Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 10 janvier 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-anvers-2006-01-10-0ee8

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
10 janvier 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

109 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 10.01.2006

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

Zitting van 10/1/2006

In zake : 2002/AR/2580

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 20;

appellant,

tegen de vonnissen gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 20 maart 2002 en 22 mei 2002;

vertegenwoordigd door Meester A. V. L. d. J., advocaat te …, …;

tegen :

A. S., bakker, wonende te …, …, H.R. te Tongeren Nr. ;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester L. V. loco Meester J. B., advocaat te …, …;


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder de bestreden vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 20 maart 2002 en 22 mei 2002, waarvan geen betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 12 november 2002, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet op de vordering wegens tergend en roekeloos beroep ingesteld door geïntimeerde bij conclusie neergelegd ter griffie van het Hof op 24 oktober 2003.

Voorafgaande feiten en procedure

Geïntimeerde is als bakker BTW-belastingplichtige en als dusdanig onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

De NV R. en de NV K. waren leveranciers van geïntimeerde. Het wordt niet betwist dat deze leveranciers 'zwarte' verkopen deden. Op basis van computerlijsten uit de boekhouding van deze leveranciers en van een geschreven verklaring van een afgevaardigd bestuurder, heeft de BTW-administratie een omzetverhoging doorgevoerd voor 1993.

Op 7 januari 1997 heeft de ontvanger van het eerste ontvangkantoor van de BTW te Hasselt ten laste van geïntimeerde een dwangbevel uitgevaardigd, krachtens hetwelk van geïntimeerde betaling geëist wordt van :

BTW … BEF

boete = 200 % … BEF

te vermeerderen met de intrest aan 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.01.1995 op de som van … BEF, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de eerste kennisgeving of betekening van dit dwangbevel, ingevolge artikel 91, § 4 van het W.BTW en de vervolgingskosten.

Dit dwangbevel werd op 7 januari 1997 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en bij aangetekend schrijven van 7 januari 1997 ter kennis gebracht van geïntimeerde.

Bij dagvaarding van 7 juli 1997 vordert geïntimeerde het dwangbevel te vernietigen en de vordering van appellant ongegrond te verklaren, de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond hiervan werden geïnd, verhoogd met de intresten sedert de datum van betaling en appellant te veroordelen tot de kosten van het geding.

Geïntimeerde deed (en doet) in essentie gelden dat (1) de vordering van appellant gesteund is op onregelmatig verkregen bewijsmateriaal, (2) deze stukken niet bewijskrachtig zijn, (3) de meeromzet willekeurig werd berekend en (4) de opgelegde boete van 200 % onwettelijk is.

Bij vonnis van 6 april 1998 verklaart de eerste rechter het verzet ontvankelijk en alvorens verder ten gronde te oordelen, beveelt ambtshalve het verhoor als getuigen van de heren D. M. en B. betreffende de vraag of "de zwarte verkopen aan eiser, zoals vermeld wordt op de voorgelegde computerlijsten opgemaakt door de NV R. en de NV K., in werkelijkheid gebeurden".

In dit vonnis stelt de eerste rechter dat geen schending gebeurde van de artikels 61 en 62 W.BTW nu appellant op regelmatige wijze in het bezit kwam van stukken uit de boekhouding van de leveranciers van geïntimeerde.

Op 29 juni 1998 wordt het getuigenverhoor gehouden. Uit dit getuigenverhoor blijkt dat er zwarte leveringen gebeurden, doch de getuigen konden niet bevestigen dat dit ook het geval was voor geïntimeerde daar deze geregeld werden door de verkoopdienst.

Bij vonnis van 7 juni 1999 verklaart de eerste rechter de zaak niet in staat van wijzen omdat hij tijdens het beraad diende vast te stellen dat een identieke betwisting tussen dezelfde partijen voorheen aan dezelfde rechtbank werd voorgelegd, wellicht in verband met andere jaren en dat bij vonnis van 8 september 1997 het verzet van geïntimeerde gegrond werd verklaard. Partijen dienen de rechtbank in te lichten of er tegen dit vonnis hoger beroep werd ingesteld.

Bij vonnis van 20 maart 2002 beveelt de eerste rechter de heropening der debatten teneinde partijen toe te laten het arrest van het Hof van beroep te Antwerpen van 31 mei 1999 (waarbij het vonnis van 8 september 1997 wordt bevestigd) bij te brengen.

Bij vonnis van 22 mei 2002 verklaart de eerste rechter het verzet tegen het dwangbevel van 7 januari 1997 ontvankelijk en gegrond en doet dit dwangbevel teniet; zegt voor recht dat geïntimeerde de in het dwangbevel gevorderde BTW, administratieve geldboete, intresten en kosten niet verschuldigd is; veroordeelt appellant tot terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond hiervan werden geïnd en veroordeelt appellant tot de kosten van het geding.

Het hoger beroep van appellant strekt ertoe de bestreden vonnissen te vernietigen en de vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren alsook geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis, met de veroordeling van appellant tot de kosten.

Tevens vordert hij een schadevergoeding van … euro wegens tergend en roekeloos beroep.

In rechte

Het thans in betwisting zijnde dwangbevel betreft enkel de omzetverhoging voor het jaar 1993.

Geïntimeerde verwijst naar het arrest van dit Hof van 31 mei 1999, doch dit arrest heeft betrekking op de jaren 1991 en 1992.

Het bestreden dwangbevel steunt op een proces-verbaal van 7 januari 1997, dat op zijn beurt steunt op een proces-verbaal van 29 juni 1995, een proces-verbaal van 12 april 1996 en een proces­verbaal van 15 oktober 1996.

Het proces-verbaal van 29 juni 1995 werd opgesteld naar aanleiding van een controle bij de NV R. II en de NV K., die beide leveranciers waren van geïntimeerde, de eerste gedurende de jaren 1991 en 1992 en de tweede sedert 1 januari 1993.

Het proces-verbaal van 12 april 1996 beperkt zich tot de vordering ingevolge ontoereikende voldoening van de BTW op de door geïntimeerde gerealiseerde omzet in de jaren 1991 en 1992 en is derhalve niet relevant met betrekking tot huidige betwisting.

Het proces-verbaal van 15 oktober 1996 werd opgesteld naar aanleiding van een onderzoek bij de NV L.S.A. D. en bij de NV R. L. naar het bestand "STAT 1993".

De van NV L.S.A. D. bekomen stukken :

Geïntimeerde voert aan dat de BTW-administratie haar onderzoeksbevoegdheden heeft overtreden, doordat zij inlichtingen met betrekking tot de NV K. en de NV R. heeft opgevraagd bij een derde die deze inlichtingen zonder machtiging via de computer rechtstreeks aftapte van de boekhouding van deze firma's en dat deze gegevens bijgevolg niet kunnen weerhouden worden om er rechtsgeldige vermoedens op te baseren.

In het tussenvonnis van 6 april 1998 heeft de eerste rechter uitdrukkelijk gesteld dat er geen schending gebeurde van de artikelen 61 en 62 W.BTW nu appellant op regelmatige wijze in het bezit kwam van stukken uit de boekhouding van leveranciers van geïntimeerde.

Tegen dit vonnis werd geen hoger beroep aangetekend en dit onderdeel van de betwisting maakt dan ook niet meer het voorwerp uit van de aan het Hof onderworpen geschilpunten.

De meeromzet 1993

Tot bewijs van de meeromzet over de periode van 01.01.1993 tot en met 30.06.1993 legt appellant het op geïntimeerde betrekking hebbend deel voor van het document "STAT 3" of "STAT 1993" dat de leveringen over deze periode bevat.

Geïntimeerde voert terecht aan dat deze van de NV K. afkomstige gegevens op zich geen enkele bewijswaarde hebben, doch enkel te controleren gegevens zijn.

Bij controle van deze gegevens stelt het Hof vast dat de facturen die door de fiscus worden aangemerkt als beantwoordend aan officiële leveringen inderdaad overeenstemmen met de facturen die geïntimeerde in zijn boekhouding inschreef (dit gegeven wordt door geïntimeerde niet betwist) en dat op het document "stat 3" dat de leveringen met vermelding van de geleverde producten, de hoeveelheden, de data en de factuurnummers vermeldt, na de in de boekhouding opgenomen factuur, telkens een factuur volgt voor een volstrekt identieke levering (datum, aard van de producten en hoeveelheid), maar die niet in de boekhouding van geïntimeerde voorkomt en beantwoordt aan een levering die door de NV K. werd geboekt op de klantenrekening "kontante verkopen".

Deze beide elementen werden onderzocht voor de volledige periode van januari tot en met juni 1993.

Uit het proces-verbaal van 29 juni 1995 blijkt verder dat de opstellers ervan vaststelden dat de werking van de boekhouding aldus is opgevat dat in het klantenbestand een percentage is opgenomen dat bepaalt welk gedeelte van een bestelling wordt opgenomen op een bestelbon, die zal leiden tot een op naam van de klant uitgeschreven factuur en welk (resterend) gedeelte zal worden opgenomen op een leveringsbon, die zal worden opgenomen op een klantenrekening voor kontante verkopen.

Deze verwerking van bestelbons in facturen en van leveringsbons in kontante verkopen werd bevestigd door de heer D., gedelegeerd bestuurder van de NV K., en door de heer L., gedelegeerde bestuurder van de NV L.S.A. D., leverancier van dit systeem.

Uit dit proces-verbaal blijkt ook dat de afsplitsing tussen bestelbon en leveringsbon automatisch gebeurt bij het ingeven van de bestelling, maar dat het per bestelling kan aangepast worden indien nodig.

De bestellingen werden rechtstreeks geplaatst en niet aangenomen door een vertegenwoordiger, de leveringen werden verzorgd door een extern transportbedrijf en bij het ingeven van de bestelling zelf werd het onderscheid tussen officieel en zwart gemaakt, zodat het uitgesloten is dat de NV K. op willekeurige of onjuiste wijze zwarte aankopen op naam van de ene of de andere klant zou hebben geboekt.

Zij had daarvoor geen belang, vermits de voorgebrachte verwerking in de elektronisch gevoerde boekhouding nodig was om de bestellingen correct te kunnen afhandelen en noch het systeem van levering noch haar boekhouding lieten dit toe.

Uit niets blijkt dat de door geïntimeerde aangevoerde verkeerde facturatie op naam van bakkerij C. verband houdt met het door appellant vastgestelde systeem van splitsing van bestellingen tussen bestelbons en leveringsbons, vermits de ingeroepen factuur niet uitgaat van de NV K., maar van een firma B. G..

Het bewijs van de leveringen over de periode van 01.01.1993 tot en met 30.06.1993 is derhalve geleverd.

Wat de berekening van de uit de niet aangegeven leveringen ontstane meeromzet betreft, omschrijft het document "STAT3" wel degelijk de producten en hieronder bevinden zich geen producten die geen weerslag hebben op de meeromzet. Er zijn geen onderhoudsproducten bij.

Appellant heeft de meeromzet op correcte wijze berekend.

De boete van 200 %

Krachtens artikel 70, § 1 W.BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Krachtens artikel 84 van hetzelfde wetboek wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Krachtens artikel 1 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboete niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie op grond van voormeld artikel 70 W.BTW te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

Hierbij mag hij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

Het systematisch verrichten van zwarte aankopen van grondstoffen heeft tot doel op een permanent frauduleuze wijze handel te drijven en leidt tot een cascade van belastbare verrichtingen die aan de fiscus onttrokken worden.

Rekening houdend met de omvang van de fraude is te dezen een administratieve geldboete gelijk aan 100 % van de ontdoken belasting verantwoord.

Besluit

Uit het voorgaande blijkt dat de in het bestreden dwangbevel opgenomen vordering gegrond is als volgt :

BTW op meeromzet … EUR

boete hierop = 100% … EUR

totaal … EUR

te vermeerderen met de intresten zoals in het dwangbevel vermeld.

Gelet op het gelijk en het ongelijk van ieder der partijen dient appellant tot 1/3 en geïntimeerde tot 2/3 van de kosten van beide aanleggen veroordeeld te worden, zoals hierna begroot.

Tergend en roekeloos hoger beroep

Nu het hoger beroep van appellant grotendeels gegrond is, is er geen sprake van tergend en roekeloos beroep en is er dus geen reden om appellant uit dien hoofde te veroordelen tot enige schadevergoeding.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis.

Verklaart de vordering van geïntimeerde deels gegrond.

Zegt voor recht dat de in het bestreden dwangbevel gevorderde boete in hoofdsom wordt verminderd tot … BEF.

Beveelt de terugbetaling van de bedragen die in strijd met deze vermindering zouden zijn geïnd, vermeerderd met de intresten sedert de datum van betaling.

Verklaart de vordering van geïntimeerde voor het overige ongegrond.

Verklaart de vordering van geïntimeerde wegens tergend en roekeloos hoger beroep ongegrond.

Veroordeelt appellant tot 1/3 en geïntimeerde tot 2/3 van de kosten van het geding in beide aanleggen, begroot op aan de zijde van :

Appellant

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

- uitgavenvergoeding : … EUR

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

Geïntimeerde

- dagvaardingskosten : … EUR

- aanvullende rechtsplegingsvergoeding (getuigen) … EUR

- "aanvullende rechtsplegingsvergoeding (heropening der debatten) … EUR

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

telkens volgens opgave in conclusies.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van TIEN JANUARI TWEEDUIZENDENZES,

waar aanwezig waren :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;

M. V. d. B., Raadsheer;

D. D. H., Plaatsvervangend Raadsheer;

A. V. L., Griffier.

A. V. L. D. D. H. M. V. D. B. D. W.

Textes cités

1
AR no 41 art. 11 occurrence