Le texte de ce document est en néerlandais.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 29.09.2016
WF 803-15-09/077238
[Favorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Droit à déduction – Frais de publicité – Frais de réception – Amende fiscale
Dispositions légales
Article 45, § 1er et § 3, 3° et 4°, du Code de la TVA
Article 70, § 1er, du Code de la TVA
Résumé
1) Les faits de la cause et les antécédents de la procédure
L’assujettie exerce une activité de grossiste en matériel informatique (imprimantes, tous types d’écrans et d’accessoires). Durant les mois de mars et d’avril 2005, l’administration a effectué un contrôle de la comptabilité de l’assujettie en matière de TVA et d’impôt des sociétés pour la période courant du 1er janvier 2002 au 31 décembre 2003.
Les fonctionnaires contrôleurs ont constaté différentes irrégularités et infractions. Elles consistaient notamment en l’utilisation de biens de l’entreprise pour un usage privé, en la déduction indue de la TVA ayant grevé des frais de nourriture, de boissons et réception et en la comptabilisation illégale de frais privés en frais de l’entreprise. L’administration a proposé un règlement à l’amiable concernant la TVA due en raison de ces infractions. A défaut d’accord à l’amiable, les infractions ont été consignées dans un procès-verbal daté du 30 novembre 2005.
Le 13 janvier 2006, l’administration a signifié une contrainte à l’assujettie. L’assujettie a fait opposition à cette contrainte. En matière d’impôts directs, l’assujettie a également déposé une requête. L’action en justice concernant les impôts directs a été déclarée non fondée par un jugement daté du 14 novembre 2011.
2) La procédure devant le tribunal de première instance
L’assujettie demande que sa demande en justice soit déclarée recevable et fondée, que les créances reprises dans la contrainte soient déclarées non fondées et qu’à tout le moins les amendes fiscales soient déclarées illégales.
Dans un premier temps, le tribunal observe qu’il s’est déjà prononcé sur un semblable litige opposant l’assujettie à l’Etat belge concernant l’imposition en matière d’impôt des sociétés pour l’exercice d’imposition 2004. En cette affaire, le tribunal a jugé que les frais, pour lesquels l’assujettie invoque un droit à déduction de la TVA les ayant grevés, étaient purement des frais de réception.
En ce qui concerne les frais avancés pour des « opérations d’information et de promotion », l’assujettie considère qu’il n’existe aucun motif pour rejeter la déduction de la TVA grevant les factures précitées étant donné que toutes ces factures concernent des « opérations d’information et de promotion ». En effet, l’assujettie a organisé des journées d’information pour présenter les « office supplies » de la firme X., dont elle était devenue le distributeur, pour lesquelles les frais de catering étaient uniquement engagés dans le but de promouvoir des produits commerciaux de sorte qu’elle considère que les « events » qui ont été organisés lors de ces journées sont justifiés et doivent être qualifiés de frais de publicité.
Le tribunal rejette cette allégation. Il souligne que dans le jugement du 14 novembre 2011 ces frais ont été qualifiés de purs frais de réception. L’assujettie n’a pas présenté de preuve irréfutable que ces frais avaient été engagés dans le cadre d’une activité qui visait principalement et directement à informer les acheteurs de l’existence et des qualités de certains biens et services en particulier. Ces frais n’ont pas d’avantage été engagés afin de stimuler la vente de ces biens et services. Le tribunal rejette également les allégations de l’assujettie concernant divers frais, l’appareil photographique et les avantages en matière de téléphonie (GSM).
Contrairement à ce que soutenait l’assujettie, l’amende fiscale de 10% n’est nullement illégale en raison d’une éventuelle violation du devoir de motivation. L’amende fiscale infligée n’est pas disproportionnée au regard des infractions commises et de la finalité qui sous-tend l’infliction d’une amende administrative.
Il n’y a également aucune violation du devoir de motivation en ce qui concerne la décision d’imposer des intérêts. En effet, la date faisant courir les intérêts ainsi que les intérêts ont été correctement déterminés par l’administration.
La demande de l’assujettie est déclarée recevable mais non fondée. Le jugement est coulé en force de chose jugée.
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent d.d. 29.09.2016
Rolnummer: 06/1181/A
In de zaak van:
C.O B. NV (voorheen NV D.). KSO nr. …, met maatschappelijke zetel te …, …, EISENDE PARTIJ, vertegenwoordigd door mr. P. C., advocaat te …, …;
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën - Stafdienst Logistiek :. Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, in de persoon van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger BTW Aalst, met kantoren te 9300 Aalst, Graanmarkt 1, VERWERENDE PARTIJ, vertegenwoordigd door mr. D. R. M., advocaat te …,
Beslist de rechtbank als volgt :
I. DE RECHTSPLEGING.
De rechtbank hoorde partijen in hun argumenten op de openbare terechtzitting van 1 september 2016. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder:
-BTW-dwangbevel RCIV nr. …;
-de dagvaarding in verzet van 24 maart 2006 tot verzet tegen het hierboven genoemde dwangbevel;
-de conclusies van partijen.
ll. DE VORDERING
Eiseres vordert de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, vervolgens de vorderingen ingesteld bij dwangbevel van 6 december 2005 ongegrond te verklaren, minstens de opgelegde boeten onwettig te verklaren.
Ten slotte vordert eiseres de veroordeling van verweerster tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding voor een bedrag van … EUR.
Verweerster vordert de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren. Vervolgens vordert verweerster de veroordeling van eiseres tot de kosten van het geding, met inbegrip van de (basis)rechtsplegingsvergoeding voor een bedrag van … EUR.
III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL
1. De vennootschap nv C. B., voorheen nv D., is een onderneming die bedrijvig is als groothandel in printers en diverse soorten van beeldschermen en toebehoren.
Deze onderneming is een BTW-plichtige (BTW-identificatienummer BE …) die onderworpen is aan de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan getroffen uitvoeringsbesluiten.
2. Op 24 maart 2005 en 15 april 2005 werd eiseres over de periode 01/01/2002 tot 31/12/2003 voor het aanslagjaar 2004 onderworpen aan een gezamenlijke fiscale controle én door de fiscale ambtenaren van het controlecentrum van de BTW te Aalst én door de fiscale ambtenaar bij de Administratie der directe belastingen.
Naar aanleiding van deze controle werden door de fiscale ambtenaren verschillende onregelmatigheden en inbreuken vastgesteld. Zo werd een niet aangegeven gebruik van bedrijfsgoederen voor privé-aard vastgesteld, werden kosten van spijzen en dranken en onthaal ten onrechte als aftrekbaar aangerekend en werd de aankoop van privé-goederen ten onrechte als bedrijfskosten ingeboekt.
Op het ogenblik van de bespreking met de fiscaal raadgever van het bezwaarschrift van 1 april 2007, werden geen bewijsstukken voorgelegd inzake de promotie en publiciteitsevents.
3. De gedane vaststellingen en overtredingen werden, voor wat betreft de BTW, opgenomen in een voorstel tot minnelijke inregelstelling. Deze werd op 16 september 2005 aan eiseres toegestuurd. Over een gedeelte van de opgesomde inbreuken werd een minnelijk akkoord bereikt. De verschuldigde sommen werden opgenomen in een voor akkoord ondertekende minnelijke inregelstelling van 25 november 2005 en ingevorderd met RCIV-nr: …, welke vervolgens door eiseres aangezuiverd werd.
De BTW - overtredingen waarvoor geen akkoord kon bereikt worden, werden opgenomen in een proces-verbaal van 30 november 2005. In dit procesverbaal werd volgende BTW-schuld vastgelegd :
- BTW:… EUR
-geldboete ingevolge artikel 70 §1
en artikel 70 § 1 bis W.BTW :… EUR
-vervallen intresten verschuldigd krachtens artikel 91 §1 W. BTW: p.m.
4. Vervolgens werd jegens eiseres een dwangbevel uitgevaardigd door verweerster op 6 december 2005 dat geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd op 8 december 2005. Dit werd per aangetekend schrijven van 9 december 2005 aan eiseres ter kennis gebacht.
Vervolgens werd het dwangbevel betekend op 13 januari 2006.
Op 13 februari 2006 werd uitvoerend beslag gelegd op de roerende goederen met vaststelling van een publieke verkoopdag op 23 maart 2006.
5. Bij exploot van 24 maart 2006 heeft eiseres verzet aangetekend tegen het hierboven genoemde dwangbevel.
Eiseres heeft tevens een verzoekschrift ingeleid jegens de Administratie der Directe Belastingen voor deze rechtbank inzake dezelfde belastbare handelingen. Deze vordering van eiseres werd afgewezen als ongegrond bij vonnis van 14 november 2011.
Eiseres heeft in dit vonnis berust.
De uitspraak van dit vonnis liet toe dat de fiscale administratie (BTW) huidige procedure heeft geactiveerd, nu eiseres nalaat haar BTW schuld vrijwillig te vereffenen.
IV.BEOORDELING Ontvankelijkheid
Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.
Ten gronde
Inzake het vonnis van 14 november 2011 (REA Gent, zesde fiscale kamer)
1. De rechtbank merkt op dat zij zich in een gelijkaardig geschil inzake nv C. B. (voorheen nv D.) tegen de Belgische Staat heeft uitgesproken m.b.t. de aanslag in de vennootschapsbelasting, aanslagjaar 2004 (rechtzetting van kohierartikel …). Zo heeft zij o.m. geoordeeld: "Bij gebrek aan enige bewijskrachtige indicatie van de deelname aan een beurs, kan eiseres evenmin slagen in het bewijs dat de bedoelde kosten van receptie, restauratie en onthaal bijkomstig waren aan een promotieactiviteit, bedoeld om (potentiële) klanten te bereiken. Het gaat met andere woorden om loutere receptiekosten.
Inzake de kosten van "informatie- en promotieactiviteiten"
2. Eiseres werpt op dat er geen reden is om de aftrek op voormelde kosten te verwerpen, vermits ze alle betrekking hebben op "informatie- en promotieactiviteiten".
Eiseres stelt dat zij infodagen heeft georganiseerd over de office supplies van de firma X., waarvan zij verdeler was geworden, waarbij de kosten voor catering louter ondergeschikt waren aan het doel van promotie van handelsgoederen, zodat zij van oordeel is dat "evenementen die bijhorend worden georganiseerd gerechtvaardigd zijn en als publiciteitskosten kunnen worden aangemerkt".
3. Volgens verweerster komt de BTW van kosten van onthaal voor een bedrag van … EUR niet in aanmerking voor de aftrek.
Het staat tevens vast dat de kosten die enkel betrekking hebben op het verschaffen van spijs en drank eveneens niet voor aftrek van BTW in aanmerking komen (… EUR).
De muzikale attracties (liveband) en de kinderanimaties (springkasteel, kindershow) hebben geen rechtstreeks verband met de bedrijvigheid van de belastingplichtige en dienen derhalve als 'kosten van onthaal' te worden beschouwd.
Ook wat betreft de andere prestaties betreft dient eiseres aan te tonen dat ze hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel hadden de kopers in te lichten over het bestaan en over de hoedanigheden van welbepaalde producten en diensten.
4. Overeenkomstig artikel 45, § 3, 3° en 4° W.BTW komen niet voor aftrek in aanmerking, de belasting van :
•Kosten van logies, spijzen en dranken in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 10° en 11° W. BTW, daaronder niet begrepen de kosten die worden gedaan :
-Voor het personeel dat buiten de onderneming belast is met een levering van goederen of een dienstverrichting;
-Door belastingplichtigen die op hun beurt dezelfde diensten onder bezwarende titel verstrekken;
•Kosten van onthaal.
5. De rechtbank stelt vast dat deze kosten in het hierboven genoemde vonnis werden aanzien als loutere receptiekosten. Eiseres heeft geen afdoende béwijzen voorgelegd die aantonen dat deze kosten gemaakt werden in het kader van een activiteit, die hoofdzakelijk én rechtstreeks tot doel heeft de kopers in te lichten over het bestaan en de hoedanigheden van welbepaalde goederen en diensten. Tevens dienen deze kosten gemaakt te zijn met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen.
Verweerster heeft dan ook terecht bepaald dat deze BTW van voormelde kosten niet in aanmerking komt voor aftrek.
Inzake diverse kosten
6. Overeenkomstig artikel 45, §1 W.BTW en artikel 1, §2 van het KB van 10 december 1969, komt in geen geval voor aftrek in aanmerking, de BTW geheven op de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit.
Wanneer een goed of een dienst bestemd is om gedeeltelijk voor zulke doeleinden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruik uitgesloten.
7. In het hierboven genoemde vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat "gezien het summiere karakter van de informatie die men uit deze facturen kan vergaren, zij niet volstaan als bewijs van beroepskosten in de zin van artikel 49 WIB 1992."
De overeenstemmende BTW van de facturen van 6 mei 2003 en 2 juni 2003 opgesteld door de firma V. G. heeft verweerster dan ook terecht niet aanzien als aftrekbare BTW (… EUR).
Inzake het fototoestel Nikon S3
8. Verweerster stelt dat het een exclusief fototoestel is en geen computer hardware. Het is een collectors item waarvan het gebruik voor beroepsmatige doeleinden door eiseres niet is aangetoond.
9. In het hierboven genoemde vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat "bij gebrek aan enig aanwijzing omtrent de beroepsmatige aanwending van het fototoestel, heeft verweerder aldus tevens terecht besloten tot het verwerpen van de overeenstemmende investeringsaftrek."
De overeenstemmende BTW voor een bedrag van … EUR heeft verweerster dan ook terecht niet aanzien als aftrekbare BTW.
Inzake de gsm-voordelen
10. Eiseres werpt op dat in het proces-verbaal van 30 november 2005 een voordeel van alle aard werd weerhouden, voor privé gebruik van gsm's door personeelsleden voor de boekjaren 2002 en 2003. Deze redenering werd gebaseerd op een schriftelijk akkoord door een bestuurder van eiseres inzake directe belastingen voor het aanslagjaar 2001 (boekjaar 1999-2000). Hierbij werd, volgens eiseres, geen rekening gehouden "met de omstandigheden van het akkoord dat er kwam bij de afronding van een controle en uitsluitend ingegeven was door de wil om die betwisting af te sluiten en kort proces te maken."
11. De rechtbank stelt vast dat voor het aanslagjaar 2001 inzake directe belastingen door de vennootschap een schriftelijk akkoord is afgesloten om de tegenwaarde van een voordeel van alle aard voor het privégebruik van gsm's door personeelsleden van de belastingplichtige, onder de verworpen uitgaven 'liberaliteiten' op te nemen. Voor het aanslagjaar 2002 werd eveneens een dergelijk akkoord afgesloten. Tegen de gevestigde aanslagen werd geen bezwaar ingediend, de verworpen uitgaven in de vennootschapsbelasting werden aldus niet betwist.
12. De rechtbank merkt op dat eiseres noch dwang of een gebrek aan toestemming of dwaling heeft ingeroepen omtrent het tot stand gekomen akkoord (vennootschapsbelasting).
Eiseres heeft niet betwist dat zij deze akkoordverklaringen heeft afgesloten en aldus haar instemming heeft betuigd met de daarin verwoorde· principes. Evenmin slaagt eiseres in het bewijs dat dit akkoord tot stand zou zijn gekomen op basis van onjuiste feitelijke gegevens (cfr. het vonnis van 14 november 2011 van de rechtbank van eerste aanleg, Gent, zesde fiscale kamer).
Niets belet dat dit akkoord ook voor het daaropvolgende aanslagjaar als uitgangspunt wordt gehanteerd, bij gebrek aan enige aanwijzing van gewijzigde feitelijke of andere omstandigheden.
13. Deze afgesloten akkoorden inzake directe belastingen hebben wel degelijk een weerslag op het vlak van de BTW.
Overeenkomstig artikel 37 en 38 W.BTW en artikel 1 van het KB van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven (achteraf gewijzigd) heeft verweerster terecht de verschuldigde BTW bepaald. De volgende bedragen aan BTW werden dan ook correct bepaald overeenkomstig het tarief van 21 %: … EUR x 21% = … EUR.
Inzake de geldboete en de interesten
14. Eiseres vordert om de opgelegde geldboete van 10% onwettig te verklaren wegens een gebrek aan motivatie.
15. Artikel 1 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, genomen ter uitvoering van de artikelen 70, 71 en 84 W. BTW bepaalt de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, met verwijzing naar de als bijlage aan het besluit gevoegd tabellen A tot J.
Tabel H betreft de geldboeten van toepassing voor de overtredingen beoogd in artikel 70 §1 bis W. BTW. Tabel G betreft de geldboeten van toepassing voor de overtredingen beoogd in artikel 70 §1 W. BTW.
In het proces-verbaal van 30 november 2005 is vermeld dat de boete vermeld in artikel 70, § 1 W. BTW wordt verminderd tot … EUR (dit is 20 %), overeenkomstig de tabellen G, eerste afdeling, rubriek V, van de bijlage bij het KB nr. 41. Van een gebrek aan motivatie is dus geen sprake.
De opgelegde boete is niet disproportioneel met de inbreuken en met het doel van een administratieve boete. Daarom beslist de rechtbank om de boete niet te herleiden.
Gelet op de overtreding begaan door eiseres, werd de boete van 10% dan ook terecht opgelegd.
16. Eiseres argumenteert dat de opgelegde interesten in de beslissing behept zijn met een gebrek aan motivatie en aldus ongeldig zijn.
17. Overeenkomstig artikel 91 §1, 1 ° W.BTW, welke bepaling in het dwangbevel uitdrukkelijk is vermeld:
a) wordt de rentevoet bepaald op 0,8 % per kalendermaand;
b) zijn deze intresten verschuldigd vanaf de 21ste van de maand die volgt op het einde van de gecontroleerde periode.
18. De rechtbank stelt vast dat de gecontroleerde periode eindigt op 31 december 2003, zodat de intresten in casu vanaf 21 januari 2004 zijn verschuldigd. Dit is vermeld in het bestreden dwangbevel. Van een motiveringsgebrek is geen sprake, de aanvangsdatum van de interesten alsook de interesten werden dan ook door verweerster correct bepaald.
Besluit
19. De rechtbank stelt dan ook vast dat het verzet tegen het dwangbevel ongegrond is.
V.GERECHTSKOSTEN
Eiseres dient, als de in het ongelijk gestelde partij, de opgelopen procedurekosten te vergoeden.
De kosten in het huidige geschil betreffen de dagvaardingskosten en de rechtsplegingsvergoeding. De vordering is niet in geld waardeerbaar zodat de rechtsplegingsvergoeding, sinds 1 juni 2016, … EUR bedraagt. Er worden geen bijzondere redenen aangevoerd die een afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding verantwoorden.
DEZE RECHTBANK beslist :
recht doende op tegenspraak;
met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;
-Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend;
-De vordering ontvankelijk en ongegrond te verklaren;
-Eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding en deze vast te stellen op … EUR dagvaardingskosten en … EUR rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op donderdag negenentwintig september tweeduizend zestien, waar aanwezig waren :
Ondertekeningen
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.