Exonération, exportation, opération intracommunautaire · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 14 septembre 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, exportation, opération intracommunautaireTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-operation-intracommunautaire-cour-appel-gand-2010-09-14-93a4

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
14 septembre 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais

Le texte de ce document est en néerlandais.

Texte

86 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 14.09.2010

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent - 5e kamer

Nr.2009/AR/1536 en Nr. 2009/AR/1551

Telkens in de zaak van :

B. LTD, vennootschap naar Engels recht, met maatschappelijke zetel te …, … (in de zaak nr.2009/AR/1536) en met maatschappelijke zetel te …, … (in de zaak nr.2009/AR/1551); ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …, doch woonst kiezend ten kantore van haar raadsman mr. D. B. M., advocaat te …, …,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. F. loco mr. D. B. M., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW­Ontvangkantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. D. P. J., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Procedure

Met (identieke) verzoekschriften van respectievelijk 4 en 5 juni 2009 heeft de appellante telkens hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, op 17 maart 2009 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de vordering van de appellante ontvankelijk verklaard maar als ongegrond afgewezen met veroordeling van de appellante in de kosten van het geding.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het overgaat tot vernietiging van het dwangbevel inzake BTW dat op 19 november 2007 ten nadele van de appellante werd uitgevaardigd; de appellante vordert ook dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot terugbetaling van alle onverschuldigde sommen, vermeerderd met de wettelijke interest.

De appellante vraagt bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de appellante zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.

2. Feitelijke gegevens

De appellante is als handelsbemiddelaar sedert 1 mei 2007 in België geregistreerd voor de BTW.

In haar BTW-aangifte van het tweede kwartaal 2007 heeft de appellante om teruggave gevraagd van het saldo in haar voordeel dat uit de aangegeven verrichtingen bleek, zijnde voor een bedrag van … euro.

Daarop heeft de controledienst van de geïntimeerde met een brief van 7 september 2007 een controlebezoek aangekondigd wat betreft de periode van 1 mei 2007 tot 30 juni 2007. De controle vond plaats op 26 september 2007.

Uit het onderzoek is gebleken dat het terug te geven BTW-saldo verband hield met de geboekte uitvoer van twee containers met computeronderdelen die respectievelijk op 10 april 2007 en 22 juli 2007 naar de bestemmeling in Senegal zouden zijn vertrokken per schip vanuit de haven van Antwerpen, waarvoor de douaneaangifte in de haven van Zeebrugge was gebeurd.

De controledienst van de geïntimeerde oordeelde dat de door de appellante voorgelegde stukken niet voldoende het bewijs leverden van het feit dat de betreffende goederen de Europese Gemeenschap verlaten hadden, en weigerde de vrijstelling van BTW ingevolge uitvoer zoals voorzien in artikel 39, § 1, 1° W.BTW. Van zijn bevindingen en zijn oordeel maakte de controledienst op 11 oktober 2007 een proces­ verbaal op waarin werd besloten dat de appellante de volgende bedragen verschuldigd was :

• … BTW;

• … verminderde proportionele boete en

• de wettelijke interest op de BTW vanaf 21 juli 2007.

Op 19 november 2007 maakt de geïntimeerde ten nadele van de appellante een dwangbevel op, gekend onder RCIV-nummer …, voor diezelfde bedragen, met dien verstande dat de wettelijke interest op de BTW nu pas vanaf 21 januari 2008 werd gevorderd en dat ook de wettelijke interest op de boete en de vervolgingskosten werden opgeëist. Na uitvoerbaarverklaring op 21 november 2007 werd het dwangbevel per aangetekende brief aan de appellante betekend.

Met een verzoekschrift van 22 februari 2008 stelde de appellante haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge.

De vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge heeft in zijn vonnis van 18 maart 2009 de vordering van de appellante afgewezen, zoals hogervermeld.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. Grieven en argumenten van de partijen

3.1. Standpunt van de appellante

De appellante stelt dat zij wel afdoende het bewijs (met alle middelen) levert van de effectieve uitvoer van de computeronderdelen naar Senegal. Zij stelt dat zij slechts met vertraging de documenten 724.A en EX1 van de Antwerpse douane heeft ontvangen en dat die trage werking door de diensten van de geïntimeerde niet te haren laste kan worden gelegd.

De appellante benadrukt dat zij de nodige stukken voorlegt, namelijk voor de beide containers het origineel attest 724A, de bill of lading, het EX1-document, de verzendnota waarin bevestigd wordt dat de goederen in Zeebrugge in ontvangst zijn genomen en de leveringsbon waarin de bestemmeling in Senegal tekent voor ontvangst. Zij wijst op de overeenstemming van de containernummers op de stukken en het bewijs van verscheping van die containers en de overeenstemming van de stukken wat de inhoud van die containers betreft.

Waar de geïntimeerde aanvoert dat de appellante slechts een kopie van het EX1-document voorlegt, stelt zij dat het wel het origineel is dat in haar stukken steekt. Bovendien zou het attest 724A voldoende bewijs leveren dat aan alle formaliteiten inzake uitvoer is voldaan omdat het anders niet zou zijn uitgereikt; dat zou veronderstellen dat er geldige documenten EX1 waren.

Dat de betaling contant gebeurde, zou een keuze zijn die ze deed om zich van de betaling te verzekeren, maar die contante betaling zou niet in haar nadeel mogen worden uitgelegd; contante betalingen zouden niet ongebruikelijk zijn.

3.2. Standpunt van de geïntimeerde

De geïntimeerde wijst op de bewijslast die de appellante draagt om de vrijstelling krachtens artikel 39, § 1, 1° W.BTW en de artikelen 1 tot 3 KB nr. 18 te kunnen genieten bij uitvoer.

Volgens de geïntimeerde is het EX1-document het belangrijkste verantwoordingsstuk, met dien verstande dat het bewijs zou moeten worden geleverd aan de hand van de verkoopfactuur of minstens een verzendingsstuk dat alle gegevens van een verkoopfactuur bevat samen met overeenstemmende documenten waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt zoals bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsdocumenten.

De geïntimeerde laat gelden dat in de regel aangifte ten uitvoer wordt gedaan op het douanekantoor van uitvoer, in welk geval de exemplaren 1 en 2 van het document EX1 worden ingehouden en alleen het exemplaar 3 afgestempeld aan de uitvoerder wordt meegegeven. Wanneer - zoals hier - het douanekantoor van uitvoer niet hetzelfde is als het douanekantoor van uitgang (waar de goederen de grens met de EG verlaten), dan zou het exemplaar 3 van het document EX1 de goederen moeten vergezellen om door het douanekantoor van uitgang op de keerzijde voorzien te worden van een visum, met name ter bevestiging dat de goederen daadwerkelijk de Europese Gemeenschap verlaten hebben. Tussen de aangifte ten uitvoer en de effectieve uitvoer zouden de goederen vrij in de Gemeenschap kunnen circuleren onder de dekking van de aangifte ten uitvoer. De geïntimeerde stelt dat de aangifte ten uitvoer die wel door het douanekantoor van uitvoer,·maar niet door het douanekantoor van uitgang geldig is gemaakt, geen enkele waarde heeft.

Concreet, zo voert de geïntimeerde aan, legt de appellante slechts een kopie voor van de voorkant van het exemplaar 1 van het enig document; volgens hem werd het origineel exemplaar van dat document door het douanekantoor van uitvoer na verificatie ingehouden. Het originele exemplaar 3 met op de keerzijde de originele stempel van het kantoor van uitgang zou de appellante niet overleggen.

Het document 724A zou niet het bewijs leveren dat de goederen naar Senegal werden verscheept omdat het alleen de container zou identificeren maar niet de goederen. Voor de bills of lading zou hetzelfde gelden.

Dat er vertraging plaatsvindt in de aflevering door het douanekantoor van uitgang bij de terugbezorging van het afgestempeld exemplaar 3, zou gebruikelijk zijn, maar de uitvoerder zou zelf het initiatief moeten nemen om het document terug te krijgen.

De geïntimeerde laat ook nog gelden dat ook met de betaling geen bijkomend bewijs wordt geleverd omdat deze contant gebeurde.

Dat doet de geïntimeerde besluiten dat hij terecht de vrijstelling van BTW bij uitvoer geweigerd heeft.

4. Beoordeling

4.0. Voeging van de zaken

De beide verzoekschriften tot hoger beroep zijn identiek en tegen hetzelfde vonnis gericht. Het past om de zaken te voegen zodat ze samen kunnen worden behandeld.

4.1. Bewijs van het vervoer naar een bestemming buiten de Europese Gemeenschap

De appellante wil de vrijstelling genieten wegens uitvoer-overeenkomstig artikel 39, § 1, 1° W.BTW waarvan de tekst als volgt luidt :

§ 1. Van de belasting zijn vrijgesteld :

1° de leveringen van goederen die door of voor rekening van de verkoper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap; (…).

Het komt toe aan de appellante, die zich op een vrijstelling van belasting beroept, om het bewijs te leveren, met name dat de betreffende computeronderdelen daadwerkelijk verzonden of vervoerd werden naar een plaats buiten de Europese Gemeenschap.

De appellante voert aan-dat zij bewijst dat de computeronderdelen naar Senegal werden vervoerd per schip vanuit de haven van Antwerpen.

Dat bewijs is nochtans niet afdoende geleverd.

De voorgelegde (kopies van de) exemplaren 1 van de documenten EX1 vermelden t)et kantoor van uitgang niet. Na de aangifte in het kantoor van uitvoer (hier Zeebrugge) konden de goederen onder dekking van die aangifte circuleren in de Europese Gemeenschap; wat de appellante moet bewijzen, is dat die goederen de Europese Gemeenschap ook verlaten hebben.

De appellante legt wel de verklaringen (zgn. attesten 724 A) voor waarin de douane van Antwerpen bevestigt dat de containers die overeenstemmen met de voorgelegde "bills of lading" daadwerkelijk verscheept werden met het MS Grande Argentina, maar dat volstaat niet als bewijs dat in die containers daadwerkelijk de betreffende computeronderdelen staken die door de appellante in de door de douane van Zeebrugge afgestempelde documenten EX1 ten uitvoer werden aangegeven. Zoals de geïntimeerde met reden aanvoert, bewijst de appellante met die stukken (die trouwens slechts kopies zijn van de voorkant van het exemplaar 1 van die documenten, kennelijk afgeleverd door de douane van Zeebrugge op 8 november 2007) niet meer dan dat zij aangifte ten uitvoer deed van die goederen maar niet dat het ook die goederen waren die in de containers staken die in Antwerpen naderhand verscheept werden. De attesten 724 A bevestigen trouwens letterlijk dat noch over de inhoud van de container, noch over de goederen enige zekerheid kan worden gegeven omdat er geen enkele controle of verificatie werd gedaan door de Antwerpse douane.

Met de geïntimeerde moet worden vastgesteld dat de appellante geen exemplaar 3 van de documenten EX1 voorbrengt, terwijl op die manier wel zou worden aangetoond dat de goederen die ze in Zeebrugge aangaf voor uitvoer, ook daadwerkelijk verscheept werden om de Europese Gemeenschap te verlaten.

Uit niets blijkt dat de vertraging die de douaneautoriteiten hadden in de administratieve afhandeling van de uitvoer, de appellante belet heeft om de nodige documenten; die het bewijs van het effectieve vervoer buiten de Europese Gemeenschap leveren, in handen te krijgen.

De (kopie van de) ondertekende leveringsbon die de appellante voorlegt, laat al evenmin toe vast te stellen dat de goederen waarvoor in Zeebrugge aangifte werd gedaan daadwerkelijk in Senegal zijn toegekomen. De leveringsbon bevat geen details omtrent de computeronderdelen (pièces pour ordinateur) waarvan hij melding maakt en mist ook de nodige autoriteitsgaranties.

Zelfs al maakt een contante betaling een transactie op zich nog niet verdacht, toch kan de appellante in de gegeven omstandigheden ook geen gebruik maken van een bewijs van waarachtigheid van de door haar ingeroepen transactie aan de hand van een betalingsbewijs.

Het vereiste bewijs is dus niet geleverd, zoals de eerste rechter met reden heeft vastgesteld. Het hoger beroep is ongegrond.

5. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 40.000,01 tot 60.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

voegt de zaken met rolnummers 2009/AR/1536 en 2009/AR1551;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af-als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt :

- aan de kant van de appellante : nihil

- aan de kant van de geïntimeerde :

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op VEERTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN.

Aanwezig de Heren :

A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. T. en D. V., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. D. V. G. T. A. D. M.

Textes cités

2
AR no 18 art. 11 occurrence
AR no 18 art. 31 occurrence