Disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 12 novembre 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-tribunal-hasselt-2009-11-12-bcc1

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
12 novembre 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

62 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselty du 12.11.2009

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZIITING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE AR nr. 07/2126/A

Mr. B. T., curator van de BVBA O., failliet verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Hasselt van 05.06.2008, met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer ….

eiser q.q.,

vertegenwoordigd door mr. H. V., advocaat te …, ….

tegen :

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor te Beringen, met burelen gevestigd te 3580 Beringen, Harmoniestraat 9.

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 24.09.2007;

- de conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;

- de conclusies van eiseres.


I. FEITEN EN VOORGAANDEN

De BVBA O. was ingevolge de door haar uitgeoefende beroepsactiviteit van het verrichten van technische studies en ingenieursactiviteiten geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.

Op 22.02.2007 werd aangevangen met een beperkte controle teneinde de toepassing van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten na te gaan met betrekking tot de periode van 01.01.2006 tot 31.12.2006.

Bij nazicht van de boekhouding van de BVBA O. werden 2 aankoopfacturen aangetroffen uitgaande van "E. and t. w. T. Ltd", …, p.o. … DUBAI. Deze facturatie zou de overdracht van gegevens betreffen m.b.t. potentiële klanten. De administratie was van oordeel dat op grond van de wettelijke bepalingen de ontvanger van de dienst, de BVBA O., de BTW in België verschuldigd.

Derhalve resulteerde deze controle in een correctieopgave met voorstel tot minnelijke regeling inzake een belastingschuld van 66.150,00 euro BTW en 13.230,00 euro geldboete en intresten vanaf 21.01.2007 (zie stuk 1, bundel verweerder).

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 24.09.2007 stelde eiseres een vordering in rechte in.

De betwisting tussen partijen is thans beperkt tot de betwisting van de opgelegde geldboete.

II. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

Eiseres betwist niet de desbetreffende BTW-schuld.

Eiseres streeft enkel de kwijtschelding van de opgelegde geldboete na.

Verweerder wijst erop dat de in art. 70 W.BTW opgelegde administratieve boeten van rechtswege worden opgelopen door hei loutere feit van de overtreding, ongeacht of er goede of kwade trouw aanwezig was.

In zijn arrest nr. 22/99 van 24 februari 1999 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de interpretatie van de voorheen geldende wettelijke bepalingen, als zou de burgerlijke rechter geen volheid van rechtsmacht hebben om over de administratieve geldboetes te oordelen, ongrondwettelijk is. Het Hof oordeelde het onverenigbaar met de G. W. dat een burgerlijke rechter die een repressieve fiscale boete moet beoordelen, geen rekening zou kunnen houden met bepaalde omstandigheden, terwijl een strafrechter wel verzachtende omstandigheden in rekening kan brengen. Deze rechtspraak impliceert dat de belastingplichtigen de mogelijkheid moeten hebben om door een rechter te laten beoordelen of de repressieve fiscale boete in rechte en in feite verantwoord is, en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen, die de administratie in acht moet nemen, werden geëerbiedigd. Eén van deze beginselen is het evenredigheidsbeginsel.

Verder impliceert deze rechtspraak eveneens dat indien de. administratie de mogelijkheid heeft de sanctie te moduleren (in de zin van een gedeeltelijke vermindering of kwijtschelding), niets wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter mag ontsnappen (Grondwettelijk Hof 24 februari 1999, A.A. 1999, 257; BS 30 april 1999; Fiscoloog 1999, afl. 697,5; FJF 1999, 489; JLMB 1999, 532; J.T. 1999, 45; T.F.R. 1999, 385, met noot B. COOPMAN en G. STESSENS, "Mensenrechtelijke waarborgen toepasselijk op de administratieve fiscale boete : reflecties bij de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Arbitragehof).

In drie arresten van 24 januari 2002 oordeelde het Hof van Cassatie dat de rechtbanken en hoven de wettelijkheid van de administratieve boetes mogen onderzoeken en mogen nagaan of de feitelijke en wettelijke voorwaarden vervuld zijn voor die sancties, en of die sancties verzoenbaar zijn met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, waaronder de evenredigheid met de inbreuk (zie Cass. 24 januari 2002, T.F.R. 2002, 765, met noot B. COOPMAN en K. LAMMENS).

Het Hof van Cassatie aanvaardt alleen een evenredigheidstoetsing, waarbij de rechtbanken en hoven inzonderheid acht mogen slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Binnen het kader van deze evenredigheidstoetsing neemt het Hof van Cassatie wel aan dat de rechtbanken en hoven de administratieve boetes kunnen verminderen tot onder het wettelijk bepaald minimum in geval van vastgestelde onevenredigheid (zie VANDENBERGHE, L. "De rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten : een stand van zaken", Fisc. Act. 2003, nr. 14, 10 april 2003, nr. 3 en 4, p. 10).

Daarentegen meent het Hof van Cassatie dat het toetsingsrecht van de rechtbanken en hoven niet inhoudt dat zij om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke voorschriften in de opgelegde boetes kunnen verminderen of kwijtschelden (zie VANDENBERGHE, L. “De rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten een stand van zaken”, o.c. 9 e.v.).

Op 4 maart 2004 werd voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie van 24 januari 2002 kritisch benaderd door het E.H.R.M., dat oordeelde dat het Hof van Cassatie op te algemene wijze had beslist dat motieven van billijkheid en opportuniteit niet mogen meespelen in de rechterlijke beoordeling (zie COOPMAN, B. "Rechterlijke toetsing van fiscale boetes : cassatie teruggefloten door Straatsburg", noot onder E.H.R.M. 4 maart 2004, T.F.R. 2004, 642).

Toch bleef het Hof van Cassatie bij zijn weigering om de rechterlijke opportuniteitscontrole toe te laten naar analogie met het Regentsbesluit van 18 maart 1831, het zg. Organiek besluit van het bestuur van 's lands middelen. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het toetsingsrecht van de rechtbanken en hoven niet inhoudt dat deze op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige; om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boetes kunnen verminderen of kwijtschelden (zie Cass. 21 januari 2005, Fiscoloog nr. 969, p. 7; Cass. 30 november 2006, R.G.C.F, 2007, 363, met noot M. MORIS, "Le pouvoir d'appréciation du juge en matière d'amendes fiscales"; Cass. 16 februari 2007 (4 arresten), T.F.R. 2007, 934, met noot G. GOOSSENS, "Redelijkheid, evenredigheid en proportionaliteit. Het standpunt van het Hof van Cassatie inzake de rechterlijke toetsing van fiscale geldboetes". Zie ook : B. COOPMAN, "Hof van Cassatie vindt verzachtende omstandigheden te "subjectief"', Fisc. Act. 2005, nr. 7, 24 ffebruari 2005, 5).

Op 15 mei 2008 besliste het Grondwettelijk Hof evenwel dat, wanneer bij de rechter een beroep wordt ingesteld tegen een beslissing die de Minister van Financiën of diens gedelegeerde op grond van art. 9 van voornoemd Regentsbesluit heeft genomen, die rechter, zoals de Minister van Financiën of diens gedelegeerde, de geldboete moet kunnen kwijtschelden of verminderen (zie Grondwettelijk Hof 15 mei 2008, T.F.R. 2008, 1027, met noot B. COOPMAN, "Rechtsmacht over fiscale boetes reikt volgens Grondwettelijk Hof zo ver als Regentsbesluit").

Het Hof van Cassatie heeft zich in de arresten van 12 december 2008 en 13 februari 2009 opnieuw uitgesproken over de draagwijdte van de rechterlijke beoordeling van fiscale administratieve sancties (zie Cass., 12 december 2008 en vier arresten van 13 februari 2009, www.cass.be ). Drie van de vijf arresten bevestigen de eerdere rechtspraak. In twee andere arresten verfijnt het Hof zijn interpretatie van evenredigheidstoetsing. Het Hof bevestigt dat een evenredigheidstoetsing is toegestaan, ook al beschikt de administratie over een gebonden bevoegdheid bij het opleggen van de sanctie. In het laatste arrest van 13 februari 2009 wordt voor het eerst erkend dat de feitenrechter, mits voldoende motivering, een proportionele BTW-boete kan verminderen. De feitenrechter mag binnen het kader van de evenredigheidstoetsing rekening houden met bepaalde omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige.

In deze betwisting gaat de rechtbank met eiseres akkoord dat het opleggen van een boete van 13.230,00 euro een schending van het evenredigheidsbeginsel uitmaakt.

Met reden wijst eiseres erop dat zij op geen enkele wijze BTW heeft ontdoken, maar de BTW over zijn verrichtingen heeft afgedragen aan de Belgische Staat. Van enige nadelige gevolgen in hoofde van het algemeen belang wordt geen bewijs voorgelegd. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat de opgelegde boete op geen enkele wijze werd gemotiveerd.

De rechtbank is dan van oordeel dat in deze, gelet op de bijzondere omstandigheden van onderhavige zaak, de boete voor het geheel dient te worden kwijtgescholden.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.0 1.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen ter zake standpunt ingenomen.

In casu wordt gevorderd een geldboete ten bedrage van 13.230,00 euro kwijt te schelden.

Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Dispositif

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond,

Zegt voor recht dat de door de administratie opgelegde geldboete van 13.230,00 euro niet verschuldigd is.

Beveelt de terugbetaling van alle bedragen die reeds werden betaald en/of ingehouden m.b.t. deze boete.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding en begroot deze in hoofde van eiseres op 1.100,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op 12.11.2009, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., enige rechter, en

De Heer L. P., griffier.

L. P. M. C.