Poursuite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 19 mars 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

PoursuiteTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-cour-appel-gand-2002-03-19-4dca

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
19 mars 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

58 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 19.03.2002

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent, 11e Kamer - Buitengewone Terechtzitting van 19-03-2002

Nr. 1997/AR/2603

In de zaak van :

V. NV, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Oudenaarde, onder het nummer …,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. K. A. loco Mr. S. S., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-controlekantoor te Geraardsbergen, wiens kantoren gevestigd zijn te 9500 GERAARDSBERGEN, Abdijstraat 8,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. P. M., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Overwegende dat de appellante bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 12 november 1997 tijdig en regelmatig hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis geveld op 12 mei 1997 door de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, eerste kamer; dat in dit vonnis haar vordering om de Belgische Staat te horen veroordelen tot terugstorting van BTW-tegoeden van de appellante ten bedrage van … BEF te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidsintresten, alsmede de kosten, niet ontvankelijk werd verklaard ingevolge verjaring;

2. Overwegende dat uit het feitenrelaas en de overgelegde stukken blijkt dat naar aanleiding van een strafonderzoek door de BBI (administratie van de Bijzondere Belastinginspectie) de BTW-rekening van de appellante werd geblokkeerd :

- dat als gevolg van een controle op 10 januari 1980 en volgende dagen door de BBI waarbij een meeromzet werd berekend voor de periode van 1 januari 1979 tot 30 april 1984, de administratie aan de appellante een voorstel overmaakte van "gedeeltelijke minnelijke inregelstelling" waarbij de appellante erkende voor die periode een bijkomend BTW-bedrag verschuldigd te zijn van … BEF;

- dat de appellante op 6 maart 1986 dit voorstel voor akkoord ondertekende met toevoeging van volgende tekst : “Met het oog op de deblokkering van de rekening-courant BTW …, is de ondergetekende bereid zich akkoord te verklaren m.b.t. het bedrag van de gevorderde BTW. Dit akkoord gebeurt evenwel zonder enige nadelige erkentenis en onder alle voorbehoud, en dit specifiek met betrekking tot de toegepaste procedure, en beoogt uitsluitend een minnelijke regeling";

- dat in het akkóord ook is vermeld dat de appellante ermede instemt dat het bedrag van de inregelstelling zou worden ingeschreven op het debet van haar rekening-courant BTW bij het CIV-BTW te Brussel;

- dat bij definitief arrest van het Hof van beroep te Gent van 10 mei 1990 de strafrechtelijke vervolgingen werden beëindigd; dat de zaakvoerder werd veroordeeld wegens fiscale valsheid in geschriften in BTW­zaken in de periode van 1 januari 1979 tot en met 30 mei 1984; dat in de motivering het arrest stelt dat de boekhoudkundige documenten (fotokopies van klantensteekkaarten) door diefstal werden bekomen zodat deze geen bewijswaarde hebben en met de erop vermelde bedragen geen rekening mag worden gehouden;

- dat bij aangetekende brief van 4 maart 1991 de appellante aan de administratie vroeg de ingehouden sommen te willen terugstorten, gelet op het feit dat volgens haar de beslissing van het Hof van beroep ertoe leidt dat het verrekend BTW bedrag definitief niet verschuldigd is;

- dat op 13 mei i 991 de appellante op vraag van de administratie de nodige stukken liet geworden, en o.m. een afschrift van het arrest van het Hof van beroep van 10 mei 1990;

- dat ingevolge een voorstel van de administratie der directe belastingen in verband met bezwaarschriften inzake vennootschapsbelastingen in de betrokken periode, de appellante bij brief van 12 september 1994 aan de administratie van de DBI vroeg de herberekening te maken van de BTW­schuld op basis van het voorstel van de Gewestelijke Directie;

- dat op 15 september 1994 de administratie van de 881 liet weten dat het niet zinvol was om tot een herberekening over te gaan daar de verjaring van het recht op teruggave was ingetreden;

- dat de appellante uiteindelijk bij dagvaardingexploot van 17 maart 1995 de Belgische Staat heeft gedagvaard tot terugstorting van de BTW-tegoeden voor het bedrag van … BEF meer de intresten en de kosten; dat zoals reeds hierboven is aangehaald de eerste rechter deze vordering onontvankelijk heeft verklaard wegens verjaring;

3. Overwegende dat volgens de appellante de vordering tot terugstorting van het bedrag van … BEF geen vordering is tot teruggave van een door haar voldane of betaalde belasting maar een vordering tot terugstorting van een door de administratie ten onrechte en onwettelijk verrichte inhouding van BTW-tegoeden. zodat de vordering geenszins is verjaard; dat de appellante dan ook de hervorming vraagt van het bestreden vonnis;

Overwegende dat de geïntimeerde opnieuw de verjaring inroept en verzoekt om het vonnis van de eerste rechter te bevestigen;

4. Overwegende dat de appellante aanvoert dat de toerekening van het bedag van … BEF op haar rekening-courant net is gebeurd op verzoek van de administratie; dat zij ook stelt dat zij zich geenszins akkoord verklaarde met de inschrijving van de door de administratie gevorderde som op het debet van haar BTW-rekening;

Overwegende dat de bewering van de appellante dat zij niet akkoord ging met de inschrijving van de door de administratie gevorderde som op het debet van haar BTW-rekening niet kan worden gevolgd; dat deze bewering in strijd is. met de tekst van de minnelijke inregelstelling van 6 maart 1986; dat het akkoord duidelijk vermeldt dat de appellante ermede instemt "dat de verschuldigde sommen van deze inregelstelling ingeschreven worden op het debet van de rekening-courant”;

Overwegende dat de tekst van het akkoord van 6 maart 1986 een geheel uitmaakt en dat dit akkoord, weliswaar gegeven onder alle voorbehoud, niet is beperkt tot het bedrag van de gevorderde BTW, zoals de appellante staande houdt; dat door dit akkoord de administratie de uitdrukkelijke schriftelijke akkoordverklaring heeft ontvangen van de BTW-belastingplichtige appellante om tot de verrekening over te gaan; dat de inschrijving op de rekening-courant dan ook regelmatig is verricht;

Overwegende dat dient te worden aangenomen dat het ter zake gaat om een "betaling op verzoek van de administratie''; dat de gedane toerekening op de rekening-courant van de appellante gebeurde op grond van een minnelijke regeling, maar eveneens als gevolg van de navordering van de administratie in aansluiting op een controle;

Overwegende dat de omstandigheid dat de appellante ermede instemde als minnelijke regeling ten einde haar rekening te deblokkeren, dat de verschuldigde som van de inregelstelling zou worden ingeschreven op het debet van haar rekening-courant, geen afbreuk doet een het feit dat de betaling plaats greep op verzoek van de administratie; dat ook de omstandigheid dat het akkoord onder voorbehoud werd aanvaard daar evenmin afbreuk aan doet;

Overwegende dat de appellante ook ten onrechte stelt dat de artikelen 82 en 90 van het W.BTW over ''de teruggaaf van belastingen" ten deze geen toepassing vinden;

Overwegende dat vermits het gaat om een "betaling", weliswaar onder voorbehoud, op verzoek van de administratie, de teruggave dient te worden gevorderd door middel van een dagvaarding binnen vijf jaar vanaf de betaling;

Overwegende dat artikel 82 van het W.BTW bepaalt dat de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop ze is ontstaan; dat op grond van artikel 14 van het Koninklijk Besluit nr. 4 van 20 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde (uitvoeringsbesluit) de vordering tot teruggaaf moet worden ingesteld binnen vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de betaling van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten, die werden voldaan op verzoek van de administratie;

Overwegende dat artikel 90 van het W.BTW voorschrijft dat de vordering tot teruggaaf van de belasting van de intresten en van de administratieve geldboeten wordt ingesteld bij exploot met dagvaarding, betekend aan de Staat; dat ook artikel 14, al. 2 van het Koninklijk Besluit nr. 4 van 20 december·1969 bepaalt dat die vordering wordt ingesteld bij exploot met dagvaarding, betekend aan de Staat;

Overwegende dat de appellante ten onrechte nog wil doen aannemen dat de termijn van vijf jaar om de vordering tot teruggave overeenkomstig artikel 14 van het Koninklijk Besluit nr. 1 van 20 december 1969 in te stellen loopt vanaf de datum van de kennisgeving bij ter post aangetekende brief van de beslissing waarbij de bij de administratie ingediende aanvraag om teruggaaf wordt verworpen; dat immers uit de samenlezing van artikel 14 met artikel 6 van hetzelfde Koninklijk Besluit dient te worden aangenomen dat wanneer bedragen zijn betaald op verzoek van de administratie de vordering tot teruggave dient ingesteld binnen de vijf jaar vanaf de datum van betaling en bij dagvaardingsexploot, terwijl de vordering tot teruggave van BTW die vrijwillig is betaald eveneens bij dagvaardingsexploot dient ingesteld binnen de vijf jaar doch te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing waarbij het verzoek tot teruggave, hetzij door aangifte (artikel 8 - 1), hetzij door een aanvraag (art. 9) werd afgewezen;

Overwegende dat met de eerste rechter ook dient te worden aangenomen dat de bijzondere procedure voorzien in de BTW-wetgeving voorrang krijgt op de algemene wet op de rijkscomptabiliteit;

Overwegende dat de door de administratie overgelegde stukken aantonen dat de verschuldigde som volledig was toegerekend op datum van 21 april 1986; dat de dagvaarding van 19 maart 1995 dan ook plaats greep meer dan 5 jaar na de datum van betaling, zodat de eerste rechter terecht heeft beslist dat de vordering verjaard was;

Overwegende dat ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten de verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek; dat een nieuwe verjaring die op dezelfde wijze kan worden gestuit, in dat geval verkregen wordt vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is (artikel 83, al 1 W.BTW);

Overwegende dat de aangetekende brief van 4 maart 1991 waarbij de appellante aan de administratie vroeg de ingehouden som terug te geven, in het besproken geschil niet als een geldig verzoek tot teruggave kan worden aangenomen, en ook niet kan gelden als een daad van stuiting van de verjaring;

Overwegende dat de eerste rechter dan ook terecht, op gronden die het Hof beaamt en voor zover als nodig hier herhaalt en overneemt, de vordering van de appellante niet ontvankelijk heeft verklaard wegens verjaring;

Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is;


Overwegende dat nu het monetair stelsel van openbare orde is en sinds 1 januari 2002 de EURO als geldende munt is ingevoerd, de betrokken bedragen in deze munt dienen gelezen te worden aan de omrekeningskoers van 40,3399 BEF voor … EURO;

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Verwijst de appellante in de kosten van het hoger beroep, begroot aan haar zijde op € … rechtsplegingsvergoeding en begroot aan de zijde van de geïntimeerde op € … rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in buitengewone openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, elfde kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op NEGENTIEN MAART TWEEDUIZEND EN TWEE.

Aanwezig :

Mevrouw N. v. I., Voorzitter,

De heer A. D. M., Raadsheer,

Mevrouw S. D. B., Raadsheer,

De heer M. V., griffier.

M. V. S. D. B. A. D. M. N. v. I.

Textes cités

1
AR no 4 art. 141 occurrence