Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Corps de la décision
Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 24.12.2008
Résumé non fourni
Texte de jugement
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE AR nr. 07/597/A
NV E. I., met maatschappelijke zetel te …, …, HR Hasselt nr. …, BTW-nr. BE ….
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. E. J. loco mr. D. H., advocaat te …, ….
tegen :
FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Administratie van de Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, in de persoon van de gewestelijk directeur van het Controlecentrum Hasselt-Beringen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, blok C.
DE BELGISCHE STAAT. FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. V. loco mr. V. L. D. J. A., advocaat te …, ….
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het exploot van gerechtsdeurwaarder B. H. te … van 19.02.2007;
- de besluiten, synthesebesluiten en stukken van verweerder;
- de besluiten en stukken van eiseres.
I. FEITEN EN VOORGAANDEN
Eiseres is ingevolge haar economische activiteit nl. handel in en verhuur van motorvoertuigen, geregistreerd als BTW-belastingplichtige met BTW-nummer … en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Tijdens een fiscaal onderzoek uitgeoefend door twee controleambtenaren van de AOIF, controlecentrum Hasselt-Beringen, werd de toepassing van de BTW-wetgeving bij eiseres gecontroleerd m.b.t. de periode 01.01.1997 tot 31.12.2000.
Tijdens deze controle werd vastgesteld dat met betrekking tot de toegepaste vrijstelling voor een intracommunautaire levering van een personenwagen Ferrari naar het Groot-Hertogdom Luxemburg, geen stukken voorhanden waren en dat zodoende niet was voldaan aan de voorwaarden tot toepassing van art. 39bis, lid 1, 1 W.BTW.
Deze vaststellingen werden opgenomen in een proces-verbaal van 05.07.2002. Hierin werden de volgende verschuldigde bedragen opgenomen : 16.918,73 euro als verschuldigde BTW, 1.690,00 euro als verminderde boete en interesten berekend aan 0,8 % per maand over de verschuldigde BTW vanaf 21.01.2001 (zie stuk 1, bundel verweerder).
Op 18.07.2002 werd tegen eiseres een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 05.07.2002. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Hasselt op 19.07.2002 (zie stuk 2, bundel verweerder).
Het dwangbevel werd betekend aan eiseres met bevel tot betalen bij exploot van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder R. K. van 06.08.2002 (zie stuk 3, bundel verweerder).
De accountant van eiseres richtte op 21.08.2002 een schrijven aan het Controlecentrum AOIF Hasselt-Beringen waarin hij zijn bezwaar uitte over de gevolgde procedure en de geldigheid van het proces-verbaal in twijfel trok. Hij vroeg tevens de ontlasting van de gevorderde sommen (zie stuk 6, bundel verweerder).
Op 21.11.2002 heeft de gewestelijke directeur a.i. een antwoord verstrekt aan eiseres (zie stuk 7, bundel verweerder).
Vervolgens heeft de accountant van eiseres een verklaring overgemaakt van C. A., bestuurder van de SA M. L., die verklaarde op 31.07.1997 een voertuig Ferrari te hebben gekocht bij de firma C. C. en dat het voertuig over de weg naar Luxemburg was vervoerd (zie stuk 8, bundel verweerder).
Bij brief van 04.06.2003 deelde de administratie aan de accountant van eiseres mee dat het dwangbevel behouden bleef (zie stuk 9, bundel verweerder).
Op 08.08.2003 richtte de raadsman van eiseres een schrijven aan de administratie met uiteenzetting van het standpunt van zijn cliënte (zie stuk 10, bundel verweerder).
Bij brief van 12.08.2003 deelde de administratie aan de raadsman van eiseres mee dat zij bij haar standpunt bleef (zie stuk 11, bundel verweerder).
Hiertegen stelde eiseres een vordering in rechte in bij de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, ingeleid bij tegensprekelijk verzoekschrift neergelegd ter griffie op 01.09.2003 (zie stuk 12, bundel verweerder).
Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 24.11.2004 werd de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard (zie stuk 15, bundel verweerder).
Op 21.02.2005 heeft eiseres een verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen (zie stuk 16, bundel verweerder).
Bij arrest van het Hof van beroep te Antwerpen van 24.04.2007 werd het bestreden vonnis teniet gedaan in zoverre het de vordering ontvankelijk verklaarde en, werd, opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering niet-ontvankelijk verklaard (zie stuk 17, bundel verweerder).
Bij exploot van gerechtsdeurwaarder R. R. te Hasselt van 19.02.2007 stelde eiseres een vordering in rechte in.
II. BEOORDELING
Verweerder is van oordeel dat de vordering tot teruggave van de BTW ontoelaatbaar is aangezien eiseres nagelaten heeft om de betaalde sommen tijdig en op de wettelijk voorgeschreven wijze terug te vragen waardoor de verjaring voorzien in art. 82bis W.BTW is ingetreden.
1. Onverschuldigde betaling
Eiseres beroept zich op de leer van de onverschuldigde betaling waardoor de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 30 jaar van toepassing is.
Eiseres houdt voor dat het uitgevaardigde dwangbevel ongeldig is en dat derhalve de betaling van de belastingschuld onverschuldigd is.
De rechtbank stelt vast dat eiseres in toepassing van de art. 1235, lid 1 BW en art. 1376 BW de betaalde sommen terugvordert.
Voor de toepassing van de onverschuldigde betaling zijn er twee vereisten nl. een betaling én het onverschuldigd karakter van deze betaling (zie KRUITHOF R., BOCKEN H., DE LY F. en DE TEMMERMAN R. Overzicht van rechtspraak, Verbintenissenrecht (1981-92), T.P.R., 1994, nr. 314 e.v.).
Een betaling is onverschuldigd wanneer zij zonder oorzaak is.
In casu is de oorzaak van de betaling de door eiseres gestelde handeling zoals omschreven in het W.BTW. De oorzaak van betaling volgt uit de BTW-wetgeving en van de ter uitvoering genomen besluiten zelf.
Er is dus wel degelijk een oorzaak voor de betaling aan de Belgische Staat, zodat de vordering op basis van de rechtsgrond "onverschuldigde betaling" niet kan worden toegekend.
2. Verjaring van de vordering tot teruggave
Art. 82 W.BTW stelt dat de vordering tot teruggaaf begint te verjaren vanaf de dag dat de vordering ontstaat.
Art. 82bis W.BTW bepaalt dat de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten verjaart na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
Bij toepassing van art. 14 van het KB nr. 4 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde moet de vordering met betrekking tot de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten worden ingesteld voor het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dit van de betaling van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten die werden voldaan op verzoek van de administratie.
De verschuldigde bedragen met betrekking tot de betwiste vordering werden voldaan op 13.08.2002 voor een bedrag van 13.650,39 euro als inhouding van een BTW-tegoed en op 21.10.2002 voor een bedrag van 7.831,21 door een vrijwillige betaling van eiseres.
Deze bedragen zouden maar teruggegeven kunnen worden, indien zou blijken dat ze ten onrechte werden betaald, tot 31.12.2005, zijnde het einde van het derde jaar na de voldoening op verzoek van de administratie.
Art. 83 W.BTW bepaalt dat zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf, de verjaring gestuit wordt op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
Eiseres is van oordeel dat het inleiden van de procedure bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 01.09.2003, alsook de neerlegging van het verzoekschrift strekkende tot hoger beroep bij het Hof van Beroep te Antwerpen op 24.02.2005, de verjaring van de vordering tot teruggave hebben gestuit.
Terecht stelt eiseres dat het begrip "dagvaarding" waarvan sprake in art. 2244 BW ruim geïnterpreteerd dient te worden. Onder "dagvaarding voor het gerecht" verstaat art. 2244 BW een akte van rechtsingang die de zaak aanhangig maakt voor de rechtbank (zie Cass., 9 december 1996, Arr. Cass., 1996, 1181, Pas., 1996, I, 1251, R.W., 1996-97, 1296, noot S. GEEROMS en J.T., 1997, 780).
Evenwel heeft het Hof van Beroep bij arrest van 24.04.2007 de vordering niet-ontvankelijk verklaard omdat de vordering tot teruggaf ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak van 01.09.2003, had dienen ingeleid te worden bij dagvaarding vermits de opeisbaarheid van de BTW zich heeft voorgedaan in het jaar 1997 (cfr. art. 97 van de wet van 15 maart 1999).
De inleiding van het geding met verzoekschrift op tegenspraak dat als niet-ontvankelijk werd aangemerkt door het Hof van Beroep te Antwerpen bij arrest van24.04.2007, heeft op grond van art. 2247 BW geen stuitende werking.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verjaring is ingetreden.
Het intreden van de verjaring leidt niet tot de ontoelaatbaarheid van de vordering, maar wel tot de ongegrondheid ervan.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art 13 en 14).
Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.
Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, begroot in hoofde van verweerder op 2.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op 24.12.2008, alwaar aanwezig waren :
Mevrouw M. C., enige rechter, en
De Heer L. P., griffier.
L. P. M. C.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.