zijn gedaan zonder dat aan de professionele afnemer correcte facturen werden uitgereikt.

De administratie meende op basis van deze vaststellingen dat appellant dubbele aankopen - een officiële en een niet-officiële - had gedaan, en maakte toepassing van artikel 64, § 1 W.BTW, naar luid waarvan hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, wordt geacht, behoudens tegenbewijs, de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden die de belasting opeisbaar maken.

Op de niet geboekte globale factuurbedragen werd aldus de brutowinst, die bleek uit de door appellant aangegeven cijfers in de ingediende aangiften inzake BTW en personenbelasting toegepast en werd de niet met BTW belaste omzet berekend.

De eerste rechter wees de exceptie van nietigheid van het dwangbevel af, afgeleid uit het gebrek aan motivering, evenals het middel van de ongegrondheid van de navordering wegens gebrek aan bewijs van de beweerde meeromzet.

Verder oordeelde de eerste rechter dat appellant het in artikel 64, § 1 W.BTW bedoelde tegenbewijs niet levert.

Hij herleidde de toegepaste geldboete van 200 % tot 20 %.

Hij veroordeelde geïntimeerde tot de kosten, met dien verstande dat de wederzijds gevorderde rechtsplegingvergoedingen worden omgeslagen.

GRIEVEN

Appellant streeft de hervorming van het bestreden vonnis na.

Appellant herneemt de voormelde middelen die hij voor de eerste rechter voordroeg.

Hij vordert het bestreden dwangbevel nietig, minstens ongegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat het bedrag erin vermeld ten titel van rechten, boeten, kosten en interesten niet verschuldigd is.

Hij vordert ook desgevallend de terugbetaling te bevelen van reeds betaalde sommen en ingehouden bedragen, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding, na het bestreden vonnis gesteld op: de som van … EUR als BTW en de som van …8 EUR als wettelijke geldboete, vermeerderd met de wettelijke nalatigheidinteresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW.

Hij vraagt in ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat het bedrag vermeld in het dwangbevel ten titel van rechten, boeten, kosten en interesten niet verschuldigd is voor het gedeelte van de goederen die niet onder het vermoeden van artikel 64, § 1 W.BTW kunnen ressorteren en desgevallend geïntimeerde de terugbetaling te bevelen van reeds betaalde sommen en ingehouden bedragen.

Nog in ondergeschikte orde vraagt appellant de administratieve geldboete kwijt te schelden of minstens te verminderen tot 10 %.

Geïntimeerde tekent incidenteel beroep aan wat betreft de herleiding van de geldboete.

Hij vraagt het bestreden vonnis voor het overige te bevestigen en appellant te veroordelen tot de kosten.

HET DWANGBEVEL

1. Het proces-verbaal van 13 december 2001 van de controleambtenaar O., gevoegd aan het dwangbevel waartegen verzet, waarvan het de motivering uitmaakt, verwijst onder punt "1. Vaststelling A. Algemeen" naar de vaststellingen vervat in de twee processen-verbaal van 1 september 2000 van de controleambtenaar D. M., gevoegd aan het proces-verbaal van 13 december 2001.

Het proces-verbaal van 13 december 2001 vermeldt onder punt "B. Specifieke vaststellingen m.b.t. bovenvermelde belastingplichtige" : "Dat uit het onderzoek van de klantenbestanden is gebleken dat door (appellant) gebruik werd gemaakt van een kaart op naam van P. K. H. K.. Vanaf 1 januari 1997 tot 31 december 1998 werden aan (appellant) 15 fakturen uitgereikt 91 fakturen werden opgemaakt op naam van P. K. H. K.. Dit blijkt uit de hiervoor vermelde processen-verbaal en die als bijlage bij onderhavig proces-verbaal zijn gevoegd.

Uit het nazicht van de fakturen is gebleken dat de aangekochte goederen op naam van P. K. H. K. en op naam van (appellant) gelijkaardig zijn en behoren tot het soort goederen die (appellant) gebruikt voor het bereiden van eetmalen in zijn restaurant.

Deze vaststellingen versterken het bewijs dat de twee kaarten door één en dezelfde persoon werden gebruikt", en onder punt "C. Samenvattend" : "Dat bijgevolg uit wat voorafgaat blijkt dat de aankopen, gedaan met de koperskaart op naam van P. K. H. K., in werkelijkheid door (appellant) werden gebruikt".

Vervolgens vermeldt het proces-verbaal van 13 december 2001 onder punt "2. Wetgeving" de wetsbepalingen waarvan toepassing werd gemaakt, o.m. artikel 59, § 1 en artikel 64, § 1 W.BTW.

Tenslotte bevat het proces-verbaal van 13 december 2001 onder punt "3. Taxatie" de berekening van de meeromzet.

I.t.t. wat appellant meent, laat het dwangbevel waartegen verzet en het bijgevoegde proces-verbaal van 13 december 2001 aldus toe vast te stellen op grond van welke concrete feitelijke en juridische grondslagen geïntimeerde van oordeel was tot navordering te moeten overgaan, en is het dwangbevel aldus ook voldoende gemotiveerd.

Nog i.t.t. wat appellant voorhoudt, was het de controleambtenaar O. toegelaten te steunen op de vaststellingen van controleambtenaar D. M., zolang hij enkel vaststellingen van deze overneemt, en niet gevolgtrekkingen of deducties.

Het blijkt niet dat controleambtenaar O. de gevolgtrekkingen van controleambtenaar D. M. overnam.

De gevolgtrekkingen gemaakt door controleambtenaar O. vindt men in de laatste alinea van punt B : "Deze vaststellingen versterken het bewijs dat de twee kaarten door één en dezelfde persoon werden gebruikt" en onder punt C : "Dat bijgevolg uit wat voorafgaat blijkt dat de aankopen, gedaan met de koperskaart op naam van P. K. H. K., in werkelijkheid door (appellant) werden gebruikt". Dit zijn eigen gevolgtrekkingen van controleambtenaar O., die hij maakte op basis van zijn eigen vaststellingen en op basis van de vaststellingen van zijn collega D. M..

Mogelijks stroken de vaststellingen, volgens appellant, niet met de werkelijkheid. Dit tast dan. evenwel niet de geldigheid van het dwangbevel aan, dan wel in voorkomend geval de bewijswaarde van het proces-verbaal van 13 december 2001, die hierna wordt onderzocht.

DE NAVORDERING VAN DE BTW

1. Appellant meent in ondergeschikte orde dat de navordering van de BTW ongegrond is wegens gebrek aan deugdelijke bewijselementen en omdat. hij het tegenbewijs uit artikel 64, § 1 W.BTW levert.

2. De controleambtenaar O. achtte op basis van vermoedens bewezen dat de twee kaarten door één en dezelfde persoon werden gebruikt, en dat appellant de enige was die gebruik maakte van de koperskaart op naam van P. K. H. K..

Appellant gewaagt van een verboden opeenstapeling van vermoedens, doordat de administratie vooreerst vermoedt dat appellant de enige was die gebruik maakte van de koperskaart op naam van P. K. H. K., vervolgens vermoedt dat de aangekochte goederen op naam van P. K. H. K. en op naam van appellant gelijkaardig zijn en behoren tot het soort goederen die appellant gebruikt voor het bereiden van eetmalen in zijn restaurant, om tot slot nog eens te vermoeden dat de goederen dan ook door appellant in zijn restaurant werden verbruikt.

Van de voormelde vermeende vermoedens is evenwel enkel het eerste een (feitelijk) vermoeden, is het tweede in werkelijkheid een vaststelling van de controleambtenaar O., en is het derde·het wettelijk vermoeden m.b.t. de bestemming van de verrichte aankopen bedoeld in artikel 64, § 1 W.BTW, welk wettelijk vermoeden, zoals hierna gesteld, losstaat van de feitelijke vermoedens bedoeld in artikel 59, § 1 W.BTW (zie infra nr. 3).

De vaststelling dat goederen gelijkaardig zijn en behoren tot het soort goederen die in een chinees restaurant worden gebruikt, is een vaststelling van de controleambtenaar, en geen pure speculatie of vermoeden, zoals appellant die noemt.

Appellant ontkracht de waarachtigheid van die vaststelling niet met de bewering. dat een vergelijking van het overzicht van de detaillijnen van de aankopen op naam van P. K. H. K. met de menukaart van zijn restaurant uitwijst dat een heel aantal goederen werden aangekocht die simpelweg niet in het restaurant worden verkocht: pepersalami en ander charcuterie, kalk­ en koemestkorrels, appelcompote, witloof, broccoli, courgettes, pasta's, zalm, grijze garnalen, worsten, croissants, yoghurt, meloen, allerhande snoepgoed, kazen, vol au vent, boter, dierenvoeding, zelfs allerhande dranken die niet voorkomen op het menu van het restaurant.

Die bewering geldt enkel voor kalk- en koemestkorrels, dierenvoeding, of nog, tandpasta enz.

Appellant stelt zelf dat hij de feestzaal boven het restaurant ter beschikking stelt van verenigingen. Het is redelijk aan te nemen dat niet al die verenigingen kiezen voor chinese drankjes en maaltijden.

Voormelde aankopen vertegenwoordigen ruim minder dan 10 % van de aankopen verricht met de koperskaart op naam van P. K. H. K., en doen bijgevolg niets af aan de vaststelling van de controleambtenaar O..

Enkel de bewering dat appellant de enige was die gebruik maakte van de koperskaart op naam van P. K. H. K. is dus een onbekend, te bewijzen feit.

De administratie kon op geldige wijze tot het bestaan van dit onbekend besluiten op basis van de bekende feiten die de feiten vastgesteld door de controleambtenaren D.M. en O. zijn.

Meer bepaald stelde controleambtenaar D. M. vast dat tal van namen van het klantenbestand van de N.V. M. fictief zijn, dat appellant en P. K. H. K., klanten van de N.V. M., hetzelfde adres hebben en dat de kaarthouders op de beide klantenkaarten op naam van appellant en P. K. H. K. dezelfde zijn, nl. appellant (kaarthouder 1) en zijn echtgenote (kaarthouder 2).

Evengenoemde ambtenaar stelde ook vast dat in de gecontroleerde periode door de N.V. M. 15 facturen werden uitgereikt aan appellant en 91 facturen aan P. K. H. K..

Hij stelde tenslotte vast dat een aantal aankopen op naam van appellant en op naam van P. K. H. K. nagenoeg op hetzelfde tijdstip gebeurden, wat hij in de tabel van de aankopen aanduidde met een X. Bij nader toezien gebeurde dergelijke gelijktijdige aankoop slechts één keer.

De controleambtenaar O. stelde vast dat uit het onderzoek van de klantenbestanden is gebleken dat appellant gebruik maakte van een koperskaart op naam van P. K. H. K. en dat uit nazicht van de facturen is gebleken dat de aangekochte goederen op naam van P. K. H. K. en op naam van appellant gelijkaardig zijn en behoren tot het soort goederen die appellant gebruikt voor het bereiden van eetmalen in zijn restaurant.

Op basis van deze bekende feiten kon de administratie aan de hand van een logische redenering besluiten tot het onbekende feit, nl. dat appellant de enige was die gebruik maakte van de koperskaart op naam van P. K. H. K., ook indien men abstractie maakt van de gelijktijdige aankopen op naam van appellant en op naam van P. K. H. K., die uiteindelijk slechts één keer plaatsvonden.

Appellant weerlegt dit feitelijk vermoeden niet, niet in het minst omdat hij bij monde van zijn raadsman in een schrijven van 15 januari 2002 aan de administratie stelde dat "(appellant) betwist niet dat hij aankopen verricht met deze twee aankoopkaarten, maar wel dat de aankopen die hij verricht voor de P. K. H. K. in werkelijkheid door hem zouden zijn gebruikt voor eetmalen in zijn restaurant" (stuk 4 van de bundel van geïntimeerde).

Overigens verstrekt appellant niet de minste informatie over P. K. H. K., zodat met geïntimeerde mag worden aangenomen dat P. K. H. K. niet bestaat, zoals andere namen uit het klantenbestand van de N.V. M..

De voormelde niet-betwisting van appellant sluit weliswaar niet uit dat derden eveneens de aankoopkaart op naam van P. K. H. K. gebruikten.

Te dezen voert appellant aan dat hij vrienden toeliet om met de kaart in de N.V. M. goederen aan te kopen, maar bewijst dit niet. Alleszins verklaart dit niet de massale aankopen met de koperskaart op naam van appellant.

De administratie paste het bewijs met vermoedens dus correct toe.

3. Appellant gewaagt ook van de niet toegelaten combinatie van het wettelijk vermoeden voorzien door artikel 64, § 1 W.BTW met het resultaat van een vorig vermoeden, in casu de toepassing van artikel 59, § 1 W.BTW.

Dit middel miskent dat artikel 59, § 1 W.BTW en artikel 64, § 1 W.BTW een verschillend voorwerp hebben.

Artikel 59, § 1 W.BTW betreft immers het door de administratie te leveren bewijs van de principiële toepasselijkheid van de BTW­wetgeving op een bepaalde handeling. Dit artikel stelt de administratie hiervoor een aantal bewijsmiddelen ter beschikking (volgens de regelen en door alle middelen van het gemeen recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed).

Artikel 64, § 1 W.BTW voorziet daarentegen een vermoeden m.b.t. de bestemming van de verrichte aankopen.

Derhalve is het de administratie toegelaten, nadat zij overeenkomstig artikel 59, § 1 W.BTW de principiële toepasselijkheid van de BTW-wetgeving op de bij de N.V. M. verrichte, maar niet gefactureerde aankopen met vermoedens heeft bewezen, vervolgens op basis van het wettelijk vermoeden voorzien door artikel 64, § 1 W.BTW te bewijzen dat de aldus verrichte aankopen een bestemming hebben gekregen die de belasting opeisbaar maakt.

4. Als andere bestemming dan diegene die de belasting opeisbaar maakt, van de met de koperskaart op naam van P. K. H. K. aangekochte goederen, voert appellant aan, benevens het privé-gebruik van de M.-kaart en het gebruik ervan voor het personeel en het gebruik door vrienden, de feestjes van de V.Z.W. V. V. C. Z. en andere verenigingen, waarbij appellant zijn feestzaal boven het restaurant ter beschikking stelde en ook kosteloos voorzag in drankjes en maaltijden of kostendelend werkte.

De V.Z.W. V. V. C. Z. bestaat kennelijk wel en de bijgebrachte foto's tonen het gebruik van de feestzaal aan. Hiermede alleen toont appellant, die de bewijslast uit artikel 64, § 1 W.BTW heeft, echter niet het vermeende gratis aanbieden van drank en maaltijden aan. Gelet op de frequentie, de aard en de hoeveelheid van de met de koperskaart op naam van P. K. H. K. verrichte aankopen, moet met geïntimeerde worden aangenomen dat zulk gebruik van de feestzaal veeleer ongeloofwaardig is. Het beweerde gebruik van de M.-kaart door vrienden, het privé-gebruik en voor het personeel worden al evenmin bewezen.

Het feit dat appellant voor zijn restaurant ook aankocht bij gespecialiseerde verkopers doet niet terzake, nu hij in zijn boekhouding de aankopen verricht met de kaart op zijn naam boekte.

5. Wat betreft de toepassing van artikel 64, § 1 W.BTW werd hierboven geoordeeld dat de op naam van P. K. H. K. aangekochte goederen in aanmerking komen voor een chinees restaurant.

Geïntimeerde ontkent in conclusie niet (blz. 8 en 11) dat de aankopen ook producten zoals onderhoudsproducten en katten- en hondenvoer bevatten, die niet werden geweerd uit de berekeningen.

Dit laat appellant nog niet toe een willekeurige taxatie aan te voeren. Ter compensatie nam de administratie immers uitsluitend de facturen van de afdeling Food voor een bedrag van meer dan … BEF exclusief BTW op in de tabellen van facturen van het proces-verbaal, en deed bij de bepaling van de verschuldigde BTW een omslag, in het voordeel van appellant, over de aangegeven tarieven (6 % en 21 %), alhoewel artikel 64, § 3, W.BTW toelaat de niet-aangegeven omzet behoudens tegenbewijs te belasten tegen het hoogste BTW-tarief (21 %). Voor het jaar 1997 werd aldus 16,7 % van de niet-aangegeven omzet belast aan het BTW-tarief van 6 %, terwijl voor het jaar 1998 dit percentage 11,3 % bedroeg.

DE ADMINISTRATIEVE GELDBOETE

1. Artikel 70, § 1 W.BTW schrijft voor dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Overeenkomstig artikel 84 W.BTW kan de krachtens voormeld artikel opgelegde boete worden verminderd in de gevallen en onder de voorwaarden omschreven in het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, en in de daarbij gevoegde schalen.

Krachtens het laatste lid van artikel 1 van dit koninklijk besluit zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboete niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

2. De toegepaste administratieve geldboete gelijk aan 200 % van de verschuldigde rechten werd in het proces-verbaal van 13 december 2001 gemotiveerd, benevens door de aanduiding van de toegepaste wetsbepalingen (artikel 70, § 1 W.BTW, artikel 1 van het voormelde koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987), door de overweging naar luid waarvan "uit de aard en de omvang van de vastgestelde overtredingen duidelijk blijkt dat zij werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken".

De bedoelde overweging houdt een verwijzing in naar de vaststellingen en gevolgtrekkingen van het proces-verbaal.

Die motivering van de administratieve geldboete, hoe summier ook, verwijst naar de overige inhoud van het proces-verbaal en voldoet aldus aan de vereisten van de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991, i.t.t. wat appellant meent.

Zoals appellant stelt, kan het oogmerk om de belasting te ontduiken niet worden afgeleid uit de enkele niet-aangifte van inkomsten.

Uit de vaststellingen en gevolgtrekkingen van het proces-verbaal van 13 december 2001 blijkt echter meer dan de loutere niet­aangifte van omzet. Er blijkt er ook uit dat appellant aankopen deed met een koperskaart op naam van een fictieve persoon. Op basis hiervan staat het frauduleuze opzet vast.

3. Appellant vraagt de administratieve geldboete kwijt te schelden of minstens te verminderen tot 10 %, op grond van artikel 1, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en artikel 16 van de Grondwet, die het recht op het ongestoord genot van de eigendom waarborgen.

Appellant meent dat zijn bestraffing met een boete van 200 % dermate hoog is dat zij het karakter heeft van een ware onteigening en hem raakt in het ongestoord bezit van zijn eigendom.

Geïntimeerde voert geen verweer tegen het middel afgeleid uit de schending van voormelde bepalingen.

Geïntimeerde tekent wel incidenteel beroep aan wat betreft de herleiding van de geldboete.

Hij meent dat waar hijzelf in de onmogelijkheid verkeert, op grond van de wettelijke bepalingen, om een boete te moduleren (verminderen), het niet kan dat de beoordelingsbevoegdheid van de rechter zou inhouden dat deze de boete wel zou kunnen moduleren.

Er werd echter geoordeeld dat het middel dat aanvoert dat de rechter een administratieve sanctie slechts kan verminderen wanneer hij vaststelt dat het bestuur over een matigingsbevoegdheid beschikt, steunt op een onjuiste rechtsopvatting en derhalve faalt naar recht (Cass. 13 februari 2009, F.06.0107.N).

Het toetsingsrecht van de administratieve sancties moet aan de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kan overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter moet wel de redenen aanduiden waarom de administratie had moeten afwijken van de voorschriften van het koninklijk besluit nr. 41 en een administratieve boete onevenredig is met de gepleegde overtredingen (Cass. 13 februari 2009, F.06.01D06.N; Cass. 13 februari 2009, C.O7.0507.N).

Geïntimeerde verantwoordt de litigieuze geldboete, benevens door het oogmerk van appellant de controle te verschalken en geld te ontvreemden aan de Schatkist, door de overweging dat de boete van 10 %, waarop appellant aanstuurt, slechts een fractie vertegenwoordigt van de kosten die door de fraude, het onderzoek, het administratief opvolgen van het proces-verbaal werden veroorzaakt.

Met deze enkele overweging bewijst geïntimeerde niet dat een boete van 200 % nodig is om de kosten te dekken.

Geïntimeerde verwijst nog naar het feit dat het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 96/2002 van 12 juni 2002 oordeelde dat de bedoelde fiscale geldboete prima facie niet onevenredig is met enige doelstelling van het EG-recht (Grondwettelijk Hof 12 juni 2002, T.F.R. 2004, afl. 255, 128, noot B. COOPMAN).

In het oordeel over de onevenredigheid van de sanctie moeten echter meer factoren worden betrokken dan alleen de finaliteit van de BTW-richtlijnen. De onevenredigheid dient in concreto te worden beoordeeld.

Het hof acht de boete van 200 %, waartoe het incidenteel beroep strekt, niet evenredig met de overtreding, hoe zwaar ook, nu het kennelijk een eerste overtreding van appellant betreft.

De boete wordt herleid tot 100 %.

De boete kan niet verder worden herleid tot 10 % laat staan kwijtgescholden, zoals appellant vraagt.

Appellant verstrekt immers - geen enkele informatie omtrent zijn vermogenstoestand ter staving van zijn bewering naar luid waarvan de boete een ware onteigening is en hem raakt in het ongestoord genot van zijn eigendom.

DE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Op de zitting waarop de zaak werd gepleit waren partijen het eens over het basisbedrag van … EUR van de rechtsplegingvergoeding.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoofd- en incidenteel beroep beide ontvankelijk, doch enkel het incidenteel beroep in de hierna bepaalde mate gegrond,

Hervormt het bestreden vonnis als volgt,

Herleidt de bestreden administratieve geldboete gelijk aan 200 % van de verschuldigde rechten tot 100 %,

Veroordeelt appellant tot drievierden en geïntimeerde tot één vierde van de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellant begroot op de kosten van het verzet van … EUR, de rechtsplegingvergoeding eerste aanleg van … EUR, het rolrecht hoger beroep van … EUR en de rechtsplegingvergoeding hoger beroep van … EUR, en aan de zijde van geïntimeerde op de rechtsplegingvergoeding eerste aanleg van … EUR en de rechtsplegingvergoeding hoger beroep van ….

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 22 april 2010.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

P. V., alleenzetelend raadsheer,

C. D. N., griffier.

C. D. N. P. V.

Textes cités

1
AR no 41 art. 11 occurrence