Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, champ d'application · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 22 janvier 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, champ d'applicationTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-gand-2004-01-22-2536

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
22 janvier 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

80 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Gand du 22.01.2004

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 22 JANUARI 2004

01/4653/A

In de zaak :

B. & L. C. NV, ingeschreven in het H.R. te Dendermonde onder nr. …, met vennootschapszetel te …, …,

eiseres,

niet verschijnend noch iemand voor haar;

tegen :

1. DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit - sector BTW, in de persoon van de Minister van Financiën, kabinet houdende te 1000 Brussel, Wetstraat 12;

2. DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit - sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor van Sint­Niklaas, met kantoren gevestigd te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 2,

verweerders,

voor wie optreedt mr. E. V. A., advocaat te …, …,

vonnist de rechtbank als volgt :

1. RECHTSPLEGING

Verwerende partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 4.12.2003, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder de dagvaarding in verzet d.d. 10.12.2001, de conclusie van verwerende partijen, evenals het dossier van verwerende partijen.

Tegen de niet verschijnende noch vertegenwoordigde doch regelmatig opgeroepen partij werd vonnis bij verstek gevorderd; dit kan worden toegestaan.

2 DE VORDERING

De vordering van eiseres strekt ertoe het dwangbevel uitgevaardigd op 13.11.2001 door de e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van Sint-Niklaas, op 14.11.2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer V. D., Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen en op 27 november aan eiseres overgemaakt bij deurwaardersexploot te vernietigen, minstens ongegrond te verklaren;

te horen zeggen voor recht dat het bedrag erin vermeld ten titel van rechten, boeten, kosten en intresten niet verschuldigd is;

desgevallend de terugbetaling te bevelen van reeds betaalde sommen en ingehouden bedragen onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding gesteld op :

- BTW : 1.372.721 frank

- geldboete : 273.000 frank

te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidsintresten overeenkomstig art. 91 W.BTW;

te zeggen voor recht dat de opgelegde belastingverhoging niet kan opgelegd worden;

verweerders te veroordelen tot de kosten van het geding.

3. FEITEN

1. Eiseres is als BTW-belastingplichtige geregistreerd voor haar activiteit van handelaar in auto's en mobilhomes en verzekeringsmakelaar.

2. Op 5.9.2000 wordt een controle aangevat bij eiseres over de periode van 1.10.1996 tot 30.9.1999, wat resulteert in een correctieopgave d.d. 17.11.2000.

3. Eiseres koopt mobilhomes aan in de Verenigde Staten, die ze verkoopt aan Belgische klanten.

Eiseres vermeldt op de facturen dat de levering buiten de E.G. plaats vindt en, rekent voor die leveringen geen BTW aan. Eiseres beroept zich op art. 15, § 2, eerste lid, W.BTW stellende dat de terbeschikkingstelling van de mobilhomes ingevolge een huurkoopovereenkomst gebeurt in een derdelandsgebied voor de invoer.

4. Verweerder is evenwel van oordeel dat overeenkomstig art. 15, § 3 W.BTW de levering van de betrokken mobilhomes geacht wordt plaats te vinden in België, zodat de levering aan de Belgische BTW onderworpen is.

5. In het proces-verbaal d.d. 11.7.2001 vordert de BTW-administratie om voormelde redenen :

BTW : 1.372.721 frank

geldboete : 273.000 frank

intresten : 0,80 %/maand vertraging

moratoire intresten.

Bij gebrek aan betaling wordt op 13.11.2001 een dwangbevel uitgevaardigd, dat bij deurwaardersexploot op 27.11.2001 wordt betekend.

6. Eiseres dagvaardt op 10.12.2001 de Belgische Staat teneinde het dwangbevel te vernietigen, minstens ongegrond te verklaren.

4 BESPREKING

4.1. M.b.t. de vermeende nietigheid van het dwangbevel.

Eiseres laat gelden dat het dwangbevel nietig is. Eiseres stelt dat uit het dwangbevel zelf niet kan worden opgemaakt door wie of op welk tijdstip het werd opgemaakt of uitgevaardigd, noch geviseerd en uitvoerbaar verklaard; dat het dwangbevel niet afdoende werd gemotiveerd; dat het laattijdig proces­verbaal d.d. 11.7.2001 het dwangbevel niet kan schragen.

In casu stelt de rechtbank vast dat het dwangbevel (stuk 1 verweerder) voldoet aan de voorschriften van art. 85 BTW. Het kwestieuze dwangbevel vermeldt zelf dat het werd uitgevaardigd op 13.11.2001 door de e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van Sint­Niklaas F. D. R. en op 14.11.2001 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door de heer R. V. D., Directeur van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Antwerpen. Dit dwangbevel werd samen met het proces-verbaal d.d. 11.7.2001 bij deurwaardersexploot op 21.11.2001 aan eiseres betekend.

De rechtbank stelt vast dat het bestreden dwangbevel op afdoende wijze werd gemotiveerd. Uit het gegeven dat het proces-verbaal d.d. 11.7.2001, waarop het bestreden dwangbevel is gesteund, blijvend gehecht is aan het dwangbevel vloeit immers voort dat de inhoud van dit proces-verbaal deel uitmaakt van de motieven van het bestreden dwangbevel. Het gehele proces-verbaal bevat een duidelijke, volledige en gedetailleerde motivering zowel in feite als in rechte, die de beslissing tot navordering afdoende draagt.

Eiseres laat gelden dat het proces-verbaal van 11. 7, 2001 laattijdig werd opgemaakt.

Weliswaar dateert de controle van 5.9.2000 doch met verweerder stelt de rechtbank vast dat er geen enkele BTW-wetsbepaling is die bepaalt binnen welke termijn een proces-verbaal dient te worden opgesteld of betekend.

De verlopen termijn tussen de aanvang van de controle en het opstellen van het proces-verbaal is in casu verantwoord door de termijnen die gelaten werden om eventueel tot een minnelijke overeenkomst te komen en waarin partijen overigens gedeeltelijk zijn geslaagd.

Het kwestieuze proces-verbaal is dan ook niet nietig evenmin als het dwangbevel waarmee het een geheel vormt.

4.2. Ten gronde

1. In casu is zowel de leverancier als de klant in België gevestigd. De discussie betreft de vraag waar de levering van de mobilhomes dient te worden gelokaliseerd.

2. Overeenkomstig art. 15, § 2, eerste lid, W.BTW wordt als plaats van de levering van goederen aangemerkt, de plaats waar het goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld.

Evenwel, wanneer een goed door de leverancier, door de verkrijger of door een derde wordt verzonden of vervoerd, wordt de plaats van de aanvang van de verzending of het vervoer als plaats van de levering aangemerkt (art. 15, § 2, tweede lid, 1°).

In afwijking van voornoemde § 2, tweede lid, 1° wordt de plaats van de levering door de persoon op wiens naam de ter zake van de invoer verschuldigde BTW regelmatig is voldaan, evenals de plaats van de daaropvolgende leveringen geacht in de Lid-staat van invoer van de goederen te liggen, wanneer de plaats van vertrek van de verzending of het vervoer in een derdelandsgebied ligt (art. 15, § 3 W.BTW).

3. Overeenkomstig art. 15, § 7 W.BTW wordt, behoudens tegenbewijs, de levering van een roerend goed geacht in België plaats te vinden wanneer, op het tijdstip van de levering, één der bij de levering betrokken partijen er een zetel van economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats.

Art. 64, § 1 W.BTW stelt dat hij die goederen verkrijgt om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht wordt deze goederen te hebben geleverd onder de voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

4. Eiseres argumenteert dat de levering buiten de EU plaats vond doch laat na ook maar enig document voor te leggen die de aflevering van de goederen aantoont, hoewel de voorgelegde huurkoopovereenkomsten voorzien in de aflevering van afleveringsbons en aangetekende zendingen m.b.t. de geplande afleveringen.

5. Zelfs al mocht eiseres bewijzen dat de levering plaatsvond buiten de EU, dan stelt de rechtbank in casu vast dat eiseres de kwestieuze mobilhomes in België ten verbruik heeft ingevoerd en de BTW op die invoer heeft voldaan (zie stukken 7, 8, 9 verweerder) zodat krachtens art. 15, § 3 W.BTW de levering geacht wordt in België plaats te vinden.

6. Ten onrechte beroept eiseres zich op de schending van het opgewekt vertrouwen verwijzend naar de parlementaire vraag nr. 1027 van 20.4.1994, nu kwestieuze parlementaire vraag zich niet uitlaat omtrent de plaats van de levering.

7. Eiseres meent dat geen boete verschuldigd is gelet op de principiële aard van de discussie en de goede trouw.

De rechtbank is principieel bij machte om de opportuniteit en de omvang van de BTW-boete te beoordelen.

In casu stelt de rechtbank vast dat het geenszins een principiële betwisting betreft en in de gegeven omstandigheden de opgelegde boete gepast is. Niet alleen werden de wettelijke tarieven toegepast, bovendien is eiseres niet bij machte om maar één document voor te leggen waaruit de levering buiten de EU blijkt.

8. De vordering is bijgevolg ongegrond.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

DE RECHTBANK, rechtdoende geacht als op tegenspraak,

Melding makende dat de bepalingen van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd;

Alle meeromvattende of strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend;

Verklaart de vordering van eisers ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding tot dusver begroot als volgt :

- aan de zijde van eiseres :

* dagvaardingskosten : 124,96 EUR (5.041 frank)

* rechtsplegingsvergoeding : 0 EUR

- aan de zijde van verweerders :

* rechtsplegingsvergoeding : 342,09 EUR,

Aldus gevonnist en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 22 JANUARI 2004, waar aanwezig waren :

J. D. B. : alleenzetelend rechter,

R. D. : griffier.

R. D. J. D. B.