Fausse facture, Droit à déduction de la TVA, Faillite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 2024/AR/1588 23 juin 2026

Rechercher
Texte en néerlandais

Fausse facture, Droit à déduction de la TVA, Faillite

https://juriel.be/fr/jurisprudence/fausse-facture-droit-deduction-tva-cour-appel-anvers-2026-06-23-3bd7

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Numéro de rôle
2024/AR/1588
Date
23 juin 2026

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

82 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la cour d'appel d'Anvers du 23.06.2026 (2024/AR/1588)

FIN 54810958

[ Arrêt favorable ]

TVA – Fausse facture – Droit à déduction de la TVA – Faillite – Sanction en matière de TVA

Texte intégral:

Corps de la décision

Cet arrêt a été publié uniquement dans la langue originale.

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 23.06.2026 (2024/AR/1588)

cie1, ON ..., met zetel te ... ..., ...,

Eiseres in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. DUJARDIN Tisha en mr. FRANCKEN Klaas, beiden advocaat te

2018 ANTWERPEN, Van Putlei 14 (ref.: 22.1708/1/B/JT)

tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 10 juli 2024, gekend onder rolnummer 23/296/A

tegen

BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, ON ..., in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR GENERAAL - DIRECTEUR VAN HET KMO EXPERTISE HASSELT, ON ..., met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 106,

Verweerder in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. BONGAERTS Bert, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Gounodstraat

2A bus 29 (ref.: BS.4239)

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, van 10 juli 2024, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 17 oktober 2024 en ingeschreven op 21 oktober 2024, waarbij tijdig en regelmatig hoger beroep wordt ingesteld.

1. Feitelijke en procedurele retroacta.

1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op een B.T.W.-boete van 200% die wordt nagevorderd middels het innings- en invorderingsregister met artikelnummer ..., uitvoerbaar verklaard op 28 december 2021, voor een bedrag van 92.400 EUR en het innings- en invorderingsregister met artikelnummer ..., uitvoerbaar verklaard op 28 december 2022, voor een bedrag van 26.250 EUR.

Tijdens een controle op 29 september 2021 was vastgesteld dat in 2018 twee facturen in de boekhouding van eiseres in hoger beroep werden ingeschreven betreffende aankopen van handelsgoederen voor een bedrag van 145.200 EUR bij cie2 (A.D. 1) en voor een bedrag van 121.000 EUR bij cie3 (A.D. 2). De B.T.W. op deze facturen werd volledig in aftrek gebracht. Er konden geen betalingsbewijzen met betrekking tot deze facturen worden voorgelegd. Beide leveranciers gingen kort na datum van uitreiking van de factuur failliet. Volgens inlichtingen verstrekt door de curatoren en de zaakvoerders van beide gefailleerde leveranciers zouden het valse facturen betreffen.

Hiervan werd een proces-verbaal van regularisatie opgesteld op 16 november 2021 waarbij de aftrek van de B.T.W. aangerekend in de betrokken aankoopfacturen werd verworpen en een B.T.W.-boete werd opgelegd ten bedrage van 92.400 EUR, zijnde het dubbel van de ten onrechte in aftrek gebrachte belasting. Het innings- en invorderingsregister met artikelnummer ..., werd uitvoerbaar verklaard op 28 december 2021 en op 6 januari 2022 ter kennis gebracht van eiseres in hoger beroep.

Bezwaar werd aangetekend, dat werd afgewezen bij beslissing d.d. 25 oktober 2022.

Bij proces-verbaal van regularisatie van 22 november 2022 werd de aftrek van de B.T.W. verworpen die was aangerekend in twee aankoopfacturen van cie4 van 2 en 9 december 2019. Er was vastgesteld dat deze leverancier kort na de uitreiking van de facturen failliet was verklaard en dat het recht op aftrek niet was aangetoond door een samenhangend geheel van bewijsmiddelen. De curator van de betrokken vennootschap had verklaard dat de zaakvoerder de betrokken facturen niet herkende. De aftrek van de B.T.W. werd verworpen en er werd een B.T.W.-boete opgelegd ten bedrage van 26.250 EUR, zijnde het dubbel van de ten onrechte in aftrek gebrachte belasting. Het innings- en invorderingsregister met artikelnummer ..., werd uitvoerbaar verklaard op 28 december 2022 en op 12 januari 2023 ter kennis gebracht van eiseres in hoger beroep.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt op 8 februari 2023, vorderde eiseres in hoger beroep de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het verzoekschrift toelaatbaar en gegrond te verklaren, in hoofdorde de gehele vernietiging of ontheffing van de belastingverhoging van 200%, in ondergeschikte orde de vermindering van de belastingverhoging van 200% en in meer ondergeschikte orde de belastingverhoging van 200% op te leggen met uitstel en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot terugbetaling van alle onterecht betaalde sommen, meer moratoriumintresten en tot de rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot kosten, vereffend op 0 EUR.

De eerste rechter oordeelde dat het opzet de belasting te ontduiken wel degelijk bewezen is. De eerste rechter nam daarbij in aanmerking dat op iets meer dan een jaar tijd drie leveranciers aan eiseres in hoger beroep hebben gefactureerd voor aanzienlijke bedragen, waarbij de leveranciers, die telkens kort na de facturatie failliet werden verklaard, telkens achteraf stelden niet te weten van de betrokken facturen. Het is niet geloofwaardig dat zulks is kunnen gebeuren zonder medeweten van eiseres in hoger beroep. De eerste rechter stelde vast dat geen strafklacht werd ingediend. Hoewel het gaat om aankopen voor grote bedragen, kon voor geen van de betrokken aankopen een onderliggend stuk worden voorgelegd. Als het werkelijk zou gaan om bestellingen te goeder trouw zou men verwachten dat er communicatie zou zijn naar aanleiding van het uitblijven van de volledige levering.

De eerste rechter stelde dat een correcte toepassing werd gemaakt van artikel 70 W.B.T.W. Er bleek niet dat de opgelegde boetes onevenredig zijn met de aard en de ernst van de inbreuk. Er bleek niet dat er een reden is om eiseres in hoger beroep uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 17 oktober 2024 en ingeschreven op 21 oktober 2024, hoger beroep ingesteld.

2. De vorderingen in hoger beroep.

2.1. Eiseres in hoger beroep vordert het hoger beroep zowel ontvankelijk als gegrond te verklaren, en dienvolgens het bestreden vonnis te hervormen door opnieuw rechtdoende, de vorderingen van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren door, in hoofdorde, de vermindering van de boete van 200 % conform KB nr. 41 gelet op de goede trouw in hoofde van eisers in hoger beroep, in ondergeschikte orde, de vernietiging van de boete van 200% gelet op de ongrondwettelijkheid ervan aangezien deze niet kan worden opgelegd met (gedeeltelijk) uitstel, doch in voorliggend geval redenen zijn voor het opleggen met een (probatie)uitstel en in meer ondergeschikte orde, de vermindering van de boete van 200% tot een bedrag dat het hof wel proportioneel acht. Eiseres in hoger beroep vordert in elk geval verweerder in hoger beroep te veroordelen tot terugbetaling van alle onterecht ingevorderde of betaalde sommen meer moratoriuminteresten en tot de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding begroot op 7.500 EUR in eerste aanleg en 7.848,84 EUR in hoger beroep en de bijzondere bijdrage begrotingsfonds ten bedrage van 24 EUR per aanleg.

2.2. Verweerder in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en voor recht te zeggen dat de sommen opgenomen in het innings- en invorderingsregister met artikelnummer ..., uitvoerbaar verklaard op 28 december 2021 en de sommen opgenomen in het innings- en invorderingsregister met artikelnummer ..., uitvoerbaar verklaard op 28 december 2022 verschuldigd zijn en eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten in eerste aanleg en in hoger beroep, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 7.848,84 EUR in hoger beroep.

3. Bespreking.

3.1. Eiseres in hoger beroep betwist niet dat de B.T.W. die werd aangerekend in de facturen van cie2, cie3 en cie4 ten onrechte in aftrek werd gebracht. Het hof gaat hier dan ook niet nader op in.

Eiseres in hoger beroep betwist de toepassing van een B.T.W.-boete van 200% omdat zij steeds te goeder trouw zou hebben gehandeld en de administratie geen bedrieglijk opzet in haren hoofde zou bewijzen. Zij verzoekt de opgelegde boete verminderen in toepassing van het K.B. nr. 41. Ondergeschikt vordert eiseres in hoger beroep de boete te vernietigen wegens schending van de Grondwet omdat de boete niet met uitstel kan worden opgelegd. Meest ondergeschikt vordert eiseres in hoger beroep de boete te toetsen aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en deze te verzachten.

3.2. Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt in toepassing van artikel 70, §1 W.B.T.W. een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze geldboete komt niet in aanmerking voor vermindering wanneer blijkt dat ze werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken (artikel 1, tweede lid K.B. nr. 41).

Het hof is, met de administratie en de eerste rechter, van oordeel dat bedrieglijk opzet in hoofde van eiseres in hoger beroep in deze wel degelijk is bewezen.

Het hof stelt immers vast dat eiseres in hoger beroep zich over een periode van slechts iets meer dan een jaar door drie leveranciers voor aanzienlijke bedragen handelsgoederen liet factureren, met name achtereenvolgens in 2018 voor 145.200 EUR en 121.000 EUR en in 2019 voor 39.325 EUR en 36.300 EUR. De facturen van cie2 en cie3 vertegenwoordigen de helft van de totale aankopen in 2018 (A.D. 13). De facturen van cie4 vertegenwoordigen bijna de helft van de totale aankopen in 2019 (A.D. 14).

Geen van de betrokken facturen werd door eiseres in hoger beroep betaald, zoals door eiseres in hoger beroep ook nooit werd betwist. Eiseres in hoger beroep heeft niettemin de gefactureerde B.T.W. integraal in aftrek gebracht. Eiseres in hoger beroep legt met betrekking tot de betrokken facturen hoegenaamd geen stukken voor waaruit de werkelijkheid van de gefactureerde handelstransacties blijken. Geen bestelbonnen, e-mailverkeer, leveringsbewijzen, e.d. worden voorgelegd.

Eiseres in hoger beroep beperkt zich tot een schimmig verhaal over beweerde faillissements-dan wel identiteitsfraude waarvan zij het slachtoffer zou zijn. Ook dit verhaal wordt echter niet onderbouwd door controleerbare stukken.

Er blijkt niet dat de door cie2 en cie3 gefactureerde goederen 'gedeeltelijk' geleverd zouden zijn, zoals eiseres in hoger beroep beweert. De enkele voorlegging van een verkoopfactuur aan cie5 d.d. 26 oktober 2018 (stuk 14 eiseres in hoger beroep) waarop goederen met eenzelfde omschrijving zijn vermeld als deze in de factuur van cie2, bewijst althans niet de beweerde gedeeltelijke levering van de door cie2 gefactureerde goederen, nu de factuur van cie2 niet in concreto vermeldt om welke goederen het gaat, voor welke hoeveelheden en voor welke prijs. De omschrijving op de factuur is immers zeer vaag (`restpartij onderdelen voor Mercedes, versnellingsbakken G240, tussenbakken VG2400, complete cardans met toebehoren voor en midden, etc etc, wielen en banden 315/65 — 385/65') en de gefactureerde prijs betreft een forfaitaire prijs, zonder enige uitsplitsing over de verschillende gefactureerde goederen. Er blijkt ook niet dat de leverancier `herhaaldelijk' zou hebben aangedrongen de betrokken factuur te betalen (syntheseconclusie eiseres in hoger beroep nr. 8).

Zulks gaat evenzeer op voor de factuur van cie3, zodat hoegenaamd niet duidelijk is wat werd gefactureerd en aan welke prijs. Er blijkt ook niet dat eiseres in hoger beroep de goederen gefactureerd door cie3 voorafgaand zou hebben geïnspecteerd, zoals zij beweert (syntheseconclusie eiseres in hoger beroep nr. 9).

Dat eiseres in hoger beroep 'veelvuldig' geprobeerd zou hebben de beide leveranciers te contacteren (syntheseconclusie eiseres in hoger beroep nr. 11) met het oog op de volledige levering van de goederen, blijft opnieuw een loutere bewering.

Uit het proces-verbaal van regularisatie van 22 november 2022 blijkt dat eiseres in hoger beroep omtrent de goederen gefactureerd door cie4 eerst beweerde dat deze werden doorverkocht, waarbij een verkoopfactuur werd voorgelegd die echter dateert van v66r de uitreiking van de aankoopfacturen om vervolgens te stellen dat de goederen hoegenaamd niet werden geleverd. Ook de vermeldingen op de facturen van cie4 zijn bovendien zeer algemeen en niet gestaafd door onderliggende controleerbare stukken.

Bovendien is gebleken dat alle drie de leveranciers in dezelfde maand van uitreiking van de facturen failliet werden verklaard. De curatoren van de betrokken vennootschappen hebben allen zonder onderscheid verklaard dat de facturen hen onbekend waren en dat de zaakvoerders stelden deze niet te hebben uitgereikt. Voor cie2 en cie3 legden de curatoren facturen voor waaruit blijkt dat de lay-out van de facturen van de vennootschappen fundamenteel verschilt van deze uitgereikt aan eiseres in hoger beroep. Bovendien blijken in deze laatste facturen onjuistheden te zijn opgenomen wat betreft de e-mailadressen, bankrekeningnummers, factuurnummers en/of telefoonnummers. Deze objectief vast te stellen onjuistheden ondersteunen de verklaringen van de zaakvoerders van de betrokken vennootschappen dat de in deze geviseerde facturen niet door deze vennootschappen werden uitgereikt. Het tegendeel kan niet worden afgeleid louter uit het faillissement van de betrokken vennootschappen.

Er blijkt ten overvloede nergens uit dat de zaakvoerders van de betrokken leveranciers 'onder één hoedje' zouden hebben gespeeld, dat het 'verdachte figuren' zouden zijn en ook de beweerde faillissements- en identiteitsfraude is niet bewezen, laat staan dat eiseres in hoger beroep hiervan een slachtoffer zou zijn.

Gelet op voormelde tekortkomingen en onjuistheden in de facturen, gelet op het totaal ontbreken van enig objectief controleerbaar bewijs van het bestaan van de betrokken goederen en de werkelijkheid van de aankoop ervan door eiseres in hoger beroep en bij gebrek aan enige betaling van de betrokken facturen, is het hof van oordeel dat eiseres in hoger beroep wist dat het fictieve facturen betrof, waarvan eiseres in hoger beroep wetens en willens de gefactureerde B.T.W. in aftrek heeft gebracht. Eiseres in hoger beroep kan dan ook bezwaarlijk voorhouden te goeder trouw te hebben gehandeld in deze.

Dat de betrokken facturen in de boekhouding van eiseres in hoger beroep werden opgenomen, bewijst althans geen goede trouw in haren hoofde. In tegendeel, de opname in de boekhouding was absoluut noodzakelijk om aanspraak te maken op het recht op aftrek van de B.T.W. aangerekend in de fictieve facturen.

Goede trouw bij het in aftrek brengen van de B.T.W. aangerekend in de kwestieuze facturen kan ook niet worden afgeleid uit het beweerde 'smetteloze fiscale verleden' van eiseres in hoger beroep, noch uit de betaling van de ten onrechte afgetrokken B.T.W. en nalatigheidsintresten.

Terecht werd dan ook een geldboete van 200% opgelegd.

3.3. Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat artikel 70 W.B.T.W. niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 G.W. in zoverre het het hof niet mogelijk maakt het voordeel van het uitstel te verlenen van de opgelegde B.T.W.-boete. Die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid heeft echter niet tot gevolg dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (G.W.-Hof 20 februari 2020, nr. 32/2020, sub B.7.2 en B.7.3).

Het loutere feit dat de wet niet in deze maatregel voorziet en het stilzitten van de wetgever, volstaat dan ook niet om de betrokken B.T.W.-boete zonder meer te vernietigen.

Het hof beoordeelt hierna of er in hoofde van eiseres in hoger beroep redenen zijn om de geldboete met uitstel op te leggen, mocht de wet in deze maatregel hebben voorzien.

3.4. De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 W.B.T.W. te toetsen mag in principe de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met volle rechtsmacht, houdt niet in dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief. Aan de vereiste dat de rechter de administratieve boete moet kunnen toetsen met volle rechtsmacht is voldaan indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst (Cass. 25 april 2025, F.22.0162.N-F.22.0166.N).

Het Hof van Cassatie heeft in het arrest van 12 februari 2026 bevestigd dat een vermindering van een B.T.W.-boete tot onder het door het KB nr. 41 vastgestelde tarief mogelijk is op grond van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel (Cass. 12 februari 2026, F.24.0026.N). Partijen hebben hierover ter zitting standpunt ingenomen.

Het Hof van Cassatie oordeelde dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat:

met belastingboeten inzake de B.T.W. uitvoering wordt gegeven aan het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest (H.v.J. 23 februari 2013, C­617/10, Ákerberg Fransson, nr. 27);

een nationale rechterlijke instantie die moet onderzoeken of een nationale bepaling of een maatregel waarmee in een situatie waarin het optreden van de lidstaten niet volledig door het Unierecht wordt bepaald, het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht in de zin van artikel 51, lid 1 van het Handvest, in overeenstemming is met de grondrechten, daarbij nog steeds nationale maatstaven voor de bescherming van de grondrechten kan toepassen, op voorwaarde dat deze toepassing niet afdoet aan het door het Handvest geboden beschermingsniveau, zoals uitgelegd door het Hof, noch aan de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht (H.v.J. 26 februari 2013, C 399/11, Melloni, nr. 60 en H.v.J. 23 februari 2013, C-617/10, Ákerberg Fransson, nr. 29);

bij ontbreken van harmonisatie van de Uniewetgeving op het gebied van de toepasselijke sancties in geval van niet-naleving van de voorwaarden van een bij deze wettelijke regeling ingesteld stelsel, de lidstaten bevoegd zijn de sancties te kiezen die hun passend voorkomen. Zij moeten hun bevoegdheid echter uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en dus ook met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel (H.v.J. 7 december 2000, C 213/99, de Andrade, nr. 20 en H.v.J. 6 februari 2014, C 424/12, Fatorie, nr. 50);

dergelijke sancties derhalve niet verder mogen gaan dan noodzakelijk is ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude (H.v.J. 26 april 2017, C-564/15, Farkas, nr. 60; H.v.J. 8 mei 2008, C-95/07 en C-96/07, Ecotrade, nrs. 65-67; H.v.J. 20 juni 2013, C-259/12, Rodopi-M 91, nr. 38);

bij de beoordeling of een sanctie in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel met name rekening moet worden gehouden met de aard en de ernst van de inbreuk waarvoor die sanctie wordt opgelegd en met de wijze waarop de hoogte ervan wordt bepaald (H.v.J. 26 april 2017, C-564/15, Farkas, nr. 60; H.v.J. 8 mei 2008, C-95/07 en C-96/07, Ecotrade, nrs. 65-67; H.v.J. 20 juni 2013, C­259/12, Rodopi-M 91, nr. 38);

de rechter tevens rekening mag houden met de concrete omstandigheden van de zaak om te beoordelen of de op basis van de bepalingen van nationaal recht aan de belastingplichtige opgelegde sanctie in overeenstemming is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel (HvJ 26 april 2017, C-564/15, Farkas, nr. 61).

Hieruit volgt dat de nationale rechter een overeenkomstig voormeld KB nr. 41 opgelegde administratieve geldboete in toepassing van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel kan verminderen tot beneden de in dit koninklijk besluit bepaalde vaste boetetarieven, rekening houdend met de aard en de ernst van de inbreuk en de concrete omstandigheden van de zaak.

Het hof ziet echter in casu geen gronden om vast te stellen dat B.T.W.-boete van 200% of 118.650 EUR mogelijks onevenredig zouden zijn met de aard en de ernst van de inbreuken. Het hof is van oordeel dat de opgelegde geldboete van 200 % in casu hoe dan ook evenredig is met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken en een aangepaste en adequate sanctionering is van de gepleegde inbreuken waarbij over een betrekkelijk korte periode voor zeer belangrijke bedragen B.T.W. op fictieve facturen die niet werden betaald, wetens en willens in aftrek werd gebracht. Het gaat om meer dan het niet 'omzichtig omspringen met de betwiste facturen' of om meer dan enkel 'administratief nalatig' zijn (syntheseconclusie eiseres in hoger beroep nr. 75). Geheel ten onrechte telt eiseres in hoger beroep in haar syntheseconclusie (nr. 78) althans dat de boete zou zijn opgelegd voor een 'vermoeden' dat zij 'mogelijks onterecht' de B.T.W. in de facturen heeft afgetrokken.

Eiseres in hoger beroep motiveert niet waarom de boete van 200% disproportioneel zou zijn en een excessieve last zou betekenen. Het enkele feit dat eiseres in hoger beroep in boekjaren, voorafgaand aan boekjaar 2023 een verlies opbouwde, impliceert niet ipso facto dat de opgelegde B.T.W.-boete van 118.650 EUR onevenredig zou zijn met de gepleegde inbreuken. De geldboete werd proportioneel berekend met inachtneming van de ontdoken B.T.W. voor een bedrag van 59.325 EUR. De omvang van de geldboete is dan ook recht evenredig met de B.T.W. die ten onrechte in aftrek werd gebracht. Enkel de omvang van de B.T.W.-boete maakt deze niet buitensporig, evenmin als de toepassing van een belastingverhoging van 50% in de vennootschapsbelasting. De niet ondersteunde bewering dat het om een eerste overtreding zou gaan, maakt de geldboete van 200% geenszins disproportioneel.

Het hof kan dan ook geen kennelijke schending van het evenredigheidsbeginsel vaststellen door de toepassing van een geldboete van 200%, die aanleiding zou kunnen geven tot de kwijtschelding dan wel vermindering van de geldboete.

Rekening houdende met de aard en de ernst van de feiten en de concrete gegevens van de zaak, zoals hiervoor besproken, is er in casu ook geen enkele reden om de geldboete met uitstel op te leggen, mocht de wet in deze maatregel hebben voorzien. Het beweerd 'blanco fiscaal strafblad' van eiseres in hoger beroep en de betaling van de onterecht afgetrokken B.T.W. meer nalatigheidsintresten volstaat althans niet.

Het vonnis van de eerste rechter wordt bevestigd.

Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond. Het vonnis van de eerste rechter dient te worden bevestigd.

Partijen begroten de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op 7.848,84 EUR. Het hof legt deze ten laste van eiseres in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak is vrijgesteld van rolrecht in toepassing van artikel 2791, 1° io. 162, 4° W.Reg..

Dispositif

4. Beslissing.

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het hoger beroep, in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot op en door het hof vereffend op 7.848,84 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Het meer en anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 23 juni 2026 door

E. CLEYMANS

C. PRINCEN

E. DE BRAUWER

K. LEYSEN

Textes cités

5