Poursuite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 21 juin 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

PoursuiteTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-tribunal-anvers-2004-06-21-f3a1

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
21 juin 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

93 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 21.06.2004

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N l S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op éénentwintig juni tweeduizend en vier in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

M. G., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR nr. 96/12328/A

BVBA V., met ondernemingsnummer …, ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

eisende partij,

verschijnende bij meester A. V. I. loco meester W. M., advocaat, kantoorhoudende te …, ...

tegen :

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën in de persoon van de Ontvanger van het eerste BTW-ontvangkantoor Antwerpen met kantoren te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder D. B. te … op 10 juni 1996,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 10 september 2003,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 24 mei 2004.


I. Het onderwerp van de vordering (cfr. art. 780 Ger.W.)

Bij gerechtsdeurwaardersexploot, betekend op 10 juni 1996 tekent BVBA V. verzet aan tegen dwangbevel RCIV … van 15 en 21 maart 1995.

De vordering van BVBA V. strekt ertoe dit dwangbevel nietig, minstens onwettig en van generlei waarde te zien en te horen verklaren en bijgevolg de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën in de persoon van de Ontvanger van het Eerste BTW-Ontvangkantoor Antwerpen te horen verbieden over te gaan tot uitvoering van dit dwangbevel en er te zien en te horen zeggen voor recht dat BVBA V. de erin vermelde sommen, in hoofdsom, interesten en kosten niet verschuldigd is. BVBA V. vordert eveneens de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding en vordert de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het te vellen vonnis, zonder zekerheidsstelling en met uitsluiting van elk vermogen tot kantonnement.

II. De feiten

BVBA V. is sinds 1 oktober 1988 uitbaatster van een café.

Op 8 september 1994 was BVBA V. het voorwerp van een BTW-controle voor wat betreft de periode van 1 januari 1990 tot en met 31 december 1992. Op 29 november 1994 werd aan BVBA V. een correctieopgave gestuurd.

Er werd op 6 maart 1995 proces-verbaal opgesteld, waarin werd gemeld dat de BVBA V. een bedrag van 373.209 BEF aan BTW verschuldigd is, een bedrag van 74.000 BEF als boete en de interesten op 373.000 BEF.

Op 15 maart 1995 werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 21 maart 1995 en op 22 maart 1995 aan BVBA V. ter kennis gegeven.

Op 9 april 1996 werden liet proces verbaal en het dwangbevel aan BVBA V. betekend, met bevel tot betaling van 373.209 BEF achterstallige BTW, 111.000 BEF boete, een boete wegens het niet tijdig indienen van de aangifte/ of wegens het gebruik van een niet-reglementair betaalformulier, de wettelijke interesten en de kosten.

Bij gerechtsdeurwaardersexploot, betekend op 24 mei 1996 werd uitvoerend beslag gelegd op de aangetroffen roerende goederen van BVBA V..

BVBA V. tekende op 10 juni 1996 verzet aan tegen bovenvermeld dwangbevel.

III. In rechte

lll.A. Met betrekking tot de verjaring

BVBA V. werpt op dat de vordering van de Belgische Staat verjaard is, gelet op het gebrek aan stuiting van de vijfjarige verjaringstermijn van de artikelen 1B en 2 van de Wet van 6 februari 1970.

Overeenkomstig het toenmalig van toepassing zijnde artikel 81 W.BTW verjaart de vordering tot voldoening van de BTW door verloop van vijf jaar te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan. Indien de belastingplichtige gehouden .is tot het indienen van een periodieke aangifte, is het uitgangspunt van de verjaringstermijn het tijdstip, gesteld voor het indienen van deze aangifte.

Overeenkomstig het toenmalige artikel 83 W.BTW wordt de verjaringstermijn gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 e.v. B.W. Afstand van de verlopen tijd der verjaring en de kennisgeving van het dwangbevel op de wijze als bedoeld in artikel 85, § 1 worden ten aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met een stuiting overeenkomstig artikel 2244 B. W.

De door BVBA V. opgeworpen regels inzake de inkomstenbelastingen (artikel 410 WIB), alsook de aangehaalde rechtspraak doen hierbij niet terzake.

Uit de stukken 5 en 9 van de Belgische Staat blijkt dat de kennisgeving van het dwangbevel op 22 maart 1995 aangetekend werd verstuurd naar BVBA V..

Bijgevolg werd hierdoor de verjaring overeenkomstig artikel 83 W.BTW gestuit, zodat de vordering van de Belgische Staat niet verjaard is.

III.B. Ten gronde

III.B.1. De herberekening van de omzet voor de jaren 1990, 1991 en 1992

Er bestaat geen betwisting over het feit dat BVBA V. aan de gewone BTW-regeling onderworpen was, maar dat ze haar omzet forfaitair berekende.

Er bestaat geen betwisting over het feit dat BVBA V. bij deze forfaitaire berekening afweek van de forfaitstructuur met betrekking tot de regeling van caféhouders, in die zin dat ze een te laag aantal verstrekkingen in aanmerking heeft genomen in verhouding tot de aangekochte hoeveelheden en foutieve berekeningen maakte.

De administratie herberekende de omzet van 1990, 1991 en 1992 in functie van de forfaitaire structuur.

De Rechtbank stelt vast dat BVBA V. deze berekening niet betwist en bereid is om de door haar verschuldigde BTW op basis van de forfaitair berekende omzetcijfers voor deze periode aan de administratie te doen toekomen.

De Rechtbank oordeelt dat de berekening volgens de forfaitstructuur, zoals ze door de Belgische Staat werd verricht in het proces verbaal van 6 maart 1995, tot gevolg heeft dat de Belgische Staat terecht van mening is dat er voor de jaren 1990, 1991 en 1992 respectievelijk 61.740 BEF (1.530,49 EUR), 61.074 BEF (1.513,90 EUR) en 155.113 BEF (3.845,15 EUR) te weinig aan verschuldigde BTW werd aangegeven.

Ill.B.2. Aankopen in het zwart

De fiscale administratie ging vervolgens over tot een omzetverhoging, rekening houdend met het feit dat BVBA V. zonder uitreiking van facturen goederen zou hebben aangekocht bij de NV A. te … gedurende de jaren 1990 en 1991.

De Belgische Staat steunt zich hierbij op het proces-verbaal van 13 september 1993 inzake NV A. en stelt dat op basis hiervan het feitelijk vermoeden geldt dat BVBA V. goederen aankocht in het zwart.

Er bestaat geen betwisting over het feit dat BVBA V. in de jaren 1990 en 1991 dranken afnam van NV A., intussen failliet verklaard.

Bij een onderzoek van de controle van de BTW vanaf 3 oktober 1991 stelde de controleur dat NV A. zich schuldig maakte aan het niet factureren van leveringen van dranken aan BTW-belastingplichtigen en aan het niet onmiddellijk uitreiken van facturen voor leveringen van dranken aan onder meer café's.

Hierbij zou de volgende werkwijze zijn toegepast :

Voor elke bestelling van dranken door de klant werd een document "bestelbevestiging" opgemaakt, dat de aflevering van de dranken vergezelde. De dranken werden contant aan de chauffeur van NV A. betaald, onder aftrek van de waarde van het teruggenomen leeggoed. Pas na de levering werd een factuur opgesteld, waarop slechts een deel van de geleverde dranken werd gefactureerd. De niet gefactureerde hoeveelheden werden geboekt als contante verkopen aan particulieren, onder de benaming “A. dagontvangsten". De bestelbevestigingen en de aantekeningen van de chauffeur over de ontvangen contanten werden vernietigd.

NV A. maakte gebruik van een computerprogramma, dat het mogelijk maakte om de leveringsgegevens per klant, zoals vermeld op de bestelbevestiging weer op te roepen op scherm en hetzij :

- de levering boekhoudkundig te splitsen, waarbij het niet gefactureerde gedeelte automatisch naar de dagontvangsten werd gestuurd (F1);

- de levering volledig niet te factureren, waarbij alle goederen naar de dagontvangsten werden gestuurd (F2);

- de levering volledig te factureren.

De controleurs meenden, door het vergelijken van de uitgereikte facturen met de lijsten "A. dagontvangsten", de oorspronkelijke levering die achteraf boekhoudkundig werd gesplitst, in bepaalde gevallen opnieuw te kunnen samenvoegen. Men steunde zich hierbij op de unieke volgorde van de bestelde dranken per klant en het feit dat de nummering, voorkomend op de facturen en de nummering op de listing "A. dagontvangsten" steeds in volgorde verloopt.

Uit deze gegevens werd het vermoeden afgeleid dat BVBA V. in 1990 voor 77.180 BEF en in 1991 voor 113.089 BEF goederen aankocht zonder factuur.

Op basis van dit gegeven werd berekend dat de BVBA V. in 1990 voor de aankopen zonder factuur een omzet realiseerde van 241.573 BEF en in 1991 een omzet van 318.911 BEF.

Hierop werd de BTW berekend aan 17 %, zijnde 41.067 BEF voor 1990 en 54.215 BEF voor 1991.


De fiscale administratie mag krachtens artikel 59, § 1 W.BTW, tot bewijs van overtredingen van de bepalingen van het wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, alle middelen van gemeen recht aanwenden, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch met uitzondering van de eed. Bovendien leveren de processen-verbaal, opgesteld door de ambtenaren van het Ministerie van Financiën het bewijs op van een door de ambtenaar vastgesteld feit, zolang het tegendeel niet bewezen is.

De Rechtbank oordeelt dat feitelijke vermoedens gevolgtrekkingen zijn die de rechter afleidt uit een bekend feit, om te besluiten tot een onbekend feit (artikel 1349 B.W.).

Als bekend gegeven staat vast dat BVBA V. vaste klant was bij NV A. (zie de facturen van NV A. uitgereikt aan BVBA V. in bijlage bij het proces verbaal van 13 september 1993).

Als bekend gegeven werd vastgesteld dat bij NV A., per dagontvangstennummer, de willekeurige volgorde van de bestelde goederen in bijna alle gevallen dezelfde is als op de facturen terwijl het daarnaast voorkomt dat bepaalde goederen nu eens op de factuur staan, en dan weer in dagontvangsten (zie de bijlagen bij proces-verbaal van 13 september 1993).

Als bekend gegeven werd eveneens vastgesteld dat het computerprogramma bij NV A. het voor elke levering mogelijk maakte om door middel van drie toetsen (F1, F2 en F3), te kiezen tussen het boekhoudkundig splitsen tussen wel en niet gefactureerde goederen, dan wel het volledig factureren of het volledig niet factureren van de goederen (zie proces-verbaal van 13 september 1993).

Het betreft gegevens die door de ambtenaren werden vastgesteld en in proces-verbaal weergegeven, zodat aan deze gegevens de bijzondere bewijswaarde, bedoeld in artikel 59, § 1 W.BTW kan worden toegekend.

Het feit dat deze gegevens werden bekomen uit het dossier van een derde, met name uit het dossier NV A. maakt deze gegevens niet onbruikbaar als basis van een feitelijk vermoeden. Het betreft immers gegevens uit de officiële boekhouding van NV A. en niet uit een zogenaamde zwarte boekhouding. Uit geen enkel gegeven blijkt dat er terzake tegenstrijdigheid zou zijn van belangen tussen NV A. en BVBA V. of dat er redenen zouden zijn om aan de betrouwbaarheid van de boekhouding van NV A. te twijfelen.

De Rechtbank oordeelt dat BVBA V. er niet in slaagt de onjuistheid aan te tonen van de vaststellingen in het proces-verbaal van 13 september 1993.

De Rechtbank oordeelt bovendien dat de administratie uit deze gekende feiten terecht afleidde dat BVBA V. goederen aankocht bij NV A. zonder dat deze goederen door deze laatste werden gefactureerd.

BVBA V. maakt haar bewering dat.de Belgische Staat nalaat alle facturen van BVBA V. neer te leggen niet hard. Bovendien legt ze zelfde zogezegd ontbrekende facturen, waaruit zou moeten blijken dat het vermoeden van de administratie niet klopt, niet neer.

Het feit dat in één geval de volgorde op de listing niet volledig overeenkomt met die op de corresponderende factuur (dagontvangstennummer … en factuur … van 1 maart 1990), is niet van aard om de grote hoeveelheid andere gevallen, waarin de volgorde wel overeenstemt onderuit te halen.

BVBA V. stelt dat ze bijna geen bier in flesjes verkoopt, terwijl de zogenaamd niet­gefactureerde artikelen vaak flessenbier in bakken betreft. Het betreft een loutere bewering van BVBA V., die op geen enkele manier wordt gestaafd.

Het feit dat op de listings geen namen van afnemers werden vermeld doet hieraan geen afbreuk, vermits op basis van de inachtneming van de volgorde van de producten de link gelegd kan worden tussen de bon in de listing van de dagontvangsten van een bepaalde dag en de factuur op naam van BVBA V. van dezelfde dag.

Het feit dat sommige goederen wel op de factuur en niet op de .listing van de dagontvangsten werd vermeld doet hieraan evenmin afbreuk vermits het systeem F1 er juist in bestond sommige goederen wel en sommige niet te factureren.

De Rechtbank stelt vast dat de berekening van het bedrag van de in het zwart aangekochte goederen in bet proces-verbaal van 13 september 1993 gebaseerd is op de in dit proces-verbaal weergegeven dagontvangsten en dat dit bedrag cijfermatig door BVBA V. niet wordt betwist.

De berekening van de omzet die overeenstemt met de aankopen zonder factuur door de Controle der Directe Belastingen Antwerpen-Vennootschappen 14, waarnaar in het proces-verbaal van 6 maart 1995 wordt verwezen wordt cijfermatig evenmin betwist door de BVBA V., evenmin als de berekening van de hierop verschuldigde BTW aan 17%.

De Rechtbank oordeelt dan ook dat het verzet van BVBA V. dienaangaande ongegrond is.

III.B.3. Boete

De Belgische Staat legt een boete op van 20 % op het verschuldigde bedrag aan BTW van 9.251,61 EUR.

"Het betreft de boete, krachtens artikel 70, § 1 W.BTW bepaald op tweemaal de verschuldigde belasting, overeenkomstig tabel A, eerste afdeling, rubriek IV KB nr. 41 verlaagd tot 20 % van de verschuldigde belasting.

BVBA V. stelt dat de boete van 37.000 BEF, vermeld in de correctieopgave slechts met 50 % mocht worden vermeerderd bij kennisgeving of betekening van dwangbevel dus tot hoogstens 55.500 BEF.

De Rechtbank merkt op dat de 50 % verhoging, waarvan sprake in artikel 2 van KB nr. 41 betrekking heeft op de geldboeten zoals bepaald in de tabellen als bijlage bij dit KB en niet op de geldboete, zoals ze in de correctieopgave werd bepaald. De Rechtbank stelt vast dat de administratie de boete correct berekend heeft overeenkomstig tabel A, eerste afdeling, rubriek IV van voormeld KB.

De Rechtbank oordeelt dat deze boete niet onredelijk of onbillijk is in het licht van de begane overtredingen.

Dispositif

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering in verzet van BVBA V. tegen het dwangbevel toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt BVBA V. tot de kosten van het geding, aan de zijde van de Belgische Staat begroot op 342,10 EUR rechtsplegingsvergoeding doch door de rechtbank vereffend op 342,09 EUR rechtsplegingsvergoeding.

N. D. M. G.

Textes cités

1
AR no 41 art. 21 occurrence