Exonération, Preuve, Livraison intracommunautaire · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 7 janvier 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, Preuve, Livraison intracommunautaire

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-preuve-livraison-intracommunautaire-tribunal-bruges-2002-01-07-d90b

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
7 janvier 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

31 paragraphes

Corps de la décision

Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 07.01.2002

Exonération - Preuve - Livraison intracommunautaire

Un assujetti à la TVA vend une moto à un prétendu client luxembourgeois. Vu que le vendeur ne peut prouver suffisamment l'exemption de la taxe lors d'un contrôle TVA, l'Administration de la TVA procède au recouvrement de la TVA due. Le tribunal suit le raisonnement de l'Administration, vu que l'assujetti qui invoque l'exemption de la taxe pour une livraison intracommunautaire, doit également apporter la preuve en ce qui concerne la qualité de l'acheteur et l'existence du transport ou de l'expédition. Le bon de commande et la facture, tous deux signés, avec l'indication du numéro de TVA étranger ainsi que la mention «exportation», ne sont pas suffisants à cet égard, d'autant plus qu'il existe des éléments indiquant que la moto a été acquise par une personne domiciliée en Belgique.

Vierde kamer

Alleenrechtspreken rechter: Dhr. Haemers Nicolas

E.a. adjunct-griffier: Mevr. Lhoest Nathalie

Partij: C••••• R•••• t. De Belgische Staat

I RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 24 november 1998.

Gelet op de verwijzing van deze zaak de dato 16 februari 2001, in toepassing van artikel 90 van het gerechtelijk wetboek, naar de vierde kamer van deze rechtbank.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 3 december 2001.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiser is gekend en ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer 644.076.436, ingevolge de door hem aangevatte activiteit van verkoop en herstel van bromfietsen en moto's. Op 9 augustus 1996 werd door Mieke De Smet , adjunct-controleur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde en dit over de periode van 1 november 1993 tot 30 november 1993. Door de controlerende ambtenaar werd op 2 juni 1997 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd. Op 18 september 1997 werd door de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Roeselare, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW., een dwangbevel uitgevaardigd. Voormeld dwangbevel werd op 24 september 1997 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer Lucien Van Wassenhove , eerstaanwezend inspecteur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 6 oktober 1997 bij deurwaardersexploot betekend aan eiser.

2.2. Eiser vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat het bestreden dwangbevel onwettig is en derhalve geen enkel gevolg kan hebben. Verder wordt gevraagd dat verweerder wordt veroordeeld tot de integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald. Tevens vordert hij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op 149,68 EUR (6038,- Bf.) dagvaardingskosten en 163,61 EUR (6600,- Bf.) rechtsplegingsvergoeding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

2.3. Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op 327,22 EUR (13.200,- Bf.) rechtsplegingsvergoeding.

III BEOORDELING 3.1 Nopens het bewist van de intracommunautaire levering

3.1.1. Eiser levert een moto BMW K 75 S aan een vennootschap met een adres in Luxemburg waarvan de persoon die tegenover hem optreedt van Belgische nationaliteit is en in Torhout woont. Volgens eiser beweert deze persoon dat hij de moto zal uitvoeren naar Luxemburg zodat deze levering van BTW dient te worden vrijgesteld als een intracommunautaire levering.

3.1.2. Op grond van artikel 39bis eerste lid, 1° W.BTW zijn de intracommunautaire leveringen van goederen van belasting vrijgesteld, indien de goederen door de afnemer of voor hun rekening worden verzonden of vervoerd buiten België, maar binnen de Gemeenschap. Gezien de aard van de BTW-wetgeving is het de verkoper die verantwoordelijk is voor de aanrekening en doorstorting van de BTW en is hij ook verantwoordelijk voor de juiste toepassing van de vrijstellingen. Als de belastingplichtige deze vrijstelling inroept moet hij dan ook het bewijs leveren omtrent de hoedanigheid van de koper en de echtheid van het vervoer of de verzending aantonen. Op grond van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde moet de verkoper te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt. Hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken. De verkoper moet het recht op vrijstelling bewijzen aan de hand van een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende documenten. De documenten aangehaald in het K.B. nr. 52 zijn onder meer bestelbonnen, vervoerdocumenten, betalingsdocumenten, contracten en verklaringen van de afnemer. Dit is geen limitatieve opsomming, waarbij geen enkel specifiek document op zichzelf voldoende of onontbeerlijk is. Het bestaan van een intracommunautair vervoer kan dan ook bewezen worden door alle middelen van recht, uitgezonderd de eed. Het is niet onredelijk dat de fiscus bij de beoordeling van de bewijzen enige gestrengheid betoont, nu sinds 1.01.1993 tevens alle grenscontroles op het goederenverkeer tussen de lidstaten werden afgeschaft en dit aanleiding heeft gegeven tot een grootschalige fraude die gepleegd wordt door malafide leveranciers en/of afnemers. (Antwerpen, 13 december 1999, F.J.F. nr. 2000/174, 458).

3.1.3. Eiser stelt dat hij zowel zijn afgetekende bestelbon als zijn factuur heeft voorgelegd en dat op voormelde stukken zeer duidelijk de buitenlandse afnemer, het BTW-identificatienummer van de buitenlandse afnemer en de nadrukkelijke tekst «uitvoer» stonden vermeld. Volgens eiser heeft de administratie dan ook volledig ten onrechte en louter willekeurig de vrijstellingstoepassing geweigerd temeer geen enkel element uit het proces-verbaal laat blijken dat voormelde stukken met enige onduidelijkheid of onjuistheid zijn behept.

3.1.4. De rechtbank stelt vast dat de door eiser voorgelegde bestelbon, visitekaartje en factuur eenzijdig opgemaakte stukken zijn die geen bewijs leveren van verzending of vervoer naar het buitenland. De gegevens die voorkomen op de bestelbon en op het visitekaartje wijzen er daarenboven op dat de moto niet door een Luxemburgse klant werd gekocht, maar door een persoon die woonachtig is te Torhout. Verder stelt de rechtbank vast dat er geen enkel stuk werd opgemaakt door de vervoerder of door de betalingsinstelling. Evenmin werd een schriftelijke bestelling uitgaande van de afnemer waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat de goederen bestemd zijn om naar Luxemburg te worden vervoerd of een ontvangstbewijs waarop de naam, het adres en het BTW-identificatienummer van de koper wordt vermeld, voorgelegd. Het feit dat eiser er bewust voor gekozen heeft om te factureren zonder BTW en het feit dat de persoon die optrad in naam van de koper een Belg was, moest eiser er toch op zijn minst toe hebben aangezet voldoende bewijzen te eisen die de waarachtigheid van de intracommunautaire levering aantoonden. Het gegeven dat de overgelegde factuur werd opgesteld overeenkomstig de wettelijke bepalingen levert op zich nog geen bewijs dat er werkelijk een intracommunautaire levering is gebeurd. Eiser kan geen geheel van overeenstemmende handelsdocumenten, zoals uitdrukkelijk vereist door het voormelde artikel 3 van het K.B. nr. 52, voorleggen waaruit blijkt dat de bewuste moto werd verzonden of vervoerd naar Luxemburg. De administratie was derhalve gerechtigd de vrijstelling te verwerpen.

3.2 Nopens de rechtsplegingsvergoeding

Eiser wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen.

De door verweerder gevorderde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 327,22 EUR (13.200,- Bf.) dient, overeenkomstig het K.B. van 30.11.1970 tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten in artikel 1022 van het gerechtelijk wetboek, te worden herleid tot de som van 163,61 EUR (6600,- Bf.).

Dispositif

Om deze redenen,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het verzet ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 163,61 EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtplegingsvergoeding.

Les noms de personnes physiques que la version diffusée par le SPF Finances laissait en clair ne sont pas republiés ici : ils sont réduits à leur initiale. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.

Textes cités

1
AR no 52 art. 32 occurrences