Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du tribunal de première instance de Gand du 28.05.2026 (24/2586/A)
FIN 5495752001
Fausses factures
Résumé
Résumé non fourni
Texte intégral
Corps de la décision
L'arrêt n'est disponible que dans la langue originale.
Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen
afdeling Gent
6e burgerlijke kamer
Vonnis
Rolnummer: 24/2586/A
In de zaak van :
cie1, KBO ..., met zetel te ...,
eisende partij, hebbende als raadslieden mr. DEFOOR WIM, advocaat te 1000 Brussel, Verenigingstraat 57-59, en mr. CALMEYN KRISTIAAN, advocaat te 8670 Oostduinkerke, Europaplein 22/1504;
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de:
- Algemene Administratie van de Inning en Invordering, handelend ten verzoeke van de Adviseur Invordering — Team Invordering Rechtspersonen Aalst, met kantoor te 9300 Aalst, Dr. André Sierensstraat 16 bus 1,
- Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal BBI Brussel, met kantoor te 1030 Brussel, Koning Albert II Laan 33 bus 49, met als correspondentieadres 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6 bus 806,
verwerende partij, voor wie optreedt de heer VANWIJNSBERGHE NICK, adviseur bij een fiscaal bestuur;
Beslist de rechtbank als volgt:
1. Rechtspleging
De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van donderdag 30 april 2026 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad.
De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.
De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. Vorderingen van de partijen
2.1. Eiseres vordert in synthesebesluiten het volgende :
- De vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- Bijgevolg, in hoofdorde, de bestreden fiscale schuld (btw), zoals opgenomen en uitvoerbaar verklaard in het innings- en invorderingsregister btw met schuldnummer 500266005193 te vernietigen, minstens op passende wijze te ontheffen en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van btw, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn;
- In ondergeschikte orde: de administratieve geldboeten van 200 % te vernietigen en/of te ontheffen, kwijt te schelden of de tenuitvoerlegging ervan uit te stellen;
- De Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van alle bedragen ten titel van btw, geldboeten en interesten, die reeds door eiseres zouden zijn betaald of door de Belgische Staat zouden zijn ingehouden ter delging van de beweerde fiscale schuld, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten vanaf de dag van betaling/inhouding, te kapitaliseren overeenkomstig artikel 5.207 BW (voorheen art. 1154 Oud BW);
- De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van i) de vaste bijdrage t.b.v. 24,00 euro voor de juridische tweedelijnsbijstand (inwerkingtreding op 1 mei 2017 van de wet van 19 maart 2017) en ii) de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (B.S. 9 november 2007) (geïndexeerd basisbedrag: 10.988,37 euro).
2.2. Verweerder vordert in syntheseconclusie het volgende :
De vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;
Eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding.
3. Relevante feiten en procedurevoorgaanden
3.1. Eiseres werd op 28 mei 2008 opgericht door de heer K.A. en mevrouw S.B.. Eiseres houdt zich bezig met het uitvoeren van grond¬, riolerings- en wegeniswerken. Meer bepaald met het herstellen van voetpaden nadat de straten waren opengelegd voor werken zoals voor waterleidingen. Daarbij wordt een beroep gedaan op onderaannemers zodat grote projecten kunnen worden verwezenlijkt, zoals voor de cie2, cie3, cie4, ...
Voor de betrokken jaren werden door eiseres regelmatige BTW-aangiften ingediend.
3.2. Naar aanleiding van een fiscale controle bij eiseres werd gemeld dat de facturen van het jaar 2019 door de Federale Gerechtelijke Politie Antwerpen werden opgehaald in het kader van een gerechtelijk onderzoek (stuk 3 verweerder). In opvolging hiervan werd door de adviseur-generaal van de BBI Brussel bij brief van 4 februari 2021 aan de Procureur des Konings te Antwerpen gevraagd om de inzage en afschrift van het dossier. Bij brief van 17 februari 2021 werd de gevraagde inzage en kopiename in het dossier (…) verleend (stuk 3 verweerder). In opvolging hiervan werd door verweerder op 6 mei 2021 inzage genomen in het betrokken dossier, waarvan een PV werd opgesteld (stuk 3 verweerder). Opgemerkt zij dat deze inzage aan geen enkele voorwaarde onderworpen werd vanwege het parket.
Eerder werd door verweerder reeds inzage en kopiename gevraagd in de gerechtsdossiers (…) betreffende de heer A.W., waartoe toelating werd verleend bij brief van 3 oktober 2019 (stuk 4 verweerder). Daarbij werd wel de uitdrukkelijke voorwaarde aan de inzage gekoppeld dat 'op basis van de gegevens bekomen ingevolge de inzage van het strafdossier vooralsnog geen enkele administratieve sanctie (administratieve geldboete of belastverhoging) wordt opgelegd in hoofde van alle in het dossier opgenomen natuurlijke en rechtspersonen, behoudens uitdrukkelijk akkoord van mijn ambt'. In opvolging van de verleende machtiging werd door verweerder op onder meer 15 oktober 2019 inzage en kopie genomen van de gegevens van de betrokken gerechtsdossiers (stukken 4 verweerder).
3.3. Bij aangetekende zending van 14 december 2022 werd aan eiseres een kennisgeving gericht tot toepassing van de 7-jarige verjaringstermijn inzake BTW (art. 84ter BTW-Wb. — stuk 1 verweerder). Blijkbaar volgt deze kennisgeving op onderzoek dat gebeurde bij eiseres op 11 januari 2021 en de eerder door de boekhouder overgemaakte auditbestanden van de boekhouding. Door verweerder wordt een overzicht gegeven van de onderzoeken die hierop volgden (zie p. 3 e.v. syntheseconclusie verweerder).
In de kennisgeving wordt melding gemaakt van de inlichtingen bekomen van eiseres, meer bepaald met betrekking tot de onderaannemers waarop eiseres een beroep deed. Verder wordt ook verwezen naar de informatie bekomen naar aanleiding van de fiscale controle waarbij ook de BTW m.b.t. de overige kosten aan bod komt en meer bepaald de werken die betrekking hebben op de woning van de heer K.A. en zijn echtgenote. Verweerder besluit in de betrokken kennisgeving dat 'er op basis van voormelde vaststellingen ernstige vermoedens van belastingontduiking inzake BTW in hoofde van eiseres voor de jaren 2018 en 2019 aanwezig zijn. Alles wijst er op dat eiseres de BTW tijdens 2018 en 2019 met voorbedachten rade systematisch ten onrechte in aftrek heeft gebracht. Daarnaast blijkt uit de vaststellingen dat eiseres in dit kader ook gebruik heeft gemaakt van valse facturen.'
Vervolgens wordt in een proces-verbaal van taxatie van 6 januari 2023 (stuk 2 verweerder - datum van kennisgeving niet gekend), gemeld welke fiscale inbreuken eiseres ten laste worden gelegd en welk bedrag aan BTW uit dien hoofde verschuldigd is voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019. Meer bepaald gaat het om de volgende bedragen aan BTW die gevorderd worden waarvan op basis van onder meer artikel 45 § 1, 1° BTW-Wb en de artikelen 1 § 2 KB nr. 3 van 10 december 1969 en 3 § 1, 1° KB nr. 3 van 10 december 1969 ten onrechte de BTW in aftrek werd gebracht en verder uit hoofde van verschuldigde BTW op intracommunautaire verwervingen (art. 25ter § en 51 § 1, 2° BTW-Wb.) :
onderaannemingen voor de periode 2018-2019: 66.057,14 EUR; andere uitgaven met betwist privékarakter: 53.657,59 EUR;
facturen cie7: 2.800,84 EUR;
niet-aangegeven intracommunautaire verwervingen: 3.079,86 EUR; facturen m.b.t. autokosten: 3.201,31 EUR.
Verder wordt in het PV van taxatie melding gemaakt van een boete overeenkomstig artikel 70 § ibis BTW-Wb. gelijk aan het dubbel van de rechten of 200 %, zijnde in casu 251.450,00 EUR. Verder wordt verwezen naar de toepassing van artikel 70 § 1 BTW-Wb. i.v.m. de inbreuken op de intracommunautaire verwervingen uit hoofde waarvan een boete verschuldigd is van 6.159,72 EUR. Dit alles meer de interesten vanaf 21 januari 2020 overeenkomstig artikel 91 § 1 BTW-Wb.
Uit de conclusies van partijen leidt de rechtbank af (dienaangaande worden door geen van de partijen stukken voorgelegd) dat vervolgens bij innings- en invorderingsbericht van 27 februari 2023, onder artikelnummer 500266005193, uitvoerbaar verklaard op 23 februari 2023, de betrokken BTW-vordering werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister.
3.4. Bij aangetekend schrijven van 16 mei 2023 werd door eiseres een bezwaarschrift ingediend tegen de betrokken BTW-vordering (stuk 1 eiseres). Uit de syntheseconclusie van verweerder blijkt dat, gelet op de besprekingen tussen partijen en het reeds hangende geding voor de rechtbank, geen beslissing werd genomen over dit bezwaarschrift.
3.5. Bij verzoekschrift van 1 oktober 2024, neergelegd ter griffie op 1 oktober 2024, maakte eiseres de vordering aanhangig bij deze rechtbank.
4. Beoordeling
4.1. Ontvankelijkheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Aangezien de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid vaststelt, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, is de vordering ontvankelijk.
4.2. Ten gronde
4.2.1. Onregelmatige bewijsgaring
4.2.1.1. Eiseres stelt dat verweerder zich voor de taxatie gesteund heeft op verklaringen uit de strafdossiers die werden afgelegd tijdens verhoren zonder de bijstand van een advocaat en aldus in strijd met de Salduz-rechtspraak. Volgens eiseres moeten de betrokken PV's uit de debatten worden geweerd. Eiseres stelt dat zij geen toegang heeft gekregen tot de volledige strafdossiers waarop verweerder haar vordering heeft gebaseerd. Dit zou een schending van het eerlijk proces inhouden.
Verder stelt eiseres dat bij het verlenen van de inzage, het Openbaar Ministerie de inzage koppelde aan de uitdrukkelijke voorwaarde dat op basis van de gegevens uit het strafdossier geen enkele administratieve sanctie wordt opgelegd in hoofde van alle in het dossier opgenomen natuurlijke en rechtspersonen. Niettemin werd in casu een administratieve geldboete van 200 % opgelegd. Bijgevolg werd, aldus nog eiseres, gebruik gemaakt van de gegevens van het gerechtsdossier zonder geldige toelating en moeten ook om die reden deze stukken uit de debatten worden geweerd.
Volgens eiseres is de BTW-navordering om voormelde reden integraal nietig.
4.2.1.2. Voor wat de mogelijke schending van de Salduz-rechtspraak betreft doordat verklaringen werden afgelegd zonder bijstand van een advocaat, verwijst verweerder naar het feit dat betrokkenen uitdrukkelijk vermeldden geen bijstand van een advocaat te vragen (stukken 9 e.v. verweerder). Verder wijst verweerder erop dat de taxatie niet enkel gesteund is op de gegevens uit het strafdossier, maar eveneens en voornamelijk op de resultaten van het eigen onderzoek.
Verweerder stelt dat de fiscaal relevante stukken van het strafdossier aan eiseres werden meegedeeld op 28 juni 2023 waarvan kennis werd genomen naar aanleiding van de inzage van het volledige administratieve dossier (stuk 5 verweerder). De aangehaalde PV's werden daarin opgenomen (stukken 6 e.v. verweerder).
Voor wat de stelling van eiseres betreft, dat de uitdrukkelijke voorwaarde voor de inzage en kopiename van de strafdossiers, door verweerder niet werd nageleefd doordat wel een administratieve boete werd opgelegd, stelt verweerder dat uit het latere PV van 28 september 2021 blijkt dat hiervan afgestapt werd. De Procureur des Konings bepaalde immers dat van de personen die niet werden opgenomen in de eindvordering als inverdenkinggestelde, het dossier via administratieve weg afgehandeld diende te worden. Eiseres kreeg inzage van dit stuk (PV Una Via — stukl2 verweerder).
4.2.1.3. Voor wat de ingeroepen schending van de Salduz-rechtspraak en - wetgeving betreft, is de rechtbank van oordeel dat uit de voorgelegde PV's blijkt dat betrokkenen erop werden gewezen dat zij recht hebben op de bijstand van een advocaat en hier ook van op de hoogte waren. Zo ondertekenden de 'werknemers' van eiseres een 'afstandsverklaring' waarin zij uitdrukkelijk werden gewezen op hun rechten waaronder op het recht op bijstand van een advocaat (stukken 9 e.v. verweerder). De rechtbank is dan ook van oordeel dat een schending van de Salduz-rechtspraak en -wetgeving niet aangetoond is.
Voor wat de inzage en voorlegging van het volledige strafdossier betreft, waarin eiseres, noch de heer K.A. strafrechtelijk vervolgd werden, is de rechtbank van oordeel dat de administratie niet gehouden is daarvan een volledige kopie voor te leggen. Waar verweerder gehouden is door het beroepsgeheim en derhalve geen stukken uit het strafdossier ter beschikking kan stellen die betrekking hebben op derden, is het aan de administratie om aan de hand van de door haar naar voor gebrachte stukken haar vordering aan te tonen. Daarbij kan de rechtbank vanzelfsprekend enkel die stukken beoordelen die door verweerder aan haar worden voorgelegd. De rechtbank stelt in dit verband vast dat verweerder in het kader van de procedure aan eiseres, in toepassing van de Wet van 11 april 1994, een uitgebreid bundel met stukken heeft voorgelegd (zie stuk 5 verweerder). Daarbij zijn er geen aanwijzingen dat er mogelijk stukken zouden zijn achtergehouden die betrekking zouden hebben op eiseres en die in haar voordeel zouden zijn. Eiseres maakt het verder niet aannemelijk en motiveert haar verzoek tot volledige voorlegging van het strafdossier niet waarom haar rechten zouden zijn geschonden doordat niet alle stukken van het strafdossier zouden zijn voorgelegd. Het verzoek tot volledige voorlegging van het strafdossier wordt dan ook afgewezen.
Voor wat ten slotte de stelling van eiseres betreft dat het niet toegestaan was, gelet op de uitdrukkelijke voorwaarde zoals vermeld in de voorwaarde tot de inzage en kopiename door het Openbaar Ministerie, volstaat het te verwijzen naar het PV van 28 september 2021 (stuk 12 verweerder). Het gaat ter zake om een PV betreffende het overleg dat plaatsvond met verweerder in het kader van de 'una-via'-wetgeving omtrent eiseres en K.A. en waarin het volgende beslist werd:
"Mijn ambt heeft, na raadpleging, analyse en bespreking van de voorgelegde documenten, beslist dat het dossier verder via administratieve weg dient te worden afgehandeld, doch enkel voor zover dit betrekking heeft op de natuurlijke en/of rechtspersonen die niet als dusdanig uitdrukkelijk als inverdenkinggestelde werden opgenomen in de door mijn Ambt opgestelde eindvordering in het dossier (…)".
Opgemerkt zij dat eiseres van dit stuk inzage verkreeg, zoals vermeld op de namens eiseres ondertekende verklaring van inzage en kopiename (stuk 5 verweerder, p. 5/30). Uit het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 juni 2023 (stuk 3 eiseres) volgt dat eiseres, noch de heer K.A. strafrechtelijk werden vervolgd voor de betrokken feiten.
4.2.2. Verjaring van de rechtsvordering
4.2.2.1. Eiseres stelt dat de verlengde verjaringstermijn van zeven kalenderjaren (art. 81bis § 1, lid 2 BTW-Wb. enkel van toepassing is indien het gaat om een overtreding begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden (art. 81bis § 1, lid 2, 4° BTW-Wb.). Volgens eiseres kunnen enkel de overtredingen die doelbewust met een frauduleus oogmerk zijn begaan binnen de verlengde verjaringstermijn worden getroffen. Volgens eiseres is van een aantal overtredingen niet aangetoond dat het vereiste opzet aanwezig is. Verder is volgens eiseres de kennisgeving overeenkomstig artikel 84ter BTW-Wb. niet rechtsgeldig gemotiveerd. Volgens eiseres is er geen sprake van enige overtreding begaan met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden.
Niet aangetoond zou zijn dat de facturen van de onderaannemers werden geboekt met het opzet de belasting te ontduiken. Eiseres stelt in dit verband dat er blijkbaar uit het gerechtelijk onderzoek lastens eiseres niet voldoende bezwaren naar voor kwamen zodat het zonder gevolg lastens eiseres werd afgesloten. Hieruit volgt volgens eiseres dat er geen sprake was van enig bedrieglijk opzet in hoofde van de vennootschap en derhalve van de toepassing van artikel 81bis § 1, tweede lid, 4° WIB 92. Fraude kan volgens eiseres niet worden vermoed, maar moet worden bewezen. Daarbij wijst eiseres op het feit dat ook de aftrek van facturen van onderaannemers werden verworpen die niet in het strafrechtelijk dossier worden vermeld.
Ook de BTW m.b.t. de andere overtredingen (zoals de BTW op uitgaven zonder factuur of andere uitgaven met een betwistbaar beroepskarakter) kunnen enkel binnen de verjaringstermijn van drie jaar worden nagevorderd.
De bouwwerken aan de gezinswoning, zouden verder door eiseres ten laste zijn genomen omdat zij opstalhouder is en de terbeschikkingstelling van de woning kaderde in de loonpolitiek van eiseres.
4.2.2.2. Vastgesteld moet worden dat verweerder niet ten gronde ingaat op het afzonderlijk door eiseres naar voorgebrachte middel dat minstens voor bepaalde facturen, waarvan de aftrek van de BTW wordt verworpen, niet voldaan is aan het bewijs dat dit gebeurde met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Blijkbaar beperkt verweerder zich tot de facturen van de onderaannemers en wordt slechts summier ingegaan op de 'verworpen aftrek overige zaken' (vanaf punt 4.2.3. op blz. 27 syntheseconclusie verweerder). Gemeld wordt dat de uitgaven waarvoor er geen factuur werd voorgelegd, uitgaven die bestemd zijn voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan de economische activiteit en uitgaven die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 45 § 1, 1' BTW-Wb., uitvoerig werden besproken in het PV van taxatie van 19 november 2021 (stuk 2 verweerder). De stelling van eiseres dat de uitgaven voor de oprichting en inrichting van de woning belastbare handelingen zouden zijn, wordt volgens verweerder niet geconcretiseerd.
Verder wordt bij de motivering van de opgelegde boete door verweerder, die ook enkel van toepassing is indien aangetoond is dat met opzet belastingen werden ontdoken, omzeggens enkel verwezen naar de facturen van de onderaannemers. Voor de overige facturen waarvan de BTW wordt verworpen wordt door verweerder gesteld dat deze BTW systematisch en over een lange periode in aftrek werd gebracht terwijl deze betrekking hebben op privéaangelegenheden of waarvan er geen enkel bewijsstuk kon worden voorgelegd.
4.2.2.3. Artikel 81bis § 1 BTW-Wb. bepaalt dat er verjaring is van de voldoening van de belasting, van de nalatigheidsinteresten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het 3de kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, nalatigheidsinteresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. Artikel 81bis § 1, tweede lid, 40 bepaalt dat in afwijking van het eerste lid, er evenwel verjaring is na het verstrijken van het 7de kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan wanneer de overtreding bedoeld in de artikelen 70 en 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.
Voor de toepassing van de termijn van 7 jaar, moet derhalve worden aangetoond dat de overtredingen bedoeld in de artikelen 70 en 71 BTW-Wb. begaan werden met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Bedoeld zijn onder meer de overtreding van de verplichting de belasting te voldoen of nog, het op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze in aftrek brengen van de belasting. Daarbij houdt het 'bedrieglijk opzet' in dat de overtreding werd begaan met de bedoeling zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen. Van 'oogmerk om te schaden' is sprake indien de overtreding wordt begaan met de wil om nadeel te berokkenen, zelfs zonder dat de belastingplichtige enig voordeel uit de handeling haalt. De bewijslast van de aanwezigheid van het 'bedrieglijk opzet' en 'oogmerk om te schaden', rust op verweerder.
4.2.2.4. Uit het PV van 6 januari 2023 (stuk 2 verweerder), blijkt dat er, naast de BTW m.b.t. de facturen van de onderaannemers, de aftrek van de BTW m.b.t. een aantal andere diverse uitgaven worden verworpen (zie p. 42 e.v. van betrokken PV). Het gaat dan om uitgaven van het jaar 2019 waarvan door eiseres in de loop van de taxatie geen of niet voldoende informatie werd verstrekt. En waarvan, voor een groot deel van deze uitgaven, door verweerder wordt vermoed dat deze betrekking hebben op de bouw van de privéwoning van de heer K.A. en zijn echtgenote. Volgens verweerder werd uit dien hoofde de BTW voor een bedrag van 50.458,00 EUR (bijlage 1 bij PV van 6 januari 2023) ten onrechte in mindering gebracht. Verder is er de BTW (2.842,82 EUR) m.b.t. facturen waarvan, ondanks de vragen van verweerder, door eiseres niet werd aangetoond dat deze een band hebben met de beroepswerkzaamheid (tabel p. 44 van PV 6 januari 2023). Verder de BTW op aankopen die intracommunautair werden verworven, maar die betrekking zouden hebben op privéaankopen (bedrag van 356,77 EUR BTW; tabel p. 45 van PV van 6 januari 2023). Van facturen van cie7 met referentie 'S.T.', werd evenmin, na aanvraag daartoe, bijkomende toelichting verstrekt, terwijl het gaat om aangekocht materiaal dat niet in verband kan worden gebracht met de activiteit van eiseres. Aldus werd, aldus verweerder, BTW voor een bedrag van 2.809,84 EUR ten onrechte in mindering gebracht. Intracommunautaire verwervingen met BTW voor een bedrag van 3.079,86 EUR werden ten onrechte niet aangegeven. Bovendien zou het eveneens gaan om uitgaven in de privésfeer. Tot slot is er nog de niet-aftrekbare BTW m.b.t. autokosten voor een bedrag van in totaal 3.201,31 EUR.
Uit het PV van taxatie van 6 januari 2023 (stuk 2 verweerder) blijkt dat verweerder een diepgaand onderzoek heeft gedaan naar de aftrekbaarheid van de BTW van de betrokken uitgaven. Voor een groot deel van de vermelde facturen wordt de BTW verworpen omdat volgens verweerder geen of geen afdoende verklaring wordt gegeven. Nergens wordt evenwel bij de verwerping van de aftrek van de BTW van de betrokken facturen door verweerder gemotiveerd dat er ter zake sprake is in hoofde van eiseres van bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Het enige wat ter zake is terug te vinden in het PV van 6 januari 2023 (stuk 2 verweerder, p. 57/71), is de vermelding bij de motivering van de opgelegde administratieve boete, in toepassing van artikel 70 § ibis BTW-Wb. dat het gaat om een systematisch en over een lange periode in aftrek brengen van BTW via de BTW-aangifte m.b.t. goederen en diensten die betrekking hebben op privéaangelegenheden (bouw van villa) of waarvoor geen enkel bewijsstuk kon worden voorgelegd. Verder wordt verwezen naar artikel 70 § 1 BTW-Wb. in verband met intracommunautaire aankopen die ten onrechte niet in de BTW-aangiftes werden opgenomen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus niet heeft gemotiveerd, laat staan bewezen, dat er met betrekking tot de betrokken 'andere uitgaven' in hoofde van eiseres sprake is van bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden. Het loutere feit dat niet aangetoond kan worden dat een uitgave betrekking heeft op de economische activiteit, dat niet de nodige bewijsstukken worden voorgelegd of nog dat een factuur niet voldoet aan de vormvoorwaarden voor de aftrek van de BTW, houdt niet in dat er sprake is in hoofde van de betrokken belastingplichtige van bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden.
Voor wat de uitgaven betreft waarvan aangenomen wordt dat deze betrekking hebben op privédoeleinden, moet worden vastgesteld dat eiseres stelt dat, voor wat de uitgaven met betrekking tot de privéwoning betreft, er sprake zou zijn van een stilzwijgende verzaking van het recht van natrekking (niet betwist wordt dat eiseres eigenaar is van de grond) en dat dit zou kaderen in de loonpolitiek van eiseres. Ter zake wordt evenwel geen enkel stuk voorgelegd door eiseres waardoor dit wordt onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Aan de andere kant gebeurden wel voor de privéuitgaven die door eiseres werden gedaan, minstens deels crediteringen op de rekening-courant van de heer K.A. in eiseres, of werd deze hierop belast onder de vorm van een bezoldiging (VAA) (vonnis van deze rechtbank van 15 april 2026 m.b.t. de vennootschapsbelasting (rolnr. 23/487/A)). Het is dan ook aanneembaar dat in hoofde van eiseres om deze reden met betrekking tot deze zogezegde privéuitgaven geen bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden aanwezig is.
Gevolg van het gebrek aan motivering en het bewijs van de aanwezigheid van bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden, is dat de invordering van de BTW met betrekking tot deze 'andere uitgaven' ten bedrage van in totaal 62.748,60 EUR verjaard is.
4.2.3. Aftrek van de BTW m.b.t. de onderaannemers
4.2.3.1. Eiseres is van oordeel dat de BTW met betrekking tot de facturen van de onderaannemers cie5 (2.394,00 EUR), van de cie6 (62.792,25 EUR) en D.B. (870,90 EUR) aftrekbaar is. Daarbij wordt ook verwezen naar het feit dat de facturen betrekking hebben op 'werken in onroerende staat' en dus onderworpen aan de verlegging van de heffing zodat de medecontractant of eiseres zelf de BTW moet aangeven en betalen via de BTW-aangifte.
Eiseres betwist het fictief karakter van de facturen en wijst op het feit dat zij in de gerechtsdossiers niet in verdenking werd gesteld. Eiseres stelt dat de betrokken facturen in haar BTW-aangiften werden verwerkt volgens de voorschriften met als gevolg dat het recht op de aftrek van de BTW haar niet kan worden ontzegd. Tot bewijs verwijst eiseres naar de documenten die zij in de procedure neerlegde met de onderaannemingscontracten, de diverse facturen met eventueel de prestatiebonnen en het overzicht van de betalingsbewijzen van de bank van de facturen aan de onderaannemers. Verder verwijst eiseres naar de door haar opgestelde facturen aan haar opdrachtgevers, waarbij zij deze werken enkel kon verrichten door beroep te doen op de externe werkkrachten van de onderaannemers (stuk 9 eiseres).
Verweerder is volgens eiseres volkomen willekeurig en arbitrair te werk gegaan. Door de uitgaande facturen van eiseres aan de BTW te onderwerpen, heeft verweerder de werkelijkheid van de uitgevoerde werken erkend. Vervolgens haalt eiseres het principe aan dat de aftrek van de BTW enkel kan worden verworpen in het geval dat de ontvanger wist of had moeten weten dat de aan hem verrichte levering of dienst het voorwerp uitmaakte van fraude.
4.2.3.2. Verweerder steunt zich voor de verwerping van de BTW van de facturen van de betrokken onderaannemers voornamelijk op eigen onderzoek dat werd verricht. In het PV van 6 januari 2023 worden de verrichtingen van de betrokken onderaannemers (cie6, cie5 en D.B.) onderzocht. Hieruit blijkt dat de door deze onderaannemers uitgereikte facturen niet overeenstemmen met de werkelijkheid.
De elementen uit het eigen onderzoek (zie p. 10 tot 41 van PV van 6 januari 2023; stuk 2 verweerder) wijzen erop dat de facturen van de betrokken onderaannemers niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 45 § 1, 1° BTW-Wb. en dat de aftrek van de BTW terecht werd verworpen.
Verweerder is van oordeel dat eiseres met de door haar voorgelegde stukken niet het tegendeel bewijst. Eiseres tracht aan te tonen dat er extra werkkrachten nodig waren om de door haarzelf gefactureerde prestaties te kunnen uitvoeren. Uit de stukken blijkt niet dat effectief werkzaamheden door de betrokken onderaannemers werden uitgevoerd. Uit het onderzoek van verweerder blijkt integendeel dat er werkzaamheden werden uitgevoerd door personen die niets met de onderaannemers te maken hebben en waarbij de facturatie aan de onderaannemers enkel werd opgezet teneinde deze personen te kunnen betalen.
4.2.3.3. Voor wat de facturen van cie5 betreft, waarvoor een bedrag van 2.394,00 EUR als niet aftrekbare BTW door verweerder wordt verworpen, moet het volgende worden opgemerkt. Het betreft de BTW die overeenkomt met de drie facturen van deze onderaannemer van het jaar 2018 waarvan verweerder eerder, in het PV van 19 november 2019 stelde (stuk 16, p. 49/76 verweerder): "De 3 facturen van de onderaannemer cie5 worden door de administratie wel aanvaard en dit omwille van volgende redenen. De overeenkomst met deze onderaannemer werd door beide partijen ondertekend. Bovendien blijkt uit de inhoud van de e-mails tussen cie5 en eiseres dat er effectief door deze onderaannemer prestaties werden geleverd. Zo blijkt uit een e-mail dat bij een controle van een werf op 15/01/2020 een aantal van door deze onderaannemer tewerkgesteld personeel van onderaannemers niet in orde waren en er hierdoor problemen waren. Hieruit kan duidelijk afgeleid worden dat er prestaties werden geleverd." Niet duidelijk is waarom verweerder blijkbaar terugkomt op dit standpunt en de BTW met betrekking tot deze 3 facturen later alsnog verwerpt, terwijl blijkbaar de aftrek van de overige van betrokken onderaannemer uitgereikte facturen van 2019 dan weer wel wordt aanvaard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aftrek van de BTW van het bedrag van 2.394,00 EUR m.b.t. de facturen van onderaannemer cie5 ten onrechte wordt verworpen.
M.b.t. de facturen van de onderaannemers cie6 BV en D.B. is de rechtbank van oordeel dat de BTW hiervan wel terecht wordt verworpen. De door verweerder in het PV van 6 januari 2023 vermelde elementen wijzen erop dat de facturen van de betrokken onderaannemers niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 45 § 1, 1' BTW-Wb. De argumentatie en stukken zoals bijgebracht door verweerder tonen aan dat er sprake is van fictieve en derhalve valse facturen:
- uit de boekhouding van eiseres en uit inlichtingen van de opdrachtgever, de cie2, blijkt dat eiseres in 2019 meer dan 3 personen tewerkstelde. Dit terwijl er maar 3 werknemers ingeschreven waren en ook niet al de lonen die betaald werden, op de loonfiches werden opgenomen;
- vastgesteld werd dat onderaannemer, de cie6, geen arbeiders in dienst had. Verder was de betrokken vennootschap ingeschreven voor andere activiteiten (horeca), kwam ze haar fiscale verplichtingen niet na en ging ze kort na de zogezegd geleverde prestaties in 2020 in vereffening. Deze vennootschap had dezelfde boekhouder als eerder 'A.W.' die veroordeeld werd wegens het opstellen van fictieve en valse facturen voor onder meer eiseres. Op de facturen van de cie6 wordt verder een bankrekeningnummer vermeld van een andere vennootschap, de cie8;
- aangetoond werd dat de heer D.B. verzocht werd door eiseres om de omschrijving van de werken op de factuur te wijzigen, zodat het zou gaan om bestratingswerken in onderaanneming voor eiseres, terwijl het vaststaat dat het ging om werken aan de privéwoning van de heer K.A. en diens echtgenote;
- in de overzichten aangeleverd door opdrachtgever cie2 in het kader van het strafdossier (…), worden arbeiders opgenomen die als (illegale) 'zwartwerkers' werkten in opdracht van eiseres; dit werd bevestigd door de betrokken arbeiders zelf en door medewerkers van de cie2 die verklaarden dat betrokkenen met voertuigen van eiseres naar de werven kwamen. Dit verklaart ook waarom eiseres zoveel voertuigen op haar actief had;
- de echtheid van de door de onderaannemers geleverde prestaties werd, ondanks het verzoek daartoe, niet aangetoond. Geen prestatiebons, geen aanmeldingen op de werf, geen betaalbewijzen werden voorgelegd. Op een vraag om inlichtingen van 30 maart 2022 werd niet geantwoord;
- uit het strafdossier (…) blijkt dat de facturen van de cie6 (en van de cie5 (zie evenwel hiervoor)) zeer algemeen, niet controleerbaar en vals zijn. In het strafdossier worden de betrokken vennootschappen als malafide vennootschappen bestempeld. Verder blijkt dat de cie6 nog aan andere ondernemingen fictieve facturen uitreikte om op die manier een zwarte kas te genereren waarmee zwarte lonen konden worden betaald; ook voor eiseres werd aangetoond dat deze een beroep deed op (illegale) zwartwerkers op de werven van cie2, die zelf bevestigden dat zij door eiseres werden betaald.
Op basis van onder meer deze elementen is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten genoege kon beslissen dat de facturen die werden uitgereikt door de cie6 niet met de werkelijkheid overeenstemmen en dus vals zijn en er enkel op gericht waren een systeem op te zetten zodat eiseres de door haar tewerkgestelde (illegale) zwartwerkers in het zwart kon betalen (aan een zeer lage prijs), waarbij deze kosten dan door middel van de valse facturen alsnog in aftrek (voor de inkomstenbelastingen en BTW) konden worden gebracht. In feite geldt dit eveneens voor de facturen die werden uitgereikt door de cie5 die dezelfde kenmerken en problemen vertonen als de facturen van de cie6, maar verweerder heeft voor de cie5 enkel de BTW verworpen van de facturen van het jaar 2018 (en dus niet voor 2019), waarvoor eerder door verweerder zelf werd besloten dat deze prestaties wel bewezen zijn. Tot slot is het duidelijk dat ook de factuur van D.B., zoals blijkt uit de verklaringen van de heer D.B. zelf, niet overeenstemt met de werkelijkheid en vals is.
Voor zoveel als nodig zij nog opgemerkt dat eiseres verwijst naar het feit dat de Procureur des Konings besliste haar niet te vervolgen en dat eiseres niet in verdenking werd gesteld. Eiseres leidt hieruit af dat de zaak lastens haar zonder gevolg werd afgesloten en dat er daarom ook geen bedrieglijk opzet in hoofde van eiseres aanwezig zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat eiseres een foutieve conclusie trekt uit het feit dat beslist werd niet strafrechtelijk tot haar vervolging over te gaan. Deze keuze kwam er ingevolge het una-via overleg dat plaatsvond met verweerder en waarin uitdrukkelijk besloten werd dat het dossier van eiseres verder via administratieve weg zou worden afgehandeld (stuk 12 verweerder). Hieruit volgt dus geenszins dat besloten zou zijn dat er geen sprake zou kunnen zijn in hoofde van eiseres van bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden.
Waar eiseres inderdaad niet gehouden is door een vonnis in een strafzaak (m.b.t. eerdere jaren) waarin zij geen partij was, stelt de rechtbank evenwel vast dat de correctionele rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, bij vonnis van 18 november 2022 besliste, zoals eerder de administratie op basis van de gegevens van het gerechtelijk dossier en haar eigen onderzoek, dat de heer A.W. en de aan hem gelinkte vennootschappen zich schuldig hebben gemaakt aan facturenzwendel en daarmee verband houdende BTW-fraude. Daarbij worden ook uitdrukkelijk de facturen aangehaald die door de betrokken vennootschappen werden gericht aan eiseres. Het gaat ter zake om een beoordeling van de feiten die ook eiseres aanbelangen en die door haar niet weerlegd werden. Hetzelfde geldt voor de elementen die werden aangehaald in onder meer het strafonderzoek dat gaande is in Antwerpen (…) en waarvan de PV's werden voorgelegd aan eiseres, vervolledigd door de bevindingen van het eigen onderzoek van verweerder, en waarvan de gegevens niet weerlegd werden door eiseres. Eiseres kan niet voorhouden dat zij onwetend was van het fictieve en valse karakter van de facturen en dat zij hierin geen rol zou hebben gespeeld, al was het maar om de betrokken facturen te aanvaarden, te betalen en op te nemen in haar BTW-aangiftes. Het bedrieglijk opzet en oogmerk om te schaden in hoofde van eiseres is dan ook wel degelijk aangetoond.
In opvolging daarvan werd de aftrek van de BTW met betrekking tot de facturen van de cie6 en van D.B. terecht verworpen voor een bedrag van in totaal van 63.663,15 EUR. Gelet op het feit dat eiseres aan de fraude heeft deelgenomen en de werking van het stelsel van het gemeenschappelijk BTW-stelsel in gevaar heeft gebracht, kan eiseres zich ter zake niet beroepen op het neutraliteitsbeginsel om te stellen dat de BTW alsnog aftrekbaar zou zijn. Eiseres haalt in dit verband zelf de rechtspraak aan van het Europees Hof van Justitie waarin dit wordt bevestigd (p. 14 onderaan syntheseconclusie eiser). Verder wordt ook verwezen naar de rechtspraak zoals aangehaald door verweerder (p. 28-29 syntheseconclusie verweerder). Ingeval van bedrog of misbruik kunnen belastingplichtigen zich niet op het Unierecht beroepen. Het feit dat het gaat om facturen waarvoor de verleggingsregeling werd toegepast, speelt daarbij geen rol.
4.2.4. Schending van het bestemmings- en neutraliteitsbeginsel en 'substance over form"
4.2.4.1. Eiseres geeft een uitgebreide uiteenzetting over het bestemmings- en neutraliteitsbeginsel in de BTW en het feit dat de aftrek van de BTW daarbij een essentiële rol speelt. Het is daarbij voldoende dat er een verband is met de goederen en diensten die de belastingplichtige gebruikt of bestemt voor het verrichten van belastbare verrichtingen. Ook wanneer het gaat om handelingen die in de toekomst zullen gesteld worden, is de BTW aftrekbaar. Het is daarbij niet vereist dat deze handelingen reeds onmiddellijk zelf belastbare inkomsten opbrengen. Verwezen wordt verder naar de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie waarin deze principes worden uiteengezet.
Het is verder, aldus nog eiseres, niet aan de administratie om te oordelen over de opportuniteit van bepaalde uitgaven. Eiseres stelt dat de oprichting en inrichting van de woning in ... wel degelijk bestemd was voor het uitvoeren van belaste handelingen als bedoeld in artikel 45 § 1 BTW-Wb. Het onroerend goed wordt voor belastbare handelingen gebruikt of bestemd.
Verder beroept eiseres zich op het neutraliteitsbeginsel voor de uitgaven waarvoor geen factuur kan worden voorgelegd. Eiseres verwijst naar de rechtspraak die stelt dat de BTW in aftrek moet worden aanvaard wanneer aangetoond is dat de materiële voorwaarden daartoe vervuld zijn ('substance over form').
4.2.4.2. Verweerder stelt dat de BTW niet in aftrek kan geworden gebracht, niettegenstaande de door het Unierecht ingestelde principes zoals door eiseres aangehaald, indien er in hoofde van de belastingplichtige sprake is van het opzettelijk deelnemen aan belastingfraude waardoor het functioneren van het gemeenschappelijk BTW-stelsel in gevaar wordt gebracht.
4.2.4.3. Hiervoor werd reeds beslist dat voor de facturen uitgaande van de cie6 en D.B., de BTW niet aftrekbaar is, omdat daarvan bewezen is dat eiseres opzettelijk heeft deelgenomen aan de fraude met betrekking tot deze facturen zodat daarvoor de door eiseres aangehaalde principes uit het Unierecht niet van toepassing zijn. Verder heeft de rechtbank eerder reeds beslist dat de invordering van de BTW met betrekking tot de andere uitgaven die betrekking hebben op het jaar 2019 verjaard is, zodat niet verder moet worden beoordeeld of het bestemmings- of neutraliteitsbeginsel of nog het 'substance over form'-beginsel ter zake werd nageleefd.
4.2.5. De administratieve boete van 200
4.2.5.1. Eiseres is van oordeel dat de opgelegde administratieve boete niet naar behoren werd gemotiveerd overeenkomstig artikel 109 van het Wet van 4 augustus 1986 en de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Gevolg is de vernietiging van de geld boete.
Verder is eiseres van oordeel dat de geldboete in strijd is met het 'non bis in idem'-beginsel. Eiseres stelt ze dat zij het voorwerp heeft uitgemaakt van een strafrechtelijk onderzoek waarbij het Openbaar Ministerie beslist zou hebben om haar niet te vervolgen.
Tot slot vraagt eiseres om de geldboete kwijt te schelden dan wel te verminderen. Nagegaan moet worden, aldus nog eiseres, of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve boete van een dergelijke omvang. Deze bevoegdheid ontleent de rechter, aldus nog eiseres, aan artikel 6 EVRM zodat het feit dat niet eerst een genadeverzoek werd ingediend, hieraan geen afbreuk doet. Daarbij merkt eiseres op dat een geldboete van 200 % een sanctie is in de zin van artikel 6 EVRM. In casu is eiseres van oordeel dat gelet op het tijdsverloop, de sanctie zijn ontradende en repressieve functie totaal voorbijschiet. De bestraffing moet worden beoordeeld in het licht van de 'redelijke termijn'-vereiste.
Eiseres stelt dat in het kader van de even redigheidstoets een proportionele en evenwichtige sanctionering ook kan worden bereikt door het verlenen van uitstel van de tenuitvoerlegging van de geldboete. Dit geldt ook inzake BTW-discussies. Wanneer de fiscale rechter oordeelt dat er uitstel moest zijn verleend indien de wet in die maatregel had voorzien, verleent hij het passende herstel door de toepassing van de administratieve sanctie te weigeren. In casu verzoekt eiseres om uitstel van de tenuitvoerlegging van de administratieve boete van 200 %. Eiseres wijst in dit verband nog naar het blanco fiscale strafblad van eiseres.
4.2.5.2. Verweerder stelt dat gelet op het frauduleuze karakter van het handelen van eiseres de boete van 200 % verantwoord is. Daarbij werden, aldus nog verweerder, systematisch onjuiste aangiften in de BTW ingediend. Volgens verweerder werd er met opzet belasting ontdoken door gebruik te maken van valse facturen. Eiseres kan de echtheid van de prestaties van de zogenaamde onderaannemers niet aantonen.
Daarnaast heeft eiseres ook systematisch en over een langere periode BTW in aftrek gebracht m.b.t. goederen en diensten die betrekking hebben op privéaangelegenheden zoals de bouw van de woning van de heer K.A. en diens echtgenote of waarvoor geen enkel bewijsstuk is voorgelegd.
Volgens verweerder is gelet op het frauduleuze karakter van het handelen van eiseres de boete van 200 % ten volste verantwoord en is er geen reden om kwijtschelding of uitstel voor de boete toe te staan. Tot slot merkt verweerder nog elders op dat van een 'non bis in idem' geen sprake is omdat eiseres noch vrijgesproken, noch strafrechtelijk veroordeeld is. In het kader van de una-via regelgeving werd beslist om de afhandeling aan de fiscale administratie over te laten.
4.2.5.3. Zoals hiervoor reeds werd opgemerkt, is er in casu geen reden voor de toepassing van het 'non bis in idem'-beginsel. Het feit dat op basis van het 'una-via'-overleg werd besloten dat de fiscale administratie verder zou zorgen voor de afhandeling van het dossier van eiseres (stuk 17 verweerder), houdt niet in dat er sprake is van een buitenvervolgingstelling zoals eiseres verkeerdelijk stelt, noch van een beslissing over het al dan niet schuldig zijn van eiseres.
De rechtbank is van oordeel dat de administratieve geldboete van 200 voldoende gemotiveerd is in de zin van artikel 109 van de Wet van 4 augustus en de Wet van 29 juli 1991. Gemeld wordt op basis van welke wettelijke bepalingen de geldboete van 200 % wordt opgelegd en om welke concrete redenen.
Artikel 1, laatste lid van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 bepaalt dat de in de tabellen A tot J van de bijlagen bij dit besluit opgenomen schaal niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Artikel 70 § ibis BTW-Wb. bepaalt dat ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, een geldboete gelijk aan het dubbel (200 %) van die belasting verbeurt.
Hiervoor werd beslist, dat de vordering met betrekking tot de andere 'uitgaven' met betrekking tot het jaar 2019 voor een bedrag van 62.748,60 EUR, verjaard is aangezien ter zake geen bedrieglijk opzet aangetoond is. Dit geldt eveneens voor de facturen van onderaannemer cie5 van het jaar 2018 voor een bedrag van 2.394,00 EUR.
Voor de aftrek van de BTW met betrekking tot de facturen van de zogezegde onderaannemers, de cie6 en D.B. en waarvan de rechtbank oordeelde dat in dat verband het bedrieglijk opzet en oogmerk om te schaden in hoofde van eiseres aangetoond is, is in beginsel een proportionele boete van 200 % van toepassing op de ten onrechte in aftrek gebrachte BTW. Het is niet betwist dat proportionele geldboeten inzake BTW een strafrechtelijk karakter hebben omdat ze tot doel hebben een bepaald gedrag te bestraffen teneinde herhaling te voorkomen, eerder dan als schadevergoeding te gelden (E.H.R.M. 21 februari 1984, F.J.F. No. 94/104 (0ztürk), zie ook E.H.R.M. 29 augustus 1997, R.W. 1998-99, 511; E.H.R.M. 27 maart 1998, Fiscoloog 1998, nr. 656, 7). Het Hof van Cassatie heeft reeds in haar arrest van 25 mei 1999 deze rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bijgetreden (zie o.m. Cass. 25 mei 1999, F.J.F. No. 99/126; zie ook Brussel 12 oktober 2000, T.F.R. 2001, 194, noot S. HUYGE; Cass. 26 juni 2000, T.F.R. 2000, 971, noot M. MAUS; Antwerpen 13 juni 2000, niet gepubl.; Antwerpen 29 juni 1999, F.J.F. No. 99/286). Gelet op het feit dat het gaat om een administratieve sanctie met een strafrechtelijk karakter, moet de wettigheid van de sanctie worden nagegaan en in het bijzonder of deze verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Onder meer het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de rechter aldus over een volle rechtsmacht beschikt om over deze administratieve sancties te oordelen en deze desgevallend te verminderen in de mate dat deze boetes ook onder de beoordelingsbevoegdheid van de administratie vallen.
Aangezien in casu geen verzoek werd gedaan voor een vermindering of kwijtschelding van de boetes volgens artikel 9 van het Regentsbesluit, heeft de administratie hierover niet kunnen oordelen met als gevolg dat in principe ook de rechter in casu deze bevoegdheid niet zou hebben. De rechtbank is evenwel van oordeel dat nu vaststaat dat de opgelegde proportionele boete van 200 % onbetwistbaar moet worden beschouwd als een sanctie met een strafrechtelijk karakter, aan de belastingplichtige alle waarborgen en rechten moeten worden verleend die hij ook zou hebben indien het ging om een opgelegde strafsanctie. Dit houdt in dat de rechtbank van oordeel is dat zij met volle rechtsmacht kan oordelen over de opgelegde sanctie. Het feit dat in casu niet effectief door eiseres een beroep werd gedaan op het Regentsbesluit om een kwijtschelding of vermindering te bekomen, belet niet dat deze mogelijkheid wel degelijk bestaat en de administratie de bevoegdheid heeft om de opgelegde proportionele boetes te verminderen. Uit artikel 6 van het EVRM en het Unierecht volgt rechtstreeks dat een sanctie in overeenstemming moet zijn met de algemene beginselen waaronder het evenredigheidsbeginsel zodat, eenmaal vaststaat dat het gaat om een sanctie met een strafrechtelijk karakter, de evenredigheidstoetsing aan de orde is en indien gevraagd door de belastingplichtige, door de rechter moet worden beoordeeld. En dit afgezien van de vraag of een beroep werd gedaan op het Regentsbesluit of niet. Daarbij was verweerder, die ook op basis van het Regentsbesluit zou moeten beslissen over een gevraagde kwijtschelding of vermindering, in de gelegenheid, nu de evenredigheidstoetsing door eiseres werd gevraagd voor de rechtbank, om zich hierover uit te spreken en haar rechten dienaangaande te doen gelden. Het weze ten andere opgemerkt dat indien deze toetsing nu niet wordt toegelaten, het de belastingplichtige steeds nog vrijstaat om dan later nog een beroep te doen op het Regentsbesluit, waarvan het dan zonder meer vaststaat dat daartegen voor de rechtbank kan worden opgekomen en waarbij de rechtbank dan wel, zonder enige discussie, volle rechtsmacht heeft. Het druist in tegen het beginsel van het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn, zoals eveneens vervat in artikel 6 van het EVRM, om deze toetsing aan het evenredigheidsbeginsel te ontzeggen indien dit aan het oordeel van de rechtbank wordt voorgelegd waarbij verweerder wel degelijk de mogelijkheid had zich hierover uit te spreken.
In casu is de rechtbank evenwel van oordeel dat een proportionele boete van 200 % evenredig is met de begane inbreuken. Het bedrieglijk opzet en oogmerk om te schaden is aangetoond in hoofde van eiseres. Zij heeft bewust meegewerkt aan een systeem van valse facturen uitgaande van de zogezegde onderaannemers, de cie6 en D.B.. Door de opname van deze valse facturen in haar boekhouding en door hiervan melding te maken in de BTW-aangiftes, is er sprake van het gebruik van valse stukken waarvoor een evenredige geldboete van 200 % gerechtvaardigd is. En dit ondanks het feit dat als dusdanig, door de verlegging van de heffing, de Belgische Staat, buiten een mogelijk financieringsvoordeel, geen schade geleden heeft. Zoals gemeld gaat het in casu evenwel niet om een schadevergoeding, maar om een strafsanctie, waarover geen discussie bestaat.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat er gelet op het gebruik van de valse stukken en rekening houdende met het feit dat eiseres in het verleden gelijkaardige feiten beging, er geen reden is om in casu uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen voor de administratieve geldboete.
4.2.6. De nalatigheidsinteresten
Eiseres verzoekt de terugbetaling van de reeds betaalde of ingehouden sommen, te vermeerderen met de moratoriuminteresten die volgens eiseres gekapitaliseerd moeten worden overeenkomstig artikel 1154 BW.
Daarbij moet worden opgemerkt dat de berekening van de moratoriuminteresten met de verwijzing naar de regels geldende in burgerlijke zaken, en dus eventueel met toepassing van de kapitalisatie op basis van artikel 1154 (oud) BW mits alle voorwaarden ervan voldaan zijn, werd gewijzigd met ingang van 1 januari 2023 door de Wet van 20 november 2022. Met ingang van 1 januari 2023 wordt niet meer verwezen naar de regels geldende in burgerlijke zaken. Aan de hand van de stukken en de door eiseres neergelegde conclusies blijkt dat de kapitalisatie door eiseres pas gevraagd werd in het verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 1 oktober 2024, zodat deze in principe niet van toepassing is. Verder merkt de rechtbank op dat zij geen kennis heeft van eventuele betaalde of ingehouden bedragen lastens eiseres, zodat niet kan nagegaan worden of een eventuele kapitalisatie van toepassing is.
5. Gerechtskosten
Aangezien beide partijen gedeeltelijk in het gelijk worden gesteld, is de rechtbank van oordeel dat iedere partij zijn eigen gerechtskosten moet dragen.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
BESLIST DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,
met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:
- verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend;
- verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond:
de BTW-vordering zoals opgenomen in artikel 500266005193, in de mate dat deze betrekking heeft op de verworpen aftrek van de BTW m.b.t. de facturen van de cie5 van het jaar 2018 (2.394,00 EUR), is ongegrond wegens verjaring;
de BTW-vordering zoals opgenomen in artikel 500266005193, in de mate dat deze betrekking heeft op de verworpen aftrek van de BTW m.b.t. de facturen van de 'andere uitgaven' van het jaar 2019 voor een bedrag van 62.748,60 EUR, is ongegrond wegens verjaring;
- beveelt dat de BTW-vordering opgenomen onder artikel 500266005193 moet worden herberekend en verminderd zoals hiervoor aangegeven;
- beveelt de terugbetaling van de aldus te veel betaalde of ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91 § 4 en 5 BTW-Wb;
- zegt voor recht dat elke partij zijn eigen gerechtskosten moet dragen.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op donderdag 28 mei 2026.
(…)
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.