Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 16 février 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-2010-02-16-c0af

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
16 février 2010

Parcours procédural

2 étapes · 1 an 9 mois
  1. Décision affichéeCour d'appel de Gand16.02.2010
  2. Décision sur pourvoiCour de cassation de Belgique24.11.2011

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

62 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 16.02.2010

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent - 5de kamer

Nr.2009/AR/483

in de zaak van :

L. V. P. NV,

met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. K. in eigen naam en loco mr. D. B. M., beiden advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, Belastingen en Invorderingen - Sector BTW, op vervolging van de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, wiens kantoren gevestigd zijn te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30.

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. W. F., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 25 februari 2009 werd door de appellante tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken op 25 februari 2008 door de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge waarbij het verzet van de appellante tegen het dwangbevel uitgevaardigd door K. N., eerstaanwezend inspecteur van het BTW­ontvangkantoor te Roeselare op 24 november 2005, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 25 november 2005 door K. D., eerstaanwezend inspecteur, BTW-Controle Roeselare, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge en betekend op 10 februari 2006 geheel werd afgewezen, dit alles met verwijzing van de appellante in de kosten van het geding.

Het hoger beroep van de appellante strekt er toe het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw wijzende de oorspronkelijke vordering van de appellante ontvankelijk en gegrond te verklaren en in hoofdorde te zeggen voor recht dat het dwangbevel nietig is en de vordering van de Belgische Staat ongegrond. De geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling aan de appellante van alle sommen die zij aan de geïntimeerde heeft betaald of die ten haren laste werden ingehouden ter aanzuivering van de navordering die het voorwerp van het dwangbevel uitmaakt, verhoogd met de moratoire rente voorzien bij art.91,§ 4 BTW-Wet.

De geïntimeerde vordert het hoger beroep af te wijzen als ongegrond.

De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.

Feitelijke gegevens

De appellante is ingeschreven als BTW-belastingplichtige voor de activiteit van diensten verwant met de landbouw. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 4 en 5 oktober 2004 werd door W. H., eerstaanwezend verificateur bij de Administratie van de BTW en in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit te Ieper, een controle gestart over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 juli 2001 tot 30 juni 2003.

Op 17 november 2005 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door vermelde ambtenaar. Volgens de administratie zijn het ophalen, vervoer en opslaan van mest geen landbouwdiensten en heeft de appellante voor deze diensten ten onrechte het tarief van 6 % toegepast. De betreffende diensten zijn ook geen werken in onroerende staat zodat het stelsel van verlegging van heffing niet kan worden toegepast. De appellante is dus verschuldigd … EUR als BTW, … EUR als boete, en intresten vanaf 21 juli 2003 op het BTW-bedrag.

Op 24 november 2005 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare een dwangbevel uitgevaardigd. Dit werd op 25 november 2005 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door K. D., e.a. inspecteur a.i. aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Brugge en op 10 februari 2006 werd het dwangbevel met het aangehechte proces-verbaal betekend.

Op 17 februari 2006 heeft de appellante een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie. De fiscale vordering werd echter afgewezen. Het is tegen voormeld vonnis dat hoger beroep werd ingesteld.

Beoordeling

Uit het proces-verbaal is gebleken dat de appellante regelmatig mest ophaalt bij landbouwers en veeteeltbedrijven in West­Vlaanderen. Deze mest wordt vervoerd en opgeslagen in vergunde silo's in Pepingen (Vlaams Brabant). De silo's zijn eigendom van de NV L. V., maar worden beheerd door FV V. D. B. (exploitant van het mestverzamelpunt). Daar wordt deze mest dan op vraag van landbouwers uit die streek door V. D. B. of andere derden uit de silo's gehaald en geïnjecteerd of uitgespreid over hun gronden of op een andere manier reglementair verwerkt.

De verkoopfacturen van de appellante aan de landbouwers, bij wie zij de mest ophaalt, zijn bijzonder summier : er wordt alleen vermeld : "uitspreiden mengmest", of "vervoer en uitspreiden mengmest" of "injecteren mengmest" of "vervoer en injecteren mengmest". Waar deze handelingen gebeuren en wat ze precies inhouden wordt niet op de factuur vermeld. Deze manier van factureren bemoeilijkt de controle. Tussen de producent van de mest en de landbouwer waar de mest wordt verspreid is er geen overeenkomst, aldus het P.V.

Volgens de appellante bestaat de dienstverlening uit een complexe handeling van respectievelijk ophaling, vervoer, opslag én uitspreiding van de mest, waarbij de hoofdverrichting van de appellante het uitspreiden van mest is. Het geheel moet als een landbouwdienst beschouwd worden aan het tarief van 6% BTW. De vraag rijst wanneer een handeling uit verschillende elementen bestaat deze moet beschouwd worden als één enkele dienst.

Onder landbouwdiensten moet worden verstaan de verbouwingswerkzaamheden, oogstwerkzaamheden en teeltwerkzaamheden die bijdragen tot de voortbrengst van landbouwgronden. Volgens de termen van het P.V. moeten landbouwdiensten behoren tot de normale bedrijvigheid van landbouwers en anderzijds bijdragen tot de voortbrengst van landbouwproducten.

De administratie van de BTW aanvaardt dat de handeling die bestaat in het weghalen en het uitspreiden van mest een landbouwdienst is, ongeacht de opdrachtgever die veekweker is en bij wie de mest wordt opgehaald dan wel de exploitant van de landbouwgrond waarop de mest wordt uitgespreid. Volgens de administratie kan het weghalen alleen van de mest niet worden aangemerkt als een landbouwdienst.

Volgens het Hof van Justitie in het Card Protection Plan arrest van 25 februari 1999 is er sprake van één dienst "ingeval een of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofddienst te vormen, terwijl een of meer andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende diensten, die het fiscale lot van de hoofddienst delen".

Verder behoort het aan de nationale rechter de karakteristieke elementen van een rechtshandeling te onderzoeken ten einde na te gaan of de belastingplichtige verschillende onderscheiden hoofdprestaties levert dan wel een enige prestatie waarvan de ene het accessorium is die het regime van de hoofdprestatie volgt (Hof van Justitie, 25 februari 1999, T.F.R., 1999, nr.172, blz. 961 e.v.). Deze theorie van het "accessorium sequitur principale" werd verfijnd door een tweede arrest van het Hof van Justitie van 27 oktober 2005, T.F.R., 2006 nr. 301, blz. 399). Dit arrest erkent twee complexe handelingen nl. deze bestaande uit een hoofdprestatie en bijkomende prestaties en deze bestaande uit schijnbaar gelijkwaardige prestaties, waarbij het Hof steunt op overheersende elementen van de handeling.

De vraag rijst of een landbouwer die beroep doet op de appellante een globale dienstverlening ontvangt. Volgens het Hof van Justitie is het aan de nationale rechter de uitleggingselementen te bepalen of de handelingen vanuit BTW-oogpunt moeten worden geacht twee zelfstandige dienstverrichtingen te omvatten dan wel of een van deze twee diensten de hoofddienst is waarbij de andere bijkomend is zodat deze laatste het lot van de hoofddienst deelt.

Tussen de partijen onderling is er geen betwisting dat de appellante alleen instond als erkend mestvervoerder en dat de mest werd opgehaald en vervoerd met een vrachtwagen. Deze gegevens werden geregistreerd aan de hand van de mestafzetdocumenten.

Een mestafzetdocument is een formulier dat de erkende vervoerder moet opmaken voor het begin van elk transport van dierlijke en andere meststoffen. Het is treffend dat bij deze mestafzetdocumenten als afnemer de firma V. D. B. FV wordt vermeld.

Vervolgens zorgt de appellante zelf voor de uitspreiding op eigen initiatief ofwel doet zij beroep op haar gekozen zelfstandig ondernemer nl. de firma V. D. B. FV, met zetel te Pepingen, die blijkens het voorliggend document de aanbieder is en tegelijkertijd ook een erkend mestvervoerder.

In de feitelijke gegevens worden twee handelingen teruggevonden "het ophalen, vervoer en opslaan" en "het verspreiden" van de mest. De beide handelingen gaan gepaard met twee "mestafzetdocumenten" waarbij zowel de appellante als haar "onderaannemer de firma V. D. B." optreden als erkend mestvoerder. Er zijn ook twee geldstromen. Een eerste facturatie uitgaande van de appellante aan de landbouwers wiens mest werd opgehaald. Een tweede facturatie uitgaande van de onderaannemer V. D. B. FV gericht aan de appellante voor de geleverde prestaties nl. het uitspreiden van de mest. Waar de appellante voor haar dienstverlening … EUR/ton factureert wordt voor de uitspreiding een factuur opgemaakt uitgaande van V. D. B., eventueel aangevuld met een landvergoeding per ton die door haar werd betaald aan de afnemer.

Rekeninghoudend met alle gegevens dient de transactie als één overeenkomst te worden beschouwd. De fiscale behandeling verwijst naar·de "overheersende elementen". Volgens de Europese regelgeving worden prestaties van beheer van afvalstoffen omschreven als volgt: "inzameling, vervoer, toepassing van afvalstoffen met inbegrip van toezicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting". In vergelijking tot deze zaak zijn de elementen in onderhavige zaak gelijkaardig.

Bij de dienstverlening van de appellante is de hoofdverrichting het uitspreiden van mest op de landbouwgronden. Het is enkel omwille van het feit dat de transactie niet op één dag kan worden uitgevoerd (afstand tussen de hoeve, tijdgebrek) dat een gedeelte van de opgehaalde mest wordt gestockeerd in een silo. De appellante rekent de volledige dienstverlening aan de landbouwer - producent terwijl een factuur wordt opgemaakt door de FV V. D. B. voor de uitspreiding.

Het hoger beroep is derhalve gegrond.

Dispositif

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende,

Vernietigt het dwangbevel uitgevaardigd door K. N., eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare op 24 november 2005, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 25 november 2005 door K. D., eerstaanwezend inspecteur te Roeselare, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge en betekend op 10 februari 2006.

Verwijst de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen.

Begroot deze kosten als volgt :

- aan de zijde van de appellante :

* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

- aan de zijde van de geintimeerde :

* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op ZESTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN TIEN.

Aanwezig de Heren :

A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. T. en D. V., Raadsheren,

M.V., griffier.

M. V. D. V. G. T. A. D. M.