Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 19 décembre 2005

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruges-2005-12-19-b32b

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
19 décembre 2005

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

61 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruges du 19.12.2005

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 04/1295/A

de heer R. M., handelaar (Ondernemingsnr. …), wonende te …, …,

eiser

voor wie is opgetreden Meester U. D. R. (balie Brugge) loco Meester H. D., advocaat met kantoor te …, …,

TEGEN

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, F.O.D. Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te ROESELARE, met kantoren gevestigd te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30.

verweerder

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift houdende verzet dwangbevel de dato 23 april 2004.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 14 november 2005.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiser is gekend en ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer …, ingevolge de door hem aangevatte activiteit van handelaar in voertuigen en garage-onderneming.

Op 8 oktober 2003 werd door een ambtenaar bij de administratie van BTW een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2002.

Door de controlerende ambtenaar werd een correctieopgave opgesteld waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd. De correctieopgave werd op 19 november 2003 door eiser voor akkoord ondertekend.

Wegens niet-betaling van de verschuldigde sommen werd op 5 april 2004 door de met invordering belaste ambtenaar, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW., een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 7 april 2004 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de e.a. inspecteur a.i. van het controlekantoor Torhout 1, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 15 april 2004 bij gerechtsdeurwaardersexploot aan eiser betekend.

2.2. Eiser vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het dwangbevel, uitgevaardigd op 5.04.2004 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 7.04.2004, wordt vernietigd. Verder vordert eiser de terugbetaling van alle ·sommen die op onrechtmatige wijze zouden zijn geïnd, verhoogd met de wettelijke intresten. In ondergeschikte orde vraagt eiser dat de rechtbank de boete die betrekking heeft op het dwangbevel kwijtscheldt en dat de vordering tot de interesten wordt afgewezen.

Tevens vordert hij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande elk rechtsmiddel en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.

2.3. Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. In casu heeft verweerder na controle een correctieopgave opgesteld waarin voor het jaar 2001 een omzetverhoging van … EUR en voor het jaar 2002 een omzetverhoging van … EUR werd opgenomen.

Deze correctieopgave werd door eiser op 19 november 2003 voor akkoord ondertekend.

Om op deze ondertekende akkoordverklaring terug te komen moet de belastingplichtige aantonen dat het akkoord door een wilsgebrek is aangetast of dat hij zich in rechte of in feite heeft vergist.

De bewering van eiser dat er gedwaald is in feite omdat zijn vorige boekhouder de stockgegevens verkeerd zou hebben ingeboekt, wordt niet gestaafd door bewijskrachtige stukken.

Daarenboven dient vastgesteld dat eiser in zijn bezwaarschriften inzake directe belastingen voor de jaren 2001 en 2002 niet spreekt over verkeerde ingeboekte stockgegevens aangezien hij in zijn bezwaarschriften de door verweerder gebruikte cijfers van het inventarisboek heeft overgenomen om zijn indiciair tekort te weerleggen.

In de gegeven omstandigheden is de voor akkoord ondertekende regularisatieopgave dan ook bindend.

3.2.2. Krachtens artikel 70, § 1 W.BTW. werd aan eiser een boete opgelegd ten bedrage van … EUR.

De normale verschuldigde boete volgens het artikel 70, § 1, eerste lid W.BTW. is vastgesteld op het dubbel van de ontdoken rechten.

Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting op de toegevoegde waarde, genomen ter uitvoering van artikel 70 W.BTW., bepaalt de schaal voor de vermindering van die proportionele fiscale geldboeten. In casu werd de verminderde boete vastgesteld volgens tabel G, eerste afdeling, V, van het K.B. nr. 41 op 20 % van de verschuldigde rechten, zijnde … EUR..

Een boete van 20 % op het BTW-bedrag en voor een bedrag van … EUR heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

De rechtbank stelt vast dat de begane overtredingen relatief ernstig zijn en het algemeen belang schade toebrengen. Eiser brengt bovendien geen enkel argument naar voor die als verzachtende omstandigheid kan worden aangemerkt om over te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de boete.

De hierboven geschetste concrete omstandigheden verantwoorden het opleggen van de fiscale geldboete t.b.v. … EUR. Bovendien is de verminderde fiscale geldboete tot … EUR. evenredig met de gepleegde inbreuken.

3.2.3. In zoverre de vordering van eiser inhoudt dat zonder motivering en in strijd met de wet interesten worden opgenomen in het dwangbevel, moet worden vastgesteld dat het dwangbevel uitdrukkelijk verwijst naar het toepasselijk wetsartikel en dat de interesten aangerekend werden vanaf 21 januari 2003, d.i. interest zoals voorzien bij artikel 91, § 1 W.BTW, en er derhalve geen wetschending is.

Alle verdere argumentatie is niet langer dienend.

3.3. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

3.4. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad

Nu de hoofdvordering ongegrond wordt bevonden, moet de vraag tot voorlopige ten uitvoerlegging geacht worden zonder voorwerp te zijn.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het verzet ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op … EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op negentien december tweeduizend en vijf.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter,

L. N., e.a. adjunct-griffier

N. L. N. E.

Textes cités

1
AR no 41 art. 11 occurrence